ECLI:NL:TAHVD:2026:39 Hof van Discipline 's Gravenhage 250063 250064 250065
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:39 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-02-2026 |
| Datum publicatie: | 06-02-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft klachten ingediend tegen zijn voormalig advocaten, die klager hebben bijgestaan in (onder andere) een procedure tegen de voormalig zakenpartner van klager. De raad heeft de klachten niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 46g, eerste lid en onder a van de Advocatenwet. Het hof onderschrijft dit oordeel van de raad; het tijdsverloop tussen de dag waarop klager redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het volgens hem verwijtbaar handelen van verweerders en het indienen van de klacht bedraagt meer dan drie jaar, waardoor het recht van klager om een klacht in te dienen is komen te vervallen. |
Beslissing van 6 februari 2026
in de zaken 250063, 250064 en 250065
naar aanleiding van het hoger beroep van:
[klagers]
tezamen aan te duiden als: klager
gemachtigden: mr. M.W.J. Ariëns en mr. S.G.H. Nieuwendijk, advocaten te Haarlem
tegen:
in de zaak met zaaknummer 250063:
verweerder 1
gemachtigden: mr. M.A. van der Pool en mr. J.L. Stolk, advocaten te Amsterdam
in de zaak met zaaknummer 250064:
verweerder 2
gemachtigde: mr. J. Mencke
in de zaak met zaaknummer 250065:
verweerster 3
gemachtigde: mr. N.A. de Leon-van den Berg
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft klachten ingediend tegen zijn voormalig advocaten, die klager hebben bijgestaan in (onder andere) een procedure tegen de voormalig zakenpartner van klager. De raad heeft de klachten niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 46g, eerste lid en onder a van de Advocatenwet. Het hof onderschrijft dit oordeel van de raad; het tijdsverloop tussen de dag waarop klager redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het volgens hem verwijtbaar handelen van verweerders en het indienen van de klacht bedraagt meer dan drie jaar, waardoor het recht van klager om een klacht in te dienen is komen te vervallen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerders (zaaknummers: 24-572/DB/OB, 24-573/DB/OB en 24-574/DB/OB) een beslissing gewezen op 20 januari 2025. In deze beslissing zijn de klachten van klager tegen verweerders niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:8 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 18 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
In de zaak met zaaknummer 250063:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder 1.
In de zaak met zaaknummer 250064:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder 2.
In de zaak met zaaknummer 250065:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster 3.
2.5 Het hof heeft de zaken mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
8 december 2025. Daar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigden, verweerder
1, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Van der Pool, en verweerders 2 en 3, bijgestaan
door hun gemachtigden. De gemachtigden hebben het standpunt van klager respectievelijk
verweerders toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken
van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager had een geschil met W, zijn voormalige advocaat, en heeft een geschil met O c.s. (hierna in enkelvoud: O), zijn voormalige zakenpartner/investeerder.
3.3 Klager werd sinds 13 maart 2018 bijgestaan door het kantoor van verweerders. Verweerder 1 heeft het eerste contact onderhouden met klager. Verweerster 3 werd in de correspondentie in de cc meegenomen, omdat zij de zaak inhoudelijk zou gaan behandelen. Uiteindelijk is verweerder 2 door verweerder 1 bij de zaak betrokken voor de inhoudelijke behandeling.
3.4 Verweerder 1 en verweerder 2 hebben samen de eerste overleggen gevoerd met klager, een strategie bepaald en financiële afspraken gemaakt. De strategie is door verweerder 1 en verweerder 2 niet schriftelijk vastgelegd. Er is geen (uitgebreide)opdrachtbevestiging verstuurd.
