ECLI:NL:TAHVD:2026:47 Hof van Discipline 's Gravenhage 250007 250008 250009 250010

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:47
Datum uitspraak: 13-02-2026
Datum publicatie: 13-02-2026
Zaaknummer(s):
  • 250007
  • 250008
  • 250009
  • 250010
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klager heeft klachten ingediend over de advocaat van de wederpartij die in een civiele kwestie de ex-partner van klager bijstond. De klachten van klager komen erop neer dat verweerder onjuiste, onvolledige en leugenachtige mededelingen over klager heeft gedaan, dat verweerder klager ten onrechte heeft verboden hem via e-mail te benaderen in plaats van via zijn advocaten en heeft gedreigd met aangifte als klager daarmee door zou gaan en dat verweerder ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank waardoor een uitstelverzoek van verweerder zou zijn afgewezen. De raad heeft de klachten grotendeels gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een gedeeltelijk voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerder is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de in eerste instantie opgelegde maatregel heeft aangepast: schorsing 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. Schending kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit. 


Beslissing van 13 februari 2026
in de zaken 250007, 250008, 250009 en 250010

naar aanleiding van het hoger beroep van:


verweerder    

tegen:

klager

1    INLEIDING

1.1    Klager heeft klachten ingediend over de advocaat van de wederpartij, dat is verweerder, die in een civiele kwestie de ex-partner van klager bijstond. De klachten van klager komen erop neer dat verweerder onjuiste, onvolledige en leugenachtige mededelingen over klager heeft gedaan, dat verweerder klager ten onrechte heeft verboden hem via e-mail te benaderen in plaats van via zijn advocaten en heeft gedreigd met aangifte als klager daarmee door zou gaan en dat verweerder ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank waardoor een uitstelverzoek van verweerder zou zijn afgewezen. De raad heeft de klachten grotendeels gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een gedeeltelijk voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerder is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de in eerste instantie opgelegde maatregel heeft aangepast. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 


2    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna steeds: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummers 24-386/AL/OV, 24-387/AL/OV, 24-388/AL/OV en 24-389/AL/OV) op 9 december 2024 een beslissing gegeven. In deze beslissing heeft de raad:

-    klachtonderdeel a) eerste onderdeel niet-ontvankelijk verklaard;

-    klachtonderdeel a) tweede onderdeel, klachtonderdeel b) eerste en vierde onderdeel, klachtonderdeel c) en klachtonderdeel d) gegrond verklaard;

-    klachtonderdeel b) tweede en derde onderdeel ongegrond verklaard.

Aan verweerder is de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening opgelegd voor de duur van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, waarbij als algemene voorwaarde is gesteld dat verweerder zich binnen een proeftijd van twee jaren niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:299 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder, met bijlagen, tegen de beslissing is op 7 januari 2025 ontvangen door de griffie van het Hof van Discipline (hierna: het hof).

2.4    Verder bevatten de dossiers van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    een e-mail van verweerder van 7 januari 2025, met bijlagen;
-    het verweerschrift van klager van 1 april 2025.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 december 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnota, die onderdeel uitmaakt van het dossier van het hof.


3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de volgende feiten.

3.2    Klager en zijn voormalige partner [K] (hierna: K) hadden een affectieve relatie van januari 2018 tot juni 2021. K heeft een dochter uit een eerdere relatie, genaamd [D] (hierna: D).

3.3    Klager was tot april 2024 advocaat, maar treedt in de onderhavige klachtprocedure als privépersoon op.

3.4    Klager en K woonden van 2018 tot 18 augustus 2023 samen, hoewel de relatie tussen hen al eerder was verbroken (juni 2021). Ook D, de dochter van K, woonde bij klager en K.

3.5    Klager en K hebben verschillende procedures gevoerd, zowel in Turkije als in Nederland, over onder meer de eigendom van een appartement in Istanbul. Klager is hierin bijgestaan door mrs. [L] en [K].

