ECLI:NL:TAHVD:2026:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 250074D 250075
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:46 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-02-2026 |
| Datum publicatie: | 13-02-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht advocaat tegen advocaat wederpartij. In deze zaak staat de vraag centraal of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt dat belang mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat. |
Beslissing van 13 februari 2026
in de zaken 250074D en 250075
naar aanleiding van het hoger beroep van:
in de zaak met zaaknummer 250075:
verweerder
tegen:
klager
in de zaak met zaaknummer 250074D:
de deken
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1. In deze zaak staat de vraag centraal of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt dat belang mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat.
1.2. Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
in de zaak met zaaknummer 250075:
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-581/DB/ZWB) een beslissing gewezen op 27 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard, voor zover de klacht ziet op het verwijt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels 24 en 25 doordat hij heeft nagelaten gelijktijdig een afschrift van de dagvaarding aan klager te sturen en is de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:17 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 25 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klager.
in de zaak met zaaknummer 250074D:
Bij de raad van discipline
2.5 Het hof verwijst voor de procedure bij de raad van discipline naar hetgeen hiervoor onder rov. 2.1 en 2.2 is opgenomen.
Bij het hof van discipline
2.6 Het beroepschrift van de deken tegen de beslissing van de raad van 27 januari 2025 is op 24 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. De deken heeft met dit beroepschrift gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 56 lid 1 onder b van de Advocatenwet om op te komen tegen een beslissing van de raad.
2.7 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- een bericht van de deken van 20 november 2025 dat hij niet ter zitting zal
verschijnen.
in de zaken met zaaknummers 250074D en 250075:
2.8 Het hof heeft beide zaken gelijktijdig mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 december 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager en verweerder hebben hun standpunt toegelicht.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt in de zaken met zaaknummers 250074D en 250075 de volgende feiten vast.
3.2 Op 6 mei 2022 heeft verweerder, namens zijn cliënt [naam client] een “verzoek tot het vaststellen van wanbeleid en het treffen van voorzieningen” ingediend bij de Ondernemingskamer. Het verzoekschrift was onder meer gericht tegen de heer Van H en de heer G, de toenmalige statutair bestuurders van [naam bedrijf]. Klager heeft in deze procedure opgetreden als advocaat van de toenmalige bestuurders en aan hen gelieerde vennootschappen. Verweerder heeft klager als advocaat van deze partijen in het verzoekschrift vermeld.
3.3 Bij beschikking van 31 januari 2023 heeft de Ondernemingskamer de verzoeken van de cliënte van verweerder ingewilligd. De uitspraak is onherroepelijk geworden op 30 april 2023.
3.4 Na de beschikking van de Ondernemingskamer hebben klager en verweerder gecorrespondeerd over een minnelijke regeling. In de periode november 2023 – januari 2024 hebben de cliënten van klager en verweerder rechtstreeks, zonder tussenkomst van hun advocaten, onderhandeld. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen.
3.5 Bij e-mailbrief van 21 januari 2024 heeft de bedrijfsjurist van de client van verweerder de toenmalige bestuurders van de client van verweerder rechtstreeks aangeschreven en aansprakelijkheid gesteld uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid.
3.6 Op 19 maart 2024 heeft verweerder namens zijn client een dagvaarding doen betekenen aan de toenmalige bestuurders van zijn client, de heren Van H en G.
3.7 Op 15 april 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt in beide zaken, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
Verweerder heeft een dagvaarding rechtstreeks aan klagers cliënten doen betekenen. Dit zonder enig voorafgaand contact met klager, zonder voorafgaande toestemming van klager en zonder toezending van een kopie van de dagvaarding aan klager. Aldus heeft verweerder in strijd gehandeld met de gedragsregels 21 lid 1, 24 en 25 lid 2.