3.5 Op 2 mei 2018 schreef verweerder 1 aan verweerder 2, met klager in de cc:
“Vraag aan jou: moeten wij niet al op enige wijze een claim indienen bij W (of aankondigen)? Ik wil voorkomen dat we rechten verspelen. Ik vind het ook zonde om eerst geld aan hen te betalen en het vervolgens weer terug te moeten halen. Ik zou het liefst nu al actie ondernemen, tenzij het de overall strategie (waarvan ook de mogelijke claim tegen [O] deel uitmaakt) zou schaden. (…)”
3.6 Diezelfde dag reageerde verweerder 2 aan verweerder 1, met klager in de cc:
“De verjaringstermijn van vijf jaar is nog niet verstreken, maar er kan altijd discussie
ontstaan over de klachtplicht. Nu onze conclusie luidt dat [W] een kapitale fout heeft
gemaakt en dit ook aan [klager] is kenbaar gemaakt, lijkt me goed om [W] Advocaten
en Notarissen Coöperatie U.A., de verantwoordelijk advocaat [naam] en de verantwoordelijk
notaris [naam] hoofdelijk aansprakelijk te stellen (…).
Op basis van de beschikbare stukken zie ik niet in hoe een aansprakelijkstelling
aan [W] en de betrokken medewerkers verdere acties jegens [O] zouden schaden. De feiten
liggen er immers al en die laten zich moeilijk veranderen.”
3.7 Klager heeft W in een e-mail van 3 mei 2018 aansprakelijk gesteld. Naar aanleiding van de reactie van W op deze aansprakelijkstelling heeft klager op 15 mei 2018 aan W geschreven:
“Uit uw reactie blijkt dat voor u voldoende duidelijk is op welke werkzaamheden en welke periode de aansprakelijkstelling zoals vervat in mijn emailbericht van 3 mei jl. betrekking heeft. Voornoemde aansprakelijkstelling heeft als voornaamste doel om de verjaringstermijn te stuiten. (…)”
3.8 Op 5 november 2018 schreef verweerder 2 aan klager:
“Zoals als ik vorige week al aangaf, heb ik een kantoorgenoot nog gevraagd om feedback op de dagvaarding. Zij vindt dat het gedeelte ten aanzien van de feiten (als gevolg van de vele relevante feiten en omstandigheden) wat zwaar wegleest. Ik heb besloten om de leesbaarheid van dat gedeelte te versimpelen. (…)”
Ter zitting van de raad is komen vast te staan dat deze kantoorgenoot verweerster 3 is.
3.9 Op 4 maart 2020 is O namens klager aansprakelijk gesteld. De inhoudelijke behandeling van de zaak tegen O is door verweerster 3 verricht.
3.10 Op 3 april 2020 zijn financiële afspraken gemaakt voor de procedure tegen O. Er is geen (uitgebreide) opdrachtbevestiging verstuurd.
3.11 Op 16 april 2020 is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen tussen klager en W voor een bedrag van € 175.000,-.
3.12 Op 10 en 13 juli 2020 is namens klager conservatoir (derden)beslag gelegd ten laste van O. Op 13 juli 2020 schreef verweerster 3 aan klager:
“Mocht jij in de procedure onverhoopt in het ongelijk worden gesteld, kunnen [O] en/of [GI B.V.]. jegens de beslagleggers aanspraak maken op vergoeding van schade die het gevolg is van het beslag. De beslagleggers zijn namelijk aansprakelijk voor die schade (…)”
3.13 Op 20 juli 2020 heeft een telefonische bespreking plaatsgevonden tussen klager en verweerster 3. Naar aanleiding van dit gesprek schreef verweerster 3 diezelfde dag aan klager:
“Jij gaf al aan dat het verjaringsleerstuk een rol speelt en vroeg mij of wij daar in de dagvaarding al op moeten ingaan. Ik stel voor dat niet te doen. Hoewel ik ervan uitga dat de wederpartij inderdaad het verweer zal voeren dat de vorderingen zijn verjaard, weten we dat niet 100% zeker. Ik wil ze derhalve liever niet op ideeën brengen. Bovendien zal de rechtbank niet ambtshalve toetsen of de vorderingen zijn verjaard.”
3.14 Op 21 juli 2020 schreef klager aan verweerster 3:
“fijn dat jij belangrijke punten van ons gesprek hebt opgenoemd.
(…)
Het doorhalen van het hele beslag is voor mij overigens geen optie. In tegendeel,
mijn strategie was en is nog steeds om met maximale druk [O] te dwingen om een schikking
te treffen.”