3.6    Verweerder is K per 21 augustus 2023 gaan bijstaan. 

3.7    Op 2 oktober 2023 heeft een kort geding plaatsgevonden bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, waarbij klager onder meer een verbod tot verkoop van het appartement door K heeft gevorderd. Dit verzoek is toegewezen. Verweerder heeft, in reconventie, een contactverbod met klager gevorderd. Dit verzoek is afgewezen.

3.8    Klager en verweerder hebben e-mailcorrespondentie gehad over het rechtstreeks benaderen door klager van verweerder.

3.9    Op 11 december 2023 heeft verweerder een verzoek om uitstel ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland wegens ziekte. De rechtbank Midden-Nederland heeft dit verzoek afgewezen.

3.10     Op 12 december 2023 heeft verweerder het volgende aan de advocaat van klager geschreven:

“Ik ben van mening dat u klachtwaardig handelt door allerlei suggesties te wekken dat ik steeds om uitstel vraag. Bovendien heb ik uw toestemming niet nodig om ziek te zijn en dan om uitstel te vragen. Waarom mengt u zich in een dergelijke kwestie. Het is een kwestie waar de griffie zich over moet buigen en u hebt daar niets mee te maken. Blijkbaar zijn de lijnen tussen de griffie en [klager] korter dan hij eerder tegen mijn cliënte had gezegd, namelijk dat hij iedereen van de rechtbank Utrecht kent.”

3.11    Verweerder heeft in een brief van 20 oktober 2023 als reactie op de onder b) genoemde klacht onder meer het volgende aan de deken geschreven:

“7. Volgens klager zou ik onvolledige en onware mededelingen hebben gedaan. Hij doelt waarschijnlijk op de uitspraken van de dochter van cliënte die op 18 augustus 2023 op een vervelende manier op straat is gezet door klager en zijn vriendje, een strafrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mr. [X].
    
8. De uitlatingen van D maken de sfeer haarfijn helder, onder welke omstandigheden de uithuiszetting heeft plaatsgevonden. Daarbij beroep ik me op een schriftelijke verklaring van D. Ik ben bij de huisuitzetting niet geweest. Ik heb niets anders gedaan dan citeren uit de verklaringen van D. Deze uitlatingen zijn niet bedoeld om de persoon van klager te beschadigen. De uitspraken zijn bedoeld om de grimmige sfeer van de uithuiszetting toe te lichten. Blijkbaar denkt klager dat D de uithuiszetting als prettig zou hebben ervaren, maar D schrijft dat zij ontzettend bang was en zij alles deed om hem maar niet kwaad te krijgen.

9. Zowel cliënte als D heeft mij aan de hand van concrete voorbeelden duidelijk gemaakt dat klager grenzeloos, respectloos en grensoverschrijdend kan zijn. Een 'nee' zal hij niet accepteren. Hij kan niet omgaan met de afstand en nabijheid. Aan de hand van de concrete voorbeelden licht ik dit toe.

10. Volgens cliënte zou klager meerdere panden in en rond Utrecht hebben die hij verhuurt aan studenten. Klager ging met de huurders (meisjes) op vakantie terwijl deze meisjes tevens huurders van hem zijn. Cliënte zag hierin een probleem omdat de meisjes van hem afhankelijk zijn (zij zijn jong, student, weinig geld en huurders). Klager zag hierin geen problemen. Indien de Deken de foto's hiervan wenst te zien, zal ik de foto's indienen.

11. In India heeft klager een hulpproject voor jonge meisjes. Cliënte is een keer met hem mee geweest en maakte daar voortdurend ruzie met klager over ongepaste afstand tussen klager en de meisjes. Volgens cliënte maakt klager een verkeerde inschatting van hoe jonge meisjes zijn houding en gedrag interpreteren en dat deze jonge meisjes geen nee kunnen zeggen. Ik heb een paar foto's van klager met jonge meisjes in mijn dossier. Mocht de Deken de foto's willen zien, zal ik de foto's overleggen.

12. Cliënte vertelde mij dat klager jonge asielzoekers in huis opving. Volgens cliënte respecteerde hij de grenzen van deze asielzoekers niet. Dat maakt cliënte duidelijk door een voorbeeld, dat klager zomaar de kamers binnenliep zonder zich af te vragen of de jonge mensen wel gelegen zijn om hem op de kamer te ontvangen.

