ECLI:NL:TAHVD:2026:41 Hof van Discipline 's Gravenhage 240314

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:41
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 09-02-2026
Zaaknummer(s): 240314
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Niet voldoen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: De zaak betreft een verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet. De Raad van Discipline heeft verweerder met onmiddellijke ingang geschorst omdat een ernstig vermoeden bestaat van een handelen of nalaten door verweerder waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig geschaad is of dreigt te worden geschaad en wel zodanig dat het doorlopen van een reguliere tuchtrechtprocedure niet kan worden afgewacht. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

Beslissing van 9 februari 2026
in de zaak 240314

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

deken

1    INLEIDING

1.1    De zaak betreft een verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft verweerder met onmiddellijke ingang geschorst omdat een ernstig vermoeden bestaat van een handelen of nalaten door verweerder waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig geschaad is of dreigt te worden geschaad en wel zodanig dat het doorlopen van een reguliere tuchtrechtprocedure niet kan worden afgewacht. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, het verzoek en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 24-700/AL/MN) op 14 oktober 2024 een beslissing genomen. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:246 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 24 oktober 2024 ontvangen door de griffie van het hof en de griffie heeft daar zowel op 31 oktober 2024, 7 november 2024 als op 12 november 2024 een aanvulling op ontvangen. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van de deken.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 12 december 2025. Daar zijn de deken en mr. H  tot bijstand van de deken verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Verweerder is op 1 mei 1996 beëdigd tot advocaat (en procureur) in het arrondissement Rotterdam. Sinds 30 januari 2023 houdt hij kantoor in het arrondissement Midden-Nederland. Verweerder heeft zich per 2 januari 2025 van het tableau laten uitschrijven.

3.3    Verweerder was ten tijde van het indienen van het verzoek door de deken 73 jaar oud en kampte het laatste jaar voor het verzoek met gezondheidsproblemen. 

3.4    Eind februari 2023 heeft de deken een signaal ontvangen van het gerechtshof Den Haag. Dit betrof de manier waarop verweerder overkwam tijdens de zitting aldaar, waarbij verweerder op onvaste wijze liep en moeilijk verstaanbaar was. 

3.5    Op 14 april 2023 heeft vanuit de orde een bezoek plaatsgevonden aan het kantoor van verweerder. Daarbij bleek dat verweerder geen vaste waarneming heeft, hij er meerdere derdengeldenrekeningen op na houdt en dat de website, de klachtenregeling, de algemene voorwaarden, de privacyverklaring en het kantoorboek niet of onvoldoende op orde zijn.

3.6    Per e-mail van 21 april 2023 is verweerder verzocht een lijst van lopende zaken aan te leveren. Aan de hand van de lijst zou vervolgens op zoek worden gegaan naar advocaten die deze zaken mogelijk van verweerder zouden kunnen overnemen. 

3.7    De gevraagde lijst heeft verweerder niet verstrekt. Wel heeft hij in een reactie van 22 mei 2023 verklaard dat hij ervan uitging dat hij eerst namen van de desbetreffende advocaten zou ontvangen. Verder heeft hij aangegeven er de voorkeur aan te geven de lopende zaken zelf af te ronden vanwege de gevoeligheden en in verband met zijn geheimhoudingsplicht. Tevens heeft hij aangegeven door gezondheidsproblemen slecht ter been te zijn. 

3.8    Per e-mail van 22 mei 2023 is een tweede kantoorbezoek aangekondigd omdat verweerder de verzochte lijst niet had aangeleverd. Dat bezoek heeft op 12 juni 2023 plaatsgevonden. Ter gelegenheid van dat bezoek heeft verweerder verklaard nog steeds slecht ter been te zijn en dat hij hoogstwaarschijnlijk geopereerd moet worden en dat het daarom voor hem een enorme klus is om de zaken uit de kast te halen en daar een overzicht van te maken. De medewerkers van het ordebureau hebben vervolgens voorgesteld dat zij de zaken uit de kast zouden halen om deze te bekijken, maar daar gaf verweerder geen toestemming voor. Ook gaf verweerder aan voorlopig nog te willen doorgaan met zijn advocatenpraktijk. Hierop is verweerder medegedeeld dat hij ingevolge artikel 45a lid 1 Advocatenwet en artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht niet kan weigeren aan het verzoek te voldoen. Ook is gewezen op gedragsregel 29 en het feit dat verweerder bij een dergelijk verzoek geen beroep kan doen op zijn geheimhoudingsplicht. Aan verweerder is een aantal namen verstrekt van advocaten/kantoren waarmee hij contact kon opnemen om de waarneming te regelen. Hem is een termijn verleend van één maand om dit te bewerkstelligen.