3.15 Op 22 juli 2020 heeft verweerster 3 een conceptdagvaarding voorgelegd aan klager. In haar aanbiedingse-mail schreef verweerster 3:
“(…) Tot slot heb ik de grondslag van de vorderingen (…) geherformuleerd omdat dit, naar mijn mening, het risico verkleint dat [O] c.s. een geslaagd beroep doet op verjaring. (…)”
3.16 Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 5 januari 2021 zijn de beslagen jegens O opgeheven. Uit het vonnis volgt onder andere:
“4.2. Het meest verstrekkende verweer van [O] tegen de vorderingen zoals die in de bodemprocedure zijn ingesteld, is dat die vorderingen zijn verjaard. Het is uiteindelijk aan de bodemrechter om hierover een oordeel te geven. Gelet echter op de producties die in dit kort geding zijn ingebracht en op hetgeen ter zitting is besproken, is voorshands aannemelijk dat het verjaringsverweer van [O] in de bodemprocedure kans van slagen heeft. Er zijn meer dan vijf jaar verstreken tussen de gebeurtenissen in 2014 en de brief van 4 maart 2020 (zie 2.10). Uit de producties kan niet worden afgeleid dat [klager] in die periode enige actie heeft ondernomen om de ‘herstructurering’ ongedaan te maken en/of om [onderneming] of haar bestuurders aan te spreken op het verlies aan inkomsten of op andere schadeposten. Van stuiting van de verjaringstermijn is voorshands dan ook niet gebleken. [Verweerster 3] heeft ter zitting wel verklaard dat [klager] zou beschikken over WhatsApp-berichten waaruit zou blijken dat hij [O] in de bewuste periode heeft aangesproken op de gemaakte afspraken, maar volgens haar was het “te laat” om die berichten nog als productie in dit kort geding in te brengen. Dat moet zij dan maar doen in de bodemprocedure, maar thans kan niet worden vooruitgelopen op berichten die de voorzieningenrechter niet kent.”
3.17 Op 10 januari 2021 schreef verweerster 3:
“Kort gezegd oordeelt de voorzieningenrechter dat de vorderingen tegen [O] zijn verjaard
omdat er meer dan 5 jaren zijn verstreken tussen de gebeurtenissen in 2014 en de brief
van 4 maart 2020. In beginsel is dit juist voor de vorderingen van [klager]. Dit geldt
niet voor de vordering van [klaagster 3], aangezien die voortvloeit uit de verwatering
die pas in 2016 heeft plaatsgevonden en waarvan jij in 2020 op de hoogte bent geraakt.
Nadien zijn beslist geen 5 jaren verstreken. Ter zitting is expliciet kenbaar gemaakt
dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de afzonderlijke vorderingen. In het
vonnis rept de voorzieningenrechter echter niet over de vordering van [klaagster 3].
Hoewel ik mij, gelet hierop, niet kan vinden in het oordeel van de voorzieningenrechter,
acht ik het weinig zinvol om daartegen in appel te komen. (…)
Ook in de bodemprocedure zal het verjaringsverweer van [O] en de vraag of (tijdig)
is gestuit een discussiepunt zijn. Daar valt weinig tegenin te brengen voor wat betreft
de vorderingen van [klager]. Voor wat betreft de vordering van [klaagster 3] zijn
er goede gronden te betogen dat van verjaring geen sprake is. Zekerheidshalve zullen
wij het onderscheid tussen de vorderingen in de bodemprocedure dan ook nog sterker
naar voren brengen.”
3.18 Bij vonnis van 8 september 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat de vorderingen van klager op O, op één vordering na, per medio juli 2019 verjaard waren.