13. Uit de verklaring van D blijkt ook dat klager de grenzen van D niet respecteerde. Hij kwam bij haar zomaar de kamer binnen op momenten dat hij kan en moet weten dat zij niemand op de kamer kan ontvangen. Verder is in de verklaring van D te lezen dat klager aan D wel eens zou hebben gevraagd of zij een kind van klager zou willen hebben, als hij haar vriend zou zijn. D heeft dit als ongepast en als grensoverschrijdend ervaren.”


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, het volgende in:

a) – (…)
- Verweerder heeft klager op 19 oktober 2023 te kennen gegeven het e-mailadres van klager als spam aan te merken en klager verboden hem rechtstreeks aan te schrijven in plaats van via de advocaten van klager (tweede onderdeel).

b) - Verweerder heeft op 2 oktober 2023 bij de voorzieningenrechter te Almelo een contactverbod tegen klager gevorderd en daarbij gesteld dat in Turkije ook een contactverbod tegen klager zou zijn uitgevaardigd. Verweerder heeft hierover gelogen omdat er geen contactverbod in Turkije bestaat. (eerste onderdeel)
- (…)
- (…) 
- Verweerder heeft op 12 oktober 2023 gedreigd met een aangifte jegens klager, wanneer klager zich nog rechtstreeks zou richten tot verweerder. Klager ervaart dit als intimiderend (vierde onderdeel).

c) Dit klachtonderdeel gaat over de inhoud van het antwoord op de onderhavige klacht van verweerder van 20 oktober 2023 aan de deken. Dit schrijven is leugenachtig en is alleen bedoeld om klager persoonlijk te beschadigen, terwijl verweerder in dit schrijven nauwelijks reageert op de door klager ingediende klachten waarop verweerder verzocht is te reageren. Hetgeen verweerder schrijft is niet functioneel, heeft niets van doen met de klacht en is onnodig grievend.

d) Dit klachtonderdeel gaat over de e-mail van verweerder aan de advocaat van klager van 12 december 2023. De suggestie die verweerder wekt, namelijk dat de rechtbank Midden-Nederland met klager zaken zou afstemmen omdat hij advocaat in Utrecht is (geweest), is kwalijk en nergens op gebaseerd. Naar de mening van klager bezoedelt verweerder de integriteit van klager alsmede de integriteit en onpartijdigheid van de rechtbank door te suggereren dat er door de contacten van klager beslissingen ten gunste van klager zouden worden genomen.

Ten aanzien van klachtonderdeel b) 

4.2 Uit het verhandelde op de mondelinge behandeling bij het hof en de inhoud van het dossier is gebleken dat klager klachtonderdeel b) eerste onderdeel reeds in december 2023 bij de deken heeft ingetrokken. Het hof verwijst daarvoor naar een e-mail van klager van 4 december 2023 aan de deken in het dossier van de zaak met nummer 250008, waarmee klager reageerde op een verzoek van de deken. De raad heeft deze intrekking kennelijk over het hoofd gezien en ten onrechte zich uitgelaten over dit klachtonderdeel. Het hof zal de beslissing van de raad ten aanzien van dit klachtonderdeel dan ook vernietigen waarbij zal worden verstaan dat dit klachtonderdeel is ingetrokken. Het hof laat dit klachtonderdeel bij het hiernavolgende dan ook buiten beschouwing.

4.3 Verder heeft het hof geconstateerd dat klachtonderdeel b) aanvankelijk uit nog een extra onderdeel bestond, zoals ook blijkt uit de aanbiedingsbrief van de deken. Het betrof het door verweerder in een conclusie van antwoord opnemen van een passage over grensoverschrijdend gedrag van klager richting D. In een e-mailbericht van 28 januari 2024 aan de deken (in het dossier van de zaak met nummer 250009), inhoudende de repliek van klager met betrekking tot zijn tweede klacht (klachtonderdeel b), heeft klager echter aan de deken geschreven: “Inmiddels is [verweerder] nog veel verder gegaan met zijn lasterlijke - en daarmee onnodig grievende – uitlatingen, hetgeen geleid heeft tot mijn derde klacht tegen hem (hof: klachtonderdeel c). (…)  Als de Raad van Discipline die derde klacht in behandeling neemt, kan een aparte behandeling van het tweede klachtonderdeel van de tweede klacht (dat, zoals gezegd, minder omvattend is) achterwege blijven.” Het hof constateert aldus dat dit klachtonderdeel uit de aanbiedingsbrief van de deken door de raad op juiste gronden buiten beschouwing is gelaten.