5 BEOORDELING RAAD
In de zaak met zaaknummer 250075:
5.1 De raad heeft – na uiteenzetting van de uitgangspunten – geoordeeld dat gedragsregel 25 lid 2 ook geldt voor dagvaardingen en dat dit betekent dat verweerder een afschrift van de dagvaarding aan klager had moeten sturen. Dat de betekening van een dagvaarding door de deurwaarder met waarborgen is omkleed doet daar niet aan af. De ratio van deze gedragsregel is namelijk dat de advocaat van de ontwikkelingen in een zaak op de hoogte is. Zo wordt voorkomen dat de advocaat van de wederpartij een partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van zijn eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat de dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten. Ook die praktijk onderstreept volgens de raad het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij informeert over het uitbrengen van de dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat. Op grond van gedragsregel 25 lid 2 mag een dagvaarding derhalve slechts rechtstreeks aan een partij, die zich laat bijstaan door een advocaat, betekend worden, wanneer een afschrift hiervan gelijktijdig aan diens advocaat wordt verstuurd, aldus de raad.
5.2 Naar het oordeel van de raad staat vast dat de heren Van H en G door klager waren bijgestaan in de procedure bij de Ondernemingskamer van 31 januari 2023, en dat klager en verweerder daarna contact met elkaar hebben gehad in het kader van het treffen van een minnelijke regeling. Volgens de raad wist of behoorde verweerder op het moment van de dagvaarding te weten dat de heren Van H en G werden bijgestaan door klager. Dat partijen in de periode november 2023 – januari 2024 rechtstreeks, zonder tussenkomst van hun advocaten, hebben onderhandeld over een regeling, maakt dit naar het oordeel van de raad niet anders. Indien en voor zover er aan de zijde van verweerder in maart 2024 twijfel bestond over de vraag of de heren Van H en G nog altijd door klager werden bijgestaan, had het op zijn weg gelegen om dit bij klager te verifiëren. Door na te laten gelijktijdig een afschrift van de dagvaarding aan klager te sturen, heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 25 lid 2 als ook met gedragsregel 24, op grond waarvan advocaten in het belang van de rechtszoekenden en van de advocatuur in het algemeen dienen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen, aldus de raad. De klacht is in zoverre gegrond.
5.3 Rekening houdend met de aard en de ernst van het gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt en het feit dat verweerder niet eerder tuchtrechtelijk werd veroordeeld, heeft de raad een waarschuwing een passende maatregel geacht.
5.4 Verweerder behoefde volgens de raad voor het uitbrengen van de dagvaarding niet de toestemming van klager en behoefde het uitbrengen van de dagvaarding evenmin aan klager aan te kondigen. Volgens de raad strekken de gedragsregels 24 en 25 niet zo ver. Gedragsregel 21 mist toepassing in de situatie waarop de onderhavige klacht ziet, aldus de raad. In zoverre is de klacht ongegrond.