3.19 Op 2 december 2021 heeft verweerder 2 negatief geadviseerd over het instellen van hoger beroep ten aanzien van de verjaard verklaarde vorderingen:
“(…) Reeds voor de start van de procedure hebben wij het risico waarin dit verjaringsverweer zijdens [O] c.s. besproken. In het licht van de beslissing van de rechtbank waarin dit verjaringsverweer zijdens [O] c.s. is gehonoreerd, alsmede de onderbouwing van dat oordeel, achten wij de kans groot dat het verjaringsverweer ook in hoger beroep in stand blijft. Consequentie daarvan is dat toewijzing van de hiervoor genoemde vorderingen in hoger beroep weinig kansrijk is. (…)”
3.20 In een e-mail van 11 juni 2023 aan verweerder 1 heeft klager gesteld dat verweerders beroepsfouten hebben gemaakt, als gevolg waarvan klager schade heeft geleden. Op 2 juli 2023 heeft verweerder 1 daarop gereageerd. Op 4 juli 2023 is betwist dat sprake is beroepsfouten en is aansprakelijkheid door verweerders van de hand gewezen.
3.21 Op 28 augustus 2023 heeft klager klachten bij de dekens in Amsterdam en Oost-Brabant over verweerders ingediend.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerders het volgende.
a) Verweerders hebben de verjaring van klagers’ vorderingen op O niet tijdig gestuit en hebben klager niet gewaarschuwd voor de mogelijkheid van verjaring van deze vorderingen (en de risico’s en rechtsgevolgen verbonden aan het achterwege laten van de stuiting);
b) Verweerders hebben klager bij het opstarten van de procedure in eerste aanleg tegen O en GI B.V. in 2020 niet gewaarschuwd dat deze vorderingen reeds waren verjaard en hebben klager niet ontraden deze vorderingen in te stellen, althans specifiek te wijzen op de risico’s en kosten van het instellen daarvan;
c) Verweerders hebben klager na het vonnis van 5 januari 2021, dan wel na het vonnis van 8 september 2021 niet geïnformeerd over de gemaakte beroepsfouten, althans hebben niet adequaat gereageerd nadat klager hen daarop heeft gewezen;
d) Verweerders hebben nagelaten om, ter vermijding van onduidelijkheid, belangrijke informatie over de rechtspositie van klager en afspraken vast te leggen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft eerst geoordeeld over het meest verstrekkende verweer van verweerders, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de klacht omdat de vervaltermijn van drie jaar uit artikel 46g, eerste lid en onder a, van de Advocatenwet zou zijn verlopen.
5.2 Verweerders hebben erop gewezen dat klager voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding op 24 juli 2020 ervan op de hoogte was dat de vorderingen op O niet tijdig waren gestuit en dus reeds waren verjaard. Verweerders hebben in dat kader betoogd dat zij klager er in 2018 al op hebben gewezen dat de vorderingen tegen O zouden verjaren. Dit advies hebben verweerders echter niet schriftelijk vastgelegd. Op basis van gedragsregel 16 lag het wel op de weg van verweerders om dat dat te doen. Het ontbreken van deze schriftelijke vastlegging komt naar het oordeel van de raad dan ook voor risico van verweerders, zodat de raad niet ervan kan uitgaan dat de vervaltermijn al in 2018 is gaan lopen.
5.3 Uit de e-mail van verweerster 3 van 20 juli 2020 volgt echter dat klager er op dat moment naar objectieve maatstaven mee bekend was dat zijn vorderingen op O waren verjaard. Uit die e-mail volgt namelijk dat klager uit eigen initiatief vragen heeft gesteld over het verjaringsleerstuk, waarop verweerster 3 heeft geantwoord dat zij daarover in de dagvaarding niet al iets moet opmerken omdat dit niet ambtshalve wordt getoetst en er een kleine kans is dat O geen verjaringsverweer zal voeren. Klager was er vanaf dat moment dus mee bekend dat is nagelaten om te voorkomen dat de vorderingen zouden verjaren. De raad heeft daarbij in het midden gelaten of die nalatigheid al dan niet bewust is geweest omdat, zoals verweerders stellen, klager vreesde voor een tegenreactie vanuit O.