5    BEOORDELING RAAD

5.1    Klager heeft de klacht aanvankelijk als vier afzonderlijke klachten (met aanvullingen) bij de deken ingediend. De vier klachten zijn door de deken in één aanbiedingsbrief aan de raad aangeboden. De raad heeft op de vier klachten ook één beslissing genomen. Dat verklaart ook de verschillende zaaknummers. De raad heeft ten aanzien van de gegrond verklaarde klachtonderdelen het volgende overwogen:

Ten aanzien van klachtonderdeel a) tweede onderdeel en klachtonderdeel b) vierde onderdeel

5.2    Verweerder heeft klager op 19 oktober 2023 te kennen gegeven het e-mailadres van klager als spam aan te merken en klager verboden hem rechtstreeks aan te schrijven in plaats van via de advocaten van klager. Verweerder stelt dat hij dit heeft gedaan omdat klager is doorgedraaid en hem dagelijks meerdere onzinnige e-mails stuurde. Ook heeft verweerder gedreigd met een aangifte in het geval klager zich nogmaals rechtstreeks tot verweerder zou richten.

5.3    De raad heeft vooropgesteld dat het een partij in een procedure niet verboden is om de advocaat van de wederpartij te benaderen. Dat geldt ook in het geval die partij door een advocaat wordt vertegenwoordigd. Het benaderen van verweerder door klager was daarom niet ontoelaatbaar of ongepast. Gelet daarop staat het een advocaat in beginsel niet vrij om de wederpartij van zijn cliënt te verbieden om rechtstreeks met hem contact op te nemen of om te dreigen met een aangifte bij de politie. Er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar waarin deze door verweerder genomen acties wel gerechtvaardigd kunnen zijn, maar daarvan is in deze zaak geen sprake. Het gestelde handelen van klager, dat door klager wordt betwist, is door verweerder niet onderbouwd. De vele (ongepaste) e-mails die klager volgens verweerder zou hebben gestuurd zitten bijvoorbeeld niet in het klachtdossier. Ook overigens is van handelen door klager op grond waarvan deze vergaande reactie van verweerder gerechtvaardigd zou zijn, niet gebleken. Gelet op het voorgaande heeft de raad geoordeeld dat verweerder niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. De raad heeft dan ook geconcludeerd dat deze klachtonderdelen gegrond zijn.

Ten aanzien van klachtonderdeel c)

5.4    Klager beklaagt zich over de inhoud van het verweer van verweerder tegen dit klachtonderdeel aan de deken. De raad heeft overwogen dat verweerder in het hierboven geciteerde antwoord zeer belastende en grievende dingen over klager heeft geschreven. Verweerder heeft onder meer beweerd dat klager zich grensoverschrijdend heeft gedragen in de richting van de dochter van zijn ex-partner, asielzoekers die klager in zijn woning had opgenomen en kinderen in India met wie hij contact had vanwege klagers vrijwilligerswerk.

5.5    De raad heeft vooropgesteld dat het een advocaat vrij staat om zijn standpunt over een klacht kenbaar te maken en zich daartegen te verdedigen op een wijze die hem goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet onbeperkt. De raad heeft geoordeeld dat verweerder in deze zaak ruimschoots de grens van de betamelijkheid heeft overschreden. De raad heeft daarover overwogen dat verweerder in zijn schriftelijke antwoord volstrekt niet duidelijk heeft kunnen maken om welke reden hij - in een reactie op een tegen hem ingediende klacht - deze ernstige beschuldigingen over klager heeft geuit. Deze uitlatingen hebben niets te maken met deze klachten en zijn in het kader van deze klachtzaak niet relevant en niet functioneel. Bovendien heeft klager zijn stellingen over klager in het geheel niet onderbouwd, ook niet met de verklaring van D waarnaar hij wel verwijst. De raad heeft geoordeeld dat dan ook niet anders geconcludeerd kan worden dan dat verweerder deze beweringen over klager alleen heeft gedaan om klager te beschadigen.