5.5 Ten overvloede heeft de raad geoordeeld dat een redelijke uitleg van gedragsregel 25 lid 2 met zich brengt dat de verplichting tot het gelijktijdig toezenden van een afschrift niet geldt als het intreden van het beoogde rechtsgevolg daardoor in de knel komt. In een dergelijke situatie moet een afschrift van het proces inleidende stuk worden verzonden direct nadat het rechtsgevolg is ingetreden.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
In de zaak met zaaknummer 250075:
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder betwist in zijn beroepschrift dat hij heeft gehandeld in strijd met gedragsregels 24 en/of 25. Ter zitting bij het hof heeft verweerder nader toegelicht dat hem tijdens de beroepsopleiding is geleerd dat de dagvaarding is gericht op een rechtsgevolg en dat die niet naar de advocaat van de wederpartij hoeft. Volgens verweerder heeft hij naar eer en geweten gehandeld. De lagere tuchtrechters zitten niet op één lijn en het hof heeft nog niet geoordeeld in een vergelijkbare kwestie. De uitspraak van het hof (ECLI:NL:TAHVD:2024:121), waaruit kan worden geconcludeerd dat een afschrift van een ingediend verzoekschrift aan de wederpartij moet worden gestuurd, geldt niet voor dagvaardingen. Anders dan bij verzoekschriften, geschiedt de betekening van een dagvaarding door een deurwaarder en is deze daarmee al met wettelijke waarborgen omkleed. Daarnaast handhaaft verweerder in zijn beroepschrift zijn standpunt dat het voor hem niet duidelijk was dat klager zijn cliënten nog bijstond. De cliënten van klager werden in de eerste fase van de procedure bij de Ondernemingskamer (OK) bijgestaan door een andere advocaat. Pas in de tweede fase was klager betrokken. Met de onderhavige dagvaarding is een nieuwe procedure aanhangig gemaakt die los staat van de afwikkeling van de OK procedure. Daarnaast hebben partijen in de periode december 2023 en januari 2024 gesprekken met elkaar gevoerd, waarbij klager en verweerder niet betrokken waren. De familie van de heer Van H. (en ook de heer Van H. zelf) werden in die gesprekken bijgestaan door een andere advocaat. Verweerder betwist tot slot dat de cliënten van klager zijn overrompeld door de betekening van de dagvaarding, aangezien zij zelf niet op de aansprakelijkstelling van 21 januari 2024 hebben gereageerd. Klager heeft geconcludeerd dat hem geen (tuchtrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt en dat (gelet op de tegenstrijdige (lagere) tuchtrechtspraak) aan hem geen maatregel en bijkomende proceskostenveroordeling kan worden opgelegd.
Verweer klager
6.2 Klager heeft hiertegenover aangevoerd dat het hof in zijn uitspraak van 26 april 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:121) heeft geoordeeld dat een advocaat gehouden is een afschrift van een verzoekschrift aan de advocaat van de wederpartij te sturen en dat er geen reden is waarom dat voor een ander inleidend processtuk anders zou zijn. Klager sluit zich aan bij de door de raad genoemde ratio van de regel, namelijk het voorkomen dat de advocaat van de wederpartij een partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van een advocaat. Deze ratio is volgens klager gebaseerd op welwillendheid en het voorkomen dat geschillen nodeloos escaleren. Klager neemt het verweerder kwalijk dat hij geen blijk geeft van inzicht in deze ratio. Daarnaast handhaaft klager zijn standpunt dat verweerder wist, dan wel moest weten dat hij zijn cliënten nog steeds bijstond. Het feit dat er geen eenduidige lagere tuchtrechtspraak is, is volgens klager geen reden om af te zien van een maatregel.
In de zaak met zaaknummer 250074D:
Standpunt van de deken
6.3 De deken heeft gebruik gemaakt van zijn in artikel 56 lid 1 onder b Advocatenwet gegeven bevoegdheid om op te komen tegen een beslissing van de raad in het algemeen belang van de beroepsgroep. De deken heeft in zijn beroepschrift nader toegelicht dat het beroep niet is bedoeld om een standpunt in te nemen, maar om – gelet op de tegenstrijdige jurisprudentie onder de raden – duidelijkheid te krijgen van het hof over de vraag of een advocaat ook in dagvaardingszaken gehouden is een afschrift van de dagvaarding aan de advocaat van de wederpartij te sturen. Uit de uitspraak van het HvD van 26 april 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:121) volgt weliswaar dat een advocaat gehouden is een afschrift van een ingediend verzoekschrift aan de advocaat van de wederpartij te sturen, maar hieruit volgt niet dat dit ook geldt voor een afschrift van de dagvaarding. De deken vraagt het hof daarnaast om de opgelegde maatregel te heroverwegen. Het komt de deken niet juist voor om een maatregel/kostenveroordeling op te leggen in een kwestie waarover ook de tuchtrechters niet op één lijn zitten. Er kan worden volstaan met een gegrondverklaring van de klacht zonder maatregel (met veroordeling betaling griffierecht aan klager), aldus de deken.