5.4 Het voorgaande betekent naar het oordeel van de raad dat de driejaarstermijn is gaan lopen op 20 juli 2020. Dat geldt voor alle klachtonderdelen, omdat zij alle in de kern zijn terug te voeren op de verjaring van de vorderingen op O. Omdat klager zijn klachten heeft ingediend op 28 augustus 2023, betekent dit dat deze klachten buiten de vervaltermijn van artikel 46g lid 1 van de Advocatenwet zijn ingediend. Ook het tweede lid van artikel 46g van de Advocatenwet biedt klager geen uitkomst. Zoals door verweerders terecht wordt gesteld, was klager door en met het vonnis van 8 september 2021 bekend met de gevolgen van het nalaten de verjaring van de vorderingen op O tijdig te stuiten. Toen was hem duidelijk dat zijn vorderingen op O vanwege de verjaring daarvan niet toewijsbaar waren.
5.5 De raad heeft de klachten van klager niet-ontvankelijk verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager stelt dat hij in theorie bij het vonnis van 5 januari 2021 voor het
eerst ermee bekend kon raken dat was nagelaten een stuitingshandeling uit te brengen.
De bewoordingen “Van stuiting van de verjaringstermijn is voorshands dan ook niet
gebleken” waren volgens klager echter nog wat omfloerst, zodat voor klager op dat
moment nog niet duidelijk was dat verweerders hadden nagelaten een stuitingshandeling
uit te brengen en evenmin wat de rechtsgevolgen daarvan waren geweest. Pas met het
vonnis van de bodemrechter van 8 september 2021 kon hij objectief bekend zijn met
het feit dat door verweerders was nagelaten een stuitingshandeling uit te brengen.
Daadwerkelijke bekendheid volgde pas nadat klager in hoger beroep was gegaan tegen
het vonnis van 8 september 2021 en van het gerechtshof een bewijsopdracht had gekregen
om de omvang van zijn schade te onderbouwen. Zijn financieel adviseur heeft hem toen
- in de periode maart 2023 tot mei 2023 - aan de hand van het vonnis van 8 september
2021 erop gewezen dat verweerders hebben nagelaten een stuitingshandeling uit te brengen.
6.2 Volgens klager hebben verweerders de mogelijkheid om de vorderingen ten aanzien
van O te stuiten erkend en hebben zij ook erkend dat het op hun weg lag stuiting te
bespreken en een stuitingshandeling uit te brengen. Klager betwist dat verweerders
met hem zouden hebben gesproken over stuiting en de keuze om geen stuitingshandeling
uit te brengen. Dat het op de weg van verweerders lag stuiting te bespreken en schriftelijk
vast te leggen, is niet in geschil.
6.3 In de beslissing van de raad zijn de afzonderlijke klachten naar de mening van klager ten onrechte als één klacht behandeld en gereduceerd tot de vraag of er ooit over verjaring is gesproken. Volgens klager is dit te kort door de bocht. Het gaat erom dat verweerders niet gestuit hebben en dat schriftelijke vastlegging dat hierover gesproken is ontbreekt. Nadat de vorderingen reeds waren verjaard is weliswaar in zijn algemeenheid gesproken over mogelijke verjaring, maar daaruit volgt niet dat gesproken is over stuiting waarmee de verjaring voorkomen had kunnen worden. Dat is volgens klager nooit met hem besproken.
6.4 Dat verweerders hebben nagelaten een stuitingshandeling uit te brengen, kon klager op zijn vroegst pas bekend zijn na de vonnissen van 5 januari 2021 en 8 september 2021. De klacht van klager dat niet is gestuit en dat verweerders niet hebben gewaarschuwd voor de risico’s van het achterwege laten van stuiting is echter door de raad in het geheel niet beoordeeld.
6.5 De tweede klacht van klager ziet erop dat verweerders hem bij het opstarten van de procedure in 2020 niet hebben gewaarschuwd dat de vorderingen waren verjaard en hem niet hebben ontraden deze vorderingen in te stellen. Uit de e-mail van 20 juli 2020 blijkt naar de mening van klager niet dat hij op de hoogte was van de verjaring. Verweerster 3 laat in deze e-mail nadrukkelijk in het midden of de vorderingen verjaard zijn. Verweerders hebben klager voorafgaand aan het leggen van conservatoir beslag niet gewezen op het feit dat de vorderingen verjaard waren. In de e-mail van 13 juli 2020 maakt verweerster 3 bewust geen melding van het feit dat als gevolg van het ontbreken van een stuitingshandeling de vorderingen daadwerkelijk waren verjaard. Pas bij de vonnissen van 5 januari 2021 en 8 september 2021 kon klager in theorie op de hoogte zijn van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de tweede tuchtklacht.