5.6    Verder heeft de raad overwogen dat verweerder deze beschuldigingen over klager op de zitting van de raad heeft herhaald, maar ook daar heeft hij niet kunnen uitleggen wat de relevantie of de functionaliteit van deze in zijn schriftelijke antwoord gedane uitlatingen zijn. Bovendien heeft de raad erop gewezen dat verweerder op die zitting nieuwe, zeer vergaande beschuldigingen aan het adres van klager heeft geuit. Ook die nieuwe beschuldigingen over gesteld grensoverschrijdend gedrag van klager hebben niets te maken met de tegen verweerder ingediende klachten en ook die nieuwe beschuldigingen heeft verweerder op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt, aldus de raad. Met betrekking tot de door verweerder op de zitting gemaakte opmerkingen heeft de raad in het nadeel van verweerder ook nog van belang geacht dat hij deze zelf, en niet namens zijn cliënte, heeft gemaakt.

5.7    De raad heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat verweerder de grenzen van het betamelijke ver heeft overschreden. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond verklaard.

Ten aanzien van klachtonderdeel d)

5.8    De raad heeft overwogen dat verweerder insinueert dat klager- zonder verweerder daarvan op de hoogte te stellen - telefonisch contact heeft opgenomen met medewerkers van de rechtbank, waardoor het aanhoudingsverzoek van verweerder door de rechtbank is afgewezen. De raad heeft hierover geoordeeld dat een dergelijke beschuldiging niet kan worden gedaan zonder onderbouwing, die ontbreekt. Verder heeft de raad overwogen dat ook overigens van de juistheid van deze stelling in het geheel niet is gebleken en dat klager dit ook heeft ontkend. Bij die stand van zaken heeft de raad geoordeeld dat verweerder met zijn uitlatingen de belangen van klager onnodig en onevenredig heeft geschaad. Dit klachtonderdeel is daarom door de raad gegrond verklaard.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1    Verweerder heeft in het beroepschrift negen beroepsgronden tegen de beslissing van de raad aangevoerd, met dien verstande dat de beroepsgronden in het beroepschrift zijn genummerd van 1 tot en met 8, omdat er twee keer een beroepsgrond 6 is. Het hof voorziet de beroepsgronden van een doorlopende nummering. In de inleiding van het beroepschrift heeft verweerder allereerst uitvoerig de context van de onderliggende civiele kwestie uiteengezet, omdat dat volgens verweerder nodig is om te kunnen begrijpen waarom de hieronder nader omschreven uitlatingen zijn gedaan. Verweerder voert in dat verband aan dat het fundament van de claim van K op klager in de civiele kwestie, namelijk dat het appartement in Istanbul voor haar was gekocht, is gebaseerd op de verwachtingen die klager met zijn gedrag bij haar heeft gecreëerd, welk gedrag volgens verweerder wordt gekenmerkt door een patroon van financiële vrijgevigheid en het wekken van verwachtingen, zowel ten aanzien van K en D als ten opzichte van anderen. Klager zou daarbij onvoldoende rekening houden met hoe zijn acties door anderen worden ervaren en persoonlijke en financiële grenzen van anderen negeren.

6.2    De beroepsgronden komen in de kern op het volgende neer.

1.    Verweerder stelt dat de nauwkeurigheid en objectiviteit van het proces-verbaal van de zitting bij de raad op 20 september 2024 niet is gewaarborgd, omdat zowel zijn verklaring ter zitting alsmede die van klager daarin onjuist zijn weergegeven. Door de gebreken aan het proces-verbaal kunnen de redeneringen van de raad die aan de beslissing ten grondslag liggen in hoger beroep bovendien niet worden getoetst, nu de raad ook weigert de ruwe aantekeningen van de zitting aan verweerder te verstrekken. 