3.9    Bij brief van 15 juni 2023 heeft verweerder gereageerd naar aanleiding van het kantoorbezoek. Daarin heeft verweerder aangegeven dat er nooit een afspraak is gemaakt om een opgave te doen van zijn lopende dossiers en dat dossiers pas kunnen worden overgedragen als de betreffende cliënten daarvoor toestemming hebben verleend. Verweerder verzoekt de termijn waarbinnen hij zijn kantoororganisatie op orde moet brengen te verlengen met één tot twee maanden.

3.10     In een brief van 3 juli 2023 herhaalt verweerder dat zijn cliënten het niet toestaan om gegevens/stukken te verstrekken aan de deken.

3.11     Bij e-mailbericht van 18 juli 2023 wordt aan verweerder bericht dat de deken op 24 augustus 2023 een bezoek wil brengen aan zijn kantoor. Nadat verweerder reageert dat hij die dag verhinderd is en zegt meer tijd nodig te hebben, wordt aan verweerder voorgesteld het bezoek op 21 augustus 2023 te doen plaatsvinden. 

3.12     Bij brief van 17 augustus 2023 geeft verweerder aan te zijn begonnen met de opgedragen werkzaamheden, maar dat hij deze tijdelijk heeft moeten staken wegens gezondheidsredenen. Hij stelt voor het bezoek niet eerder te laten plaatsvinden dan in de derde week van 2024. 

3.13     In een e-mailbericht van 24 augustus 2023 bericht de deken verweerder tweemaal vergeefs telefonisch contact te hebben gezocht met hem. De deken verzoekt verweerder, gelet op diens fysieke toestand, de deken spoedig te informeren over de stand van zaken en geeft daarbij aan nog een bezoek te willen inplannen.

3.14     Bij brief van 29 augustus 2023 schrijft verweerder dat hij de doorgaande zittingen online bijwoont, waarbij hij zijn cliënten in rechte vertegenwoordigt. 

3.15     Bij brief van 13 oktober 2023 informeert de deken naar de gezondheidstoestand van verweerder en geeft daarbij aan een kantoorbezoek te willen inplannen vóór het einde van 2023. In een reactie daarop per brief van 17 oktober 2023 geeft verweerder aan fysiek nog niet in staat te zijn de deken op korte termijn te kunnen ontvangen.

3.16     Bij brief van 7 november 2023 bericht de deken verweerder dat er opnieuw een signaal over hem is ontvangen. Dit betreft een optreden van verweerder bij de Centrale Raad van Beroep op 11 oktober 2023. Het signaal komt erop neer dat verweerder moeizaam zou hebben gecommuniceerd ter zitting. De deken stelt voor om op 13 november 2023 een kantoorbezoek af te leggen. In een reactie per brief van 9 november 2023 betwist verweerder dat sprake was van een moeizame communicatie ter zitting. Verder geeft hij aan niet in staat te zijn binnenkort een afspraak met de deken te maken.

3.17     Op 11 december 2023 is aan verweerder een concept van een verzoekschrift op grond van artikel 60c Advocatenwet gezonden, met het verzoek daar op te reageren. Die reactie volgt bij brief van 28 december 2023.

3.18     Op 29 januari 2024 heeft een kantoorbezoek plaatsgevonden. Daarbij zijn met verweerder niet-vrijblijvende afspraken gemaakt: i) geen nieuwe zaken meer aannemen, ii) uitschrijven van het tableau vóór 1 januari 2025, iii) moeilijke en tijdrovende zaken overdragen aan een andere advocaat, en iv) de aangedragen verbeterpunten oppakken en die aan het Ordebureau sturen. Ook is verweerder medegedeeld dat zodra er nog een signaal wordt ontvangen, (andere) tuchtrechtelijke maatregelen jegens hem zullen worden getroffen.