6.6 Ten aanzien van de derde tuchtklacht geldt naar de mening van klager dat deze voortborduurt op de eerste en tweede tuchtklacht en daarom ook ontvankelijk is. Ook de vierde klacht is volgens klager ontvankelijk. Dat verweerders zaken niet goed hebben vastgelegd is klager pas gebleken nadat hij hen eind mei 2023/begin juni 2023 aansprak.
Verweer verweerders
6.7 Verweerders voeren aan dat de klacht van klager in de kern gaat om de vraag of klager schriftelijk is gewezen op de verjaring van de vorderingen op O. Verweerder 1 en 2 hebben bij aanvang van de door hen aangenomen zaak gewezen op het risico van verjaring. Daarbij hebben zij weliswaar verzuimd schriftelijk aan klager te bevestigen dat het risico bestond dat (een deel van) de vorderingen op O zou(den) verjaren, maar was het klager, die desondanks welbewust de verjaring niet wenste te stuiten. Verweerder 1 en 2 hebben zich voor het niet schriftelijk vastleggen verontschuldigd en hebben hieruit lering getrokken. Voor verweerders staat echter vast dat zij mondeling met klager hebben gesproken over verjaring en stuiting van de vorderingen op O. Klager heeft daarbij een weloverwogen keuze gemaakt om geen stuitingshandeling te verrichten.
6.8 Daarmee ontbreekt naar de mening van verweerders een inhoudelijke grond voor de overige klachtonderdelen, omdat bij aanvang van de procedure tegen O in 2020 de strategie en risico’s speelden die al eerder (vanaf 2018) uitvoerig besproken waren.
6.9 Volgens verweerders was klager er uiterlijk op 20 juli 2020 naar objectieve maatstaven mee bekend dat enkele van de vorderingen op O waren verjaard, zodat op dat moment de driejaarstermijn voor de daarmee verband houdende tuchtklachten is gaan lopen. Klager wist op dat moment, althans had objectief bekend moeten zijn met het feit:
i. dat tot 4 maart 2020 conform afspraak geen poging was ondernomen om te voorkomen dat een gedeelte van de vorderingen op O zou verjaren; en
ii. dat O voor een gedeelte van de vorderingen een succesvol beroep op verjaring zou kunnen doen.
6.10 Omdat klager wist dat de vorderingen waren verjaard, wist hij (uiterlijk) op datzelfde moment ook dat de verjaring van de vorderingen op O niet was gestuit. Klager meent dat met het bespreken van de verjaring nog niet de daarbij horende (ontbrekende) stuiting is besproken. De juistheid van dat standpunt volgt volgens verweerders niet uit de feiten. Klager was bekend met het begrip ‘stuiting’ en legde zelf de connectie met verjaring. Klager wist dat de verjaring van een vordering met een stuitingshandeling kon worden voorkomen. Uit de correspondentie met klager blijkt bovendien dat klager een duidelijke visie had op de strategie en zich verdiepte in de juridische materie, waaronder het verjarings- en stuitingsleerstuk. Zelfs als klager het gebrek aan stuiting niet zou kennen, neemt dat niet weg dat hij in ieder geval op 20 juli 2020 wist dat het verjaren van een gedeelte van de vorderingen niet was voorkomen. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling in de bodemprocedure bovendien verklaard dat het niet stuiten van zijn vorderingen op O in de periode voor 4 maart 2020 een bewuste keuze was.