2.    Beroepsgrond 2 betreft klachtonderdeel c. Ten onrechte heeft de raad de ingebrachte informatie over de meerdere panden die klager verhuurt aan studenten met wie hij ook op vakantie ging, gezien als een beschuldiging. Deze informatie dient niet als smaad te worden gezien, maar als noodzakelijk bewijsmateriaal dat ook licht werpt op de disproportionele machtsdynamiek die klager heeft gecreëerd en onderhouden in de relatie met K en haar dochter D. 

3.    Beroepsgrond 3 betreft ook klachtonderdeel c. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerder met de verstrekte informatie over klagers hulpproject in India en zijn omgang aldaar met meisjes de grenzen van de betamelijkheid heeft overschreden. Deze informatie was noodzakelijk om de claims van de cliënte van verweerder te onderbouwen. 

4.    Beroepsgrond 4 betreft ook klachtonderdeel c. Ook ten aanzien van ingebrachte informatie over klagers opvang van asielzoekers in zijn huis heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat verweerder de grenzen van de betamelijkheid heeft overschreden. Daarbij is deze informatie ook niet als onnodig grievend te beschouwen. De informatie was nodig voor een volledig begrip van de omstandigheden en het gedrag van klager. Verweerder heeft ook niet ontkend asielzoekers in zijn huis te hebben ontvangen. 

5.    Beroepsgrond 5 betreft ook klachtonderdeel c. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat ook de ingebrachte informatie over klagers houding tegenover D grensoverschrijdend was. Deze informatie was cruciaal voor de context van de gedragingen van klager. Het inbrengen van deze informatie was functioneel.

6.    Beroepsgrond 6 betreft klachtonderdeel a) tweede onderdeel en klachtonderdeel b) vierde onderdeel. Verweerder voert aan dat het telkens waarschuwen en het uiteindelijk aangeven dat hij aangifte zou doen was bedoeld om de communicatie in goede banen te leiden en om de kwaliteit en integriteit ervan te waarborgen. Dit vormt naar verweerders opvatting geen grond voor een klacht en verweerder vindt dat de raad dit had moeten onderkennen, waardoor de beslissing op dit punt moet worden vernietigd. 

7.    Beroepsgrond 7 ziet op het ingetrokken klachtonderdeel b) eerste onderdeel en behoeft bij gebrek aan belang verder geen bespreking. 

8.    Beroepsgrond 8 betreft r.o. 5.12 van de raad, met betrekking tot klachtonderdeel c. Verweerder herhaalt zijn standpunt dat in het proces-verbaal van de zitting bij de raad niet correct is opgenomen wat er tijdens de zitting over en weer is uitgewisseld. Verweerder benadrukt dat hij niet de intentie heeft gehad om klager te schaden, maar dat hij de raad wilde inlichten over de relevante context van de zaak, in welk kader hij de opmerkingen over machtsdynamiek heeft gemaakt, omdat dat essentieel is om de zaak volledig te kunnen begrijpen. Volgens verweerder heeft hij dat bij de raad ook consequent aangegeven. Verweerder verzoekt het hof zijn uitlatingen in dat licht te beoordelen. 

9.    Beroepsgrond 9 betreft klachtonderdeel d). Verweerder wijst erop dat hij na afwijzing van zijn uitstelverzoek wegens ziekte nader onderzoek heeft verricht naar de redenen van de afwijzing. Verweerder voert aan dat hem daarbij is gebleken dat de advocaat van klager contact heeft opgenomen met de griffie, wat volgens verweerder direct heeft geleid tot de afwijzing van zijn verzoek, aangezien de afwijzing is onderbouwd met argumenten die namens klager zijn aangeleverd. Ter onderbouwing van zijn stellingen op dit punt verwijst verweerder naar e-mailberichten met de griffie van de rechtbank Midden-Nederland. Verweerder wijst erop dat hij niet op de hoogte is gesteld van het contact van de advocaat van klager met de griffie van de rechtbank en dat juist dat klachtwaardig is. 

Verweer klager

6.3    Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in hoger beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep. 