7 BEOORDELING HOF
Omvang hoger beroep
7.1 Gezien het beroep van de deken en het beroep van verweerder staat centraal de vraag of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof ziet aanleiding om in het belang van de rechtspraktijk en de rechtszekerheid op dit punt duidelijkheid te scheppen. In het hierna volgende zal het hof zich over deze vraag uitlaten.
Maatstaf
7.2 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Dient bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift daarvan aan de advocaat van de wederpartij te worden gestuurd?
7.3 Het hof heeft evenals partijen en de deken geconstateerd dat sinds 2021 de
raden verschillende en soms tegenstrijdige, uitspraken hebben gedaan over de vraag
of gedragsregels 24 en 25 lid 2 al dan niet van toepassing zijn bij het laten uitbrengen
van dagvaardingen (onder meer RvD Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2021, ECLI:NL:TADRARL:2021:23
en 18 december 2023, ECLI:NL:TADRARL:2023:372, RvD Amsterdam 10 september 2021, ECLI:NL:TADRAMS:2021:209
en 17 juli 2023, ECLI:NL:TADRAMS:2023:130, alsmede RvD Den Bosch op 24 februari 2025,
ECLI:NL:TADRSHE:2025:30 en in de onderhavige zaak.
7.4. Het hof overweegt dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet
meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid,
gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van
de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten
dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te
streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen
(zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt welwillendheid en vertrouwen
mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van
de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn
cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt
zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat
een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder
in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij
hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de
advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert
over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat.
7.5. Het hof is in het onderhavige geval met de raad van oordeel dat vaststaat dat de heren Van H en G werden bijgestaan door klager in de procedure bij de Ondernemingskamer, die heeft geresulteerd in de beschikking van de Ondernemingskamer van 31 januari 2023. Ook staat vast dat klager en verweerder daarna contact met elkaar hebben gehad in het kader van een minnelijke regeling. Tegen deze achtergrond is het hof evenals de raad van oordeel dat verweerder op het moment van de dagvaarding wist of behoorde te weten dat de heren Van H en G werden bijgestaan door klager. Dat in de periode november 2023 – januari 2024 de cliënten van klager en verweerder rechtstreeks, zonder tussenkomst van klager en verweerder hebben onderhandeld doet daaraan niet af. Dat de heer Van H in de periode november 2023 – januari 2024 tijdens schikkingsonderhandelingen werd bijgestaan door een andere advocaat, is door klager gemotiveerd betwist en is ook niet gebleken. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de heer G in die betreffende periode eveneens door een andere advocaat zou zijn bijgestaan. Indien en voor zover er aan de zijde van verweerder in maart 2024 twijfel bestond over de vraag of de heer Van H en G nog altijd door klager werden bijgestaan, had het op zijn weg gelegen dit bij klager te verifiëren. Verweerder had zich welwillend naar klager behoren op te stellen en zich moeten onthouden van al hetgeen hun onderlinge verhouding zou kunnen verstoren.
Slotsom
7.4 Door na te laten tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder een afschrift van de dagvaarding aan klager te sturen, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en is de klacht gegrond.
8 MAATREGEL
8.1 Hoewel een gegronde klacht in beginsel het opleggen van een maatregel rechtvaardigt, ziet het hof in deze zaak geen aanleiding om een maatregel op te leggen en volstaat het hof met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. Het hof heeft hierbij meegewogen dat de raden verschillende en soms tegenstrijdige, uitspraken hebben gedaan over de vraag die in deze zaak centraal staat en er dus tot heden onzekerheid bestond wat er van een redelijk handelend advocaat werd verwacht.
9 BESLISSING
9.1 Omdat het hof geen maatregel oplegt, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 27 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-581/DB/ZWB, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de opgelegde maatregel en de veroordeling van verweerder tot betaling van de proceskosten, en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart de klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.F. Baaij, K.H.A.
Heenk, P.J.G. van den Boom, H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 februari 2026.