6.11 Ten aanzien van klachtonderdeel b) geldt volgens verweerders verder nog dat klager ten onrechte de indruk wekt alsof alle vorderingen jegens O al in 2020 waren verjaard. Verweerster 3 heeft voor aanvang van de bodemprocedure met klager besproken dat O een beroep zou moeten doen op verjaring en er geen ambtshalve toetsing door de rechter plaats zou vinden. Ondanks de risico’s is besloten de procedure tegen O op te starten, omdat op de verjaring eerst nog een beroep moest worden gedaan, een deel van de vorderingen niet verjaard was en de procedure met name bedoeld was om druk te zetten en een schikking tot stand te brengen. Verweerders betwisten dan ook dat verweerster 3 klager op het verkeerde been heeft gezet betreffende de verjaring en het risico op aansprakelijkheid uit hoofde van de conservatoire beslagen.
6.12 Omdat het derde klachtonderdeel geen zelfstandige klacht inhoudt over gedragingen in 2023, geldt ook hier dat de verjaringstermijn is verstreken. De klacht vloeit volgens verweerders namelijk voort uit het door klager verweten nalaten om de vorderingen te stuiten.
6.13 Ten aanzien van klachtonderdeel d) merken verweerders op dat het feit dat klager pas eind mei 2023/begin juni 2023 zou hebben gezien dat het advies uit 2028 nooit schriftelijk is vastgelegd, niet maakt dat de klachttermijn dan pas is gaan lopen. Het betreffen geen nieuwe gedragingen, maar zijn gedragingen waarmee klager al in juli 2020 bekend was.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid
7.1 Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.
7.2 Het hof is van oordeel dat de vervaltermijn van drie jaar is overschreden, zodat klager niet ontvankelijk is in zijn klachten tegen verweerders. Het hof licht dit oordeel hierna toe.
7.3 Klager verwijt verweerders met klachtonderdeel a) dat verweerders de verjaring van klagers vorderingen op O niet tijdig hebben gestuit en dat zij klager niet hebben gewaarschuwd voor de mogelijkheid van verjaring van deze vorderingen. Met de raad is het hof van oordeel dat uit de e-mail van verweerster 3 aan klager van 20 juli 2020 volgt dat klager vanaf dat moment naar objectieve maatstaven ermee bekend was dat verweerders hadden nagelaten te voorkomen dat de vorderingen zouden verjaren. Niet in geschil is dat verweerster 3 en klager voorafgaand aan deze e-mail op 20 juli 2020 een telefonische bespreking hebben gehad, waarbij verweerster 3 onweersproken heeft verklaard dat dit gesprek anderhalf uur geduurd heeft. Naar aanleiding van deze bespreking heeft verweerster 3 klager diezelfde dag geschreven: “Jij gaf al aan dat het verjaringsleerstuk een rol speelt en vroeg mij of wij daar in de dagvaarding al op moeten ingaan. Ik stel voor dat niet te doen. Hoewel ik ervan uitga dat de wederpartij inderdaad het verweer zal voeren dat de vorderingen zijn verjaard, weten we dat niet 100% zeker. Ik wil ze derhalve niet op ideeën brengen. Bovendien zal de rechtbank niet ambtshalve toetsen of de vorderingen zijn verjaard.” Uit deze e-mail volgt dat klager tijdens de bespreking vragen heeft gesteld over het verjaringsleerstuk en dat verweerster 3 vervolgens heeft voorgesteld daarop in de dagvaarding nog niet in te gaan, omdat onzeker was of de wederpartij een beroep zou doen op verjaring. Anders dan klager leest het hof in deze e-mail niet dat onzeker is óf de vorderingen verjaard zijn, maar wijst verweerster 3 klager alleen erop dat onzeker is of een beroep op verjaring zal worden gedaan, terwijl de rechter de verjaring niet ambtshalve toetst. In die zin was op het moment van het schrijven van de e-mail nog niet zeker of de vorderingen wegens verjaring zouden worden afgewezen, maar was wel duidelijk dat de verjaringstermijn met betrekking tot de vorderingen verlopen was. Klager heeft op 21 juli 2020 op de e-mail van verweerster 3 gereageerd met de opmerking: “fijn dat jij belangrijke punten van ons gesprek hebt opgenoemd.”. Uit niets blijkt dat klager nadien nog vragen heeft gesteld over de verjaring van de vorderingen, hetgeen wel voor de hand had gelegen indien het klager op dat moment niet duidelijk zou zijn geweest of de vorderingen al dan niet verjaard waren. Ook heeft klager geen op- of aanmerkingen gemaakt op de vastlegging van het telefoongesprek op 20 juli 2020, hetgeen eveneens voor de hand had gelegen, indien in deze vastlegging iets was opgenomen, dat volgens klager niet juist was.