3.19     Per e-mail van 11 maart 2024 is verweerder verzocht een aangepast model van de kantoorklachtregeling toe te zenden en de zoeksite van de NOvA aan te passen. Daar heeft verweerder niet aan voldaan. 

3.20     Per e-mail van 24 juni 2024 heeft de deken verweerder geïnformeerd dat er een nieuw signaal is ontvangen, wederom van de president van de Centrale Raad van Beroep. Dit betreft een zitting van 15 mei 2024 in een WIA-zaak. De deken heeft verweerder uitgenodigd voor een bespreking op het Ordebureau op 4 juli 2024. Op 26 juni 2024 heeft verweerder laten weten dat hij op 4 juli verhinderd is, maar dat hij op 11 juli 2024 wel beschikbaar is. Op 28 juni 2024 heeft de deken de afspraak van 11 juli 2024 bevestigd en aan verweerder het signaal van de Centrale Raad van Beroep kenbaar gemaakt dat luidt als volgt (op 5 juli 2024 is op diens verzoek de volledige tekst van het signaal aan verweerder toegezonden):

‘Onlangs kreeg ik opnieuw een zorgelijk signaal van een andere raadsheer naar aanleiding van een zitting bij de Centrale Raad van Beroep van 15 mei jongstleden. In deze zaak is inmiddels uitspraak gedaan. 
De desbetreffende raadsheer betwijfelt of [verweerder] nog voldoende scherp is om zijn vak verantwoord uit te oefenen. [Verweerder] leek namelijk de desbetreffende – op zichzelf niet complexe – WIA zaak niet helemaal te overzien. Hij leek vragen van de raadsheer niet te begrijpen en haalde bovendien verschillende besluiten door elkaar. Verder had hij verzuimd tegen een WIA beëindigingsbesluit bezwaar te maken, met als gevolg een onherroepelijke beëindiging van de WIA uitkering van zijn cliënt.’

3.21     Per e-mail van 9 juli 2024 schrijft verweerder het niet eens te zijn met het signaal en zegt hij de afspraak met de deken af. 

3.22     In een e-mail van 11 juli 2024 heeft de deken, in reactie op de e-mail van verweerder, aan verweerder medegedeeld dat verweerder de toezichthoudende taken van de deken ondermijnt, hem gewezen op gedragsregel 29 en hem geïnformeerd dat een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt ingediend, gevolgd door een dekenbezwaar. 

3.23     Op 2 augustus 2024 is het onderhavige verzoek door de deken aan verweerder toegezonden met het verzoek zijn zienswijze naar voren te brengen. Ook na een aan verweerder gegeven uitstel tot en met 2 september 2024 heeft verweerder de deken geen zienswijze toegezonden. 


4    HET VERZOEK

4.1    Het primaire verzoek van de deken houdt in om verweerder op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet met onmiddellijke ingang (voor onbepaalde tijd) te schorsen in de uitoefening van zijn praktijk, dan wel – subsidiair – op grond van artikel 60b Advocatenwet een voorlopige voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening van verweerder te treffen. Volgens de deken bezit verweerder kennelijk onvoldoende deskundigheid en beschikt hij niet meer over voldoende kennis en vaardigheden. Daarnaast zijn er grote zorgen over de organisatie van zijn kantoor en zijn weigering om daar inzicht in te verschaffen. Verweerder handelt niet conform gedragsregel 29 en de kernwaarde integriteit als bedoeld in artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet. Ook komt verweerder de niet vrijblijvende afspraken, zoals gemaakt tijdens het kantoorbezoek van 29 januari 2024, niet na. Verweerder handelt volgens de deken aldus in strijd met de normen van artikel 46 Advocatenwet, waardoor hij het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsuitoefening schaadt.


5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad deelt de zorgen van de deken en vindt het zorgwekkend dat er in relatief korte tijd drie verschillende signalen zijn binnengekomen bij de deken, waarbij uit een van de signalen blijkt dat een cliënt van verweerder ernstig is benadeeld. Daarnaast blijkt dat verweerder niet meewerkt aan de onderzoeken van de deken, terwijl hij daartoe wel gehouden is, en komt hij de met de deken gemaakte afspraken niet of onvoldoende na en stelt hij kantoorbezoeken uit of zegt deze af. Hiermee frustreert verweerder de toezichthoudende taak van de deken. Tot slot heeft verweerder geen verweer gevoerd, terwijl hij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad. 