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen van het hof

Beroepsgronden 1 en 8: het proces verbaal van de zitting bij de raad

7.3    Het hof stelt voorop dat het proces-verbaal van een zitting in beginsel de enige kenbron is van het verhandelde op die zitting. Het gaat daarbij om een zakelijke samenvatting van het verhandelde ter zitting, en niet om een letterlijke weergave. Op basis van wat verweerder heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat het proces-verbaal niet een voldoende getrouwe weergave bevat van hetgeen ter zitting van de raad is voorgevallen.

7.4    Daarnaast heeft klager bij de beroepsgronden gericht tegen (de inhoud van) het proces-verbaal naar het oordeel van het hof ook geen belang, omdat wat daarin staat opgenomen de beslissing van de raad (dat wil zeggen: het dictum) niet draagt (zie HvD 18 januari 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:21). Die beslissing volgt uit hetgeen in het lichaam van de beslissing van de raad is overwogen. Wat klager bij de beroepsgronden 1 en 8 aanvoert kan daarom niet tot een ander dictum leiden. Bovendien onderzoekt het hof de klacht in hoger beroep opnieuw aan de hand van de stukken en de mondelinge toelichting van partijen, waarbij het hof ook betrekt wat klager over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft opgemerkt. 

Klachtonderdeel a) tweede onderdeel en klachtonderdeel b) vierde onderdeel (beroepsgrond 6): het rechtstreeks benaderen van verweerder door klager

7.5    Het hof is, met de raad, van oordeel dat klachtonderdeel a) tweede onderdeel en b) vierde onderdeel met betrekking tot het rechtstreeks aanschrijven van verweerder door klager gegrond zijn. Het hof neemt de desbetreffende overwegingen van de raad over en maakt die tot de zijne. Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van deze klachtonderdelen te komen dan de raad. Het hof sluit zich in zoverre aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. 

Klachtonderdeel d) (beroepsgrond 9): e-mail over uitstelverzoek

7.6    Het hof is, met de raad, van oordeel dat ook klachtonderdeel d) met betrekking tot het uitstelverzoek van verweerder gegrond is. Het hof neemt de desbetreffende overwegingen van de raad over en maakt die tot de zijne. Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van dit klachtonderdeel te komen dan de raad. Het hof sluit zich in zoverre aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de advocaat van klager in de e-mail van 12 december 2023 te 11.38 uur aan verweerder, die als productie O bij het beroepschrift is gevoegd, schrijft dat de griffie van de rechtbank haar heeft gebeld en zij zelf geen contact heeft opgenomen, en dat uit niets blijkt dat dat contact direct heeft geleid tot afwijzing van het uitstelverzoek. Bovendien is verweerder door de rechtbank alsnog een kort uitstel verleend. Hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd, mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag. 

Klachtonderdeel c) (beroepsgronden 2 t/m 5) : uitlatingen over klager door verweerder

7.7  Verweerder is het niet eens met het oordeel van de raad dat hij de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Verweerder stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de uitlatingen waarover wordt geklaagd (zie hierboven onder 3.11) functioneel en noodzakelijk zijn, ter duiding van de context en de ernst van het onderliggende conflict. Verweerder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uitlatingen niet waren bedoeld om klager persoonlijk te diffameren, maar om de machtsdynamiek en feitelijke achtergrond van het conflict inzichtelijk te maken, hetgeen hij ook expliciet heeft benadrukt. Verweerder merkt daarbij op dat het, tegen de achtergrond van de concrete verklaringen en informatie die hij van zijn cliënte K en haar dochter D heeft verkregen, gerechtvaardigd en relevant was de context in stevige bewoordingen te schetsen en dat hij geen feiten heeft geponeerd waarvan hij wist of moest weten dat deze onwaar waren. De uitlatingen dienden volgens verweerder een redelijk doel, nu de gegeven voorbeelden volgens verweerder relevant zijn voor de duiding van de gedragspatronen van klager en daarmee voor de betwisting van zijn vorderingen in de civiele procedure. In dat licht is het oordeel van de raad dat de uitlatingen onnodig grievend zijn naar verweerder stelt onvoldoende gemotiveerd. 

7.8 In hoger beroep is verweerder aldus gebleven bij de relevantie en functionaliteit van de door hem gedane uitlatingen in de genoemde brief, en hij heeft in hoger beroep een groot aantal documenten ter aanvulling daarvan overgelegd. 