7.4 Het hof concludeert dan ook dat klager er op 20 juli 2020 mee bekend was dat O voor een gedeelte van de vorderingen een geslaagd beroep op verjaring zou kunnen doen en dus dat door verweerders was nagelaten door middel van een stuitingshandeling te voorkomen dat de vorderingen zouden verjaren. Dat klager ook daadwerkelijk wist dat de verjaring van een vordering door middel van stuiting kon worden voorkomen blijkt wel uit het feit dat klager in de procedure tegen W zelf een stuitingshandeling heeft uitgebracht. Op 15 mei 2018 schreef klager immers aan W: “Voornoemde aansprakelijkstelling heeft als voornaamste doel om de verjaringstermijn te stuiten.” Dat klager niet bekend zou zijn geweest met de inhoud van deze e-mail en slechts een door verweerder 2 opgestelde tekst heeft doorgestuurd, zoals klager ter zitting heeft meegedeeld, acht het hof niet geloofwaardig. Klachtonderdeel a) is dan ook te laat ingediend en dus niet-ontvankelijk.
7.5 In klachtonderdeel b) verwijt klager verweerders dat zij hem bij het opstarten van de procedure in eerste aanleg niet hebben gewaarschuwd dat de vorderingen verjaard waren en hem niet hebben ontraden deze vorderingen in te stellen. Omdat uit het voorgaande volgt dat klager uiterlijk op 20 juli 2020 ermee bekend was dat de vorderingen tegen O verjaard waren, dient ervan uitgegaan te worden dat hem op dat moment eveneens bekend was dat verweerders hem niet voor de verjaring hebben gewaarschuwd en hem niet hebben ontraden om ondanks de verjaring deze vorderingen in te stellen. Daarmee geldt ook voor klachtonderdeel b) dat de driejaarstermijn is aangevangen op 20 juli 2020 en dat dit klachtonderdeel daarmee te laat is ingediend.
7.6 Ook in klachtonderdeel c) kan klager niet worden ontvangen. Dit klachtonderdeel heeft, zoals klager zelf ook schrijft, naast klachtonderdeel a) en b) geen zelfstandige betekenis. De klacht vloeit voort uit het door klager verweten nalaten van verweerders om de verjaring van de vorderingen te stuiten. Uit het voorgaande volgt dat dat nalaten klager bekend was op (uiterlijk) 20 juli 2020. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe gedraging of nalaten ten aanzien waarvan een nieuwe klachttermijn is gaan lopen.
7.7 Ten aanzien van klachtonderdeel d) geldt dat uit het voorgaande volgt dat klager op 20 juli 2020 ermee bekend was dat verweerders hadden nagelaten te voorkomen dat de vorderingen zouden verjaren. Dat verweerders de informatie over de rechtspositie van klager niet schriftelijk hebben vastgelegd betreft een nalaten van daarvoor, waarmee klager uiterlijk op 20 juli 2020 redelijkerwijs bekend moet worden geacht.
Slotsom
7.8 De conclusie is dat de vervaltermijn van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet ten aanzien van alle klachtonderdelen op zijn laatst is gaan lopen vanaf 20 juli 2020, zodat deze vervaltermijn was verstreken op het moment dat de klacht werd ingediend. Met de raad is het hof dan ook van oordeel dat de klacht van klager in al haar onderdelen niet-ontvankelijk is.
7.9 Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen. Aan een inhoudelijke behandeling van de klachten komt het hof niet toe.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummers 24-572/DB/OB, 24-573/DB/OB en 24-574/DB/OB.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs.
A.R. Sturhoofd en mr. J.E. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 februari 2026.