5.2    Gelet op het voorgaande oordeelt de raad dat sprake is van een ernstig vermoeden van een handelen of nalaten door verweerder waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad en wel zodanig dat het doorlopen van een reguliere tuchtrechtprocedure niet kan worden afgewacht. De raad wijst daarom het primaire verzoek van de deken toe en komt derhalve niet toe aan beoordeling van het subsidiaire verzoek. 


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1    Verweerder stelt dat de deken een vertekend beeld heeft geschetst en prangende vragen van verweerder over ICT-tools niet heeft beantwoord en het verzoek ex artikel 60ab lid 1 Advocatenwet niet, althans onjuist en onvolledig heeft onderbouwd. Volgens verweerder beschikt hij niet over het verzoek van de deken van 20 september 2024, het procesdossier en het proces-verbaal van de zitting van 30 september 2024 van de raad en wordt hij daardoor in zijn belangen geschaad. Daarnaast had volgens verweerder de zitting van de raad in het openbaar moeten plaatsvinden, althans in ieder geval aanvangen, is de beïnvloeding van de president van de Centrale Raad van Beroep strijdig met de trias politica en dienen er prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te worden gesteld. Ook stelt verweerder dat hij niet heeft meegewerkt aan de overdracht van dossiers omdat hij vond dat de deken eerst namen moest noemen van advocaten die de deken op het oog had en daarbij heeft de deken niet willen begrijpen dat cliënten van hem er bezwaar tegen maakten dat hun vertrouwelijke gegevens in handen van de deken zouden komen. Tot slot is het standpunt van verweerder dat een andere deken aangesteld diende te worden om de tuchtrechtelijke klacht over verweerder te behandelen. 

Verweer deken 

6.2    De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De procedure van artikel 60ab Advocatenwet is bedoeld als spoedvoorziening. Toepassing van deze spoedvoorziening vereist dat een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten door een advocaat, waardoor enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad. Het moet daarbij blijkens de wetsgeschiedenis gaan om gevallen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig of in de kwaliteit van de advocatuur ernstig in gedrang is. Te denken valt aan de situatie dat een advocaat banden onderhoudt met criminele organisaties of misbruik maakt van zijn wettelijke privileges, maar ook aan het niet goed behartigen van de belangen van cliënten of het niet naleven van verordeningen of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De (dreigende) schending van de door artikel 46 beschermde belangen moet zodanig zijn dat deze onmiddellijk ingrijpen vergt. Dit houdt in dat de situatie zodanig is dat deze belangen onevenredig worden benadeeld wanneer pas later, na het doorlopen van de gewone tuchtprocedure (en eventueel hoger beroep bij het hof van discipline), de betrokken advocaat onherroepelijk tuchtrechtelijk wordt veroordeeld en tegen hem maatregelen of voorzieningen worden getroffen. De situatie moet dus om direct ingrijpen vragen. Bij de behandeling in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris in de nadere memorie daarover opgemerkt: “De nieuwe voorziening is uitsluitend bedoeld voor zeer uitzonderlijke gevallen, waarin sprake is van een zodanig ernstig vermoeden van een ernstige misdraging, dat het treffen van maatregelen niet kan worden afgewacht”.

Het hof beoordeelt het verzoek en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.

Overwegingen hof

7.2    Op basis van het onderzoek in hoger beroep en hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling van het verzoek te komen dan de raad. Het hof sluit zich dan ook aan bij de overwegingen van de raad onder 5.2, 5.3 en 5.5 en neemt die over. Verweerder heeft zich inmiddels van het tableau laten uitschrijven. Daarmee is het belang aan deze zaak niet ontvallen, omdat de rechtmatigheid van de door de raad opgelegde schorsing in hoger beroep moet worden beoordeeld.

Slotsom

7.3    Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 14 oktober 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-700/AL/MN. 


Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima, M.S.A. van Dam, J.H. Brouwer en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 9 februari 2026.