7.9 Ook in hoger beroep is het hof door hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht niet overtuigd geraakt van de functionaliteit en relevantie van de door verweerder gedane uitlatingen in het kader van deze tuchtzaak. Het hof schaart zich achter het oordeel van de raad dat verweerder  niet duidelijk heeft kunnen maken om welke reden hij - in reactie op de over hem ingediende tuchtklacht - deze ernstige beschuldigingen over klager heeft geuit. Deze uitlatingen hebben niets te maken met de onderhavige klachten en zijn in het kader van het verweer tegen deze klachten niet relevant en niet functioneel. Voor zover deze uitlatingen ook in de civiele zaak naar voren zijn gebracht, wat volgens verweerder wel het geval is, maar door klager wordt betwist, met uitzondering van de beschuldiging van grensoverschrijdend gedrag richting D, is het aan de civiele rechter de relevantie daarvan in het kader van die kwestie te beoordelen. In deze tuchtzaak is met de gedane uitlatingen naar het oordeel van het hof geen redelijk doel gediend. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van het hof de belangen van klager onnodig geschaad en onbetamelijk gehandeld en de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit niet in acht genomen. 

Slotsom

7.10 Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de beroepsgronden van verweerder en zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen, met uitzondering van de beslissing op klachtonderdeel b) eerste onderdeel, welk klachtonderdeel ten onrechte door de raad gegrond is verklaard. Zoals overwogen zal het hof de beslissing van de raad op dat punt vernietigen en verstaan dat dat klachtonderdeel is ingetrokken. 


8     MAATREGEL

Verweerder heeft zich onwelwillend tegenover klager opgesteld door zijn e-mailadres als spam aan te merken en klager te verbieden hem rechtstreeks aan te schrijven en hem te dreigen met een aangifte, terwijl van vele ongepaste e-mails van klager aan verweerder niet is gebleken. Daarbij heeft verweerder ten onrechte gesuggereerd dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank Midden-Nederland. Daarmee heeft verweerder bewust de integriteit van klager ter discussie gesteld. Verder heeft verweerder zonder rechtvaardiging beschuldigende en grievende informatie over klager ingebracht bij zijn verweer tegen de klachten. De belangen van klager zijn daarmee onnodig geschaad. Verweerder heeft zich aldus niet integer opgesteld tegenover klager en onvoldoende onafhankelijk van zijn eigen cliënte. Het hof rekent verweerder dat zwaar aan. Mede gelet op het tuchtrechtelijke verleden (eerder volharden in onnodig grievende uitlatingen) is het hof van oordeel dat een stevige maatregel op zijn plaats is en dat met niet minder kan worden volstaan dan met een (deels voorwaardelijke) schorsing. Rekening houdend met de duur van schorsingen in andere gevallen zal het hof aan verweerder een schorsing opleggen voor de duur van acht weken waarvan vier weken voorwaardelijk. Ten aanzien van de opgelegde maatregel zal de beslissing van de raad dan ook worden vernietigd.   

9     PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof de beslissing van de raad grotendeels bekrachtigt en ook een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                               
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); 

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10     BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 9 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummers 24-386/AL/OV, 24-387/AL/OV, 24-388/AL/OV en 24-389/AL/OV ten aanzien van klachtonderdeel b) eerste onderdeel en ten aanzien van de opgelegde maatregel; 
en doet in zoverre opnieuw recht:

10.2 verstaat dat klachtonderdeel b) is ingetrokken;

10.3     legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren  met ingang van de datum van deze beslissing;  

10.4 stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een gedraging als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet; 

10.5 bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de voorwaarde niet heeft nageleefd; 

10.6 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 16 maart 2026, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

10.7 bekrachtigt - voor zover voor het overige aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 9 december 2024 van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummers 24-386/AL/OV, 24-387/AL/OV, 24-388/AL/OV en 24-389/AL/OV;

10.8 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.9 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.F. Baaij, A.E.H. van der Voort Maarschalk, J.H. Brouwer en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 13 februari 2026.