ECLI:NL:TAHVD:2026:38 Hof van Discipline 's Gravenhage 250085

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:38
Datum uitspraak: 06-02-2026
Datum publicatie: 06-02-2026
Zaaknummer(s): 250085
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Verweerster heeft klager en de (voormalige) onderneming van klaagster bijgestaan in een strafrechtelijke procedure. Klager verwijt verweerster dat zij zowel voor hem als voor de onderneming heeft opgetreden, terwijl sprake was van een tegengesteld belang. Verder verwijt klager verweerster dat zij zijn zaak niet zorgvuldig heeft behandeld. Het hof is met de raad van oordeel dat in dit geval van een tegenstrijdig belang geen sprake is geweest en dat verweerster niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De klachten zijn daarom terecht ongegrond verklaard.  

Beslissing van 6 februari 2026
in de zaak 250085

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

gemachtigde: mr. M.L.F.J. Schyns, advocaat te Utrecht 

tegen:

verweerster

gemachtigde: mr. M.C.J. Höfelt, advocaat te Amsterdam

1    INLEIDING

1.1    Verweerster heeft klager en de (voormalige) onderneming van klaagster bijgestaan in een strafrechtelijke procedure. Klager verwijt verweerster dat zij zowel voor hem als voor de onderneming heeft opgetreden, terwijl sprake was van een tegengesteld belang. Verder verwijt klager verweerster dat zij zijn zaak niet zorgvuldig heeft behandeld. Het hof is met de raad van oordeel dat in dit geval van een tegenstrijdig belang geen sprake is geweest en dat verweerster niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De klachten zijn daarom terecht ongegrond verklaard.  

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-359/AL/MN) een beslissing gegeven op 10 februari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder nummer ECLI:NL:TADRARL:2025:43 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 6 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerster;
-    de brief van de gemachtigde van klager van 27 november 2025 met bijlagen.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 8 december 2025. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Verweerster heeft klager van medio 2016 tot en met februari 2022 bijgestaan in een strafrechtelijk onderzoek en vervolgens in de strafrechtelijke procedure. In eerste instantie werd de onderneming van klager, maar vervolgens ook klager zelf, ervan verdacht dat zij het gevaar wegens het werken met chroom VI-houdende producten voor medewerkers van de onderneming onvoldoende hebben beperkt. Klager werd als feitelijke leidinggevende verweten onvoldoende te hebben ingegrepen.

3.3    Op 14 september 2016 heeft verweerster de opdracht bevestigd aan klager. In de opdrachtbevestiging staat, voor zover van belang:

Bezie ik u standpunt dan lopen uw belangen bij een goede verdediging in een strafrechtelijke procedure en die van [de onderneming] gelijk op. Met de aanstelling van deze managers hebben [de onderneming] en u maatregelen willen treffen om onder meer in veilige werkomstandigheden te voorzien. [De onderneming] en u hebben er daarmee blijk van gegeven dat u de zorgen over de bedrijfsvoering en het personeel serieus nam. Voor zover zich bij [de onderneming] al strafbare feiten zouden hebben voorgedaan kan uit de aanstelling van de Operational Managers dan ook blijken dat zowel [de onderneming] als u deze vermeende strafbare feiten niet hebben aanvaard en u daaraan geen leiding heeft gegeven.

3.4    Op 3 juli 2019 schreef verweerster aan klager:

In de verwijten die u en [de onderneming] door het Openbaar Ministerie worden gemaakt, staan - zoals wij onlangs hebben besproken - een aantal elementen centraal. 
(…)
Het zou volgens het Openbaar Ministerie (zakelijk samengevat) binnen uw macht en die van de onderneming hebben gelegen het ertoe te leiden dat wel de juiste voorzorgsmaatregelen werden getroffen. 

Wij bespraken reeds dat u zowel ten aanzien van de vermeende gevaarlijkheid, het gevaar dat feitelijk is ontstaan, als de aansturing die u aan [de onderneming] heeft gegeven verweer wenst te voeren. 

3.5    Nadat verweerster van het Openbaar Ministerie de concept tenlasteleggingen had ontvangen, heeft zij klager in een e-mail van 28 september 2019 - voor zover relevant - geschreven:

Bij deze stand van het onderzoek is het wel aangewezen nader zicht te krijgen op de wijze waarop [de onderneming] in de ten laste gelegde periode werd aangestuurd. U bent daar zelf summierlijk over gehoord. Aangevers leggen daarover onjuiste verklaringen af en de heer [S] tracht, zo is mijn indruk, onder zijn verantwoordelijkheid over [de onderneming] gedurende een deel van deze ten laste gelegde periode uit te komen. Alleen door nadere informatie over de wijze waarop [de onderneming] werd bestuurd, kunnen wij als verdediging duidelijk maken dat u slechts gedurende een beperkte tijd daadwerkelijk de leiding had over [de onderneming]. Ten aanzien van de overgebleven jaren kan aldus worden aangetoond dat u steeds heeft gezocht naar deugdelijke kandidaten om die leiding op een juiste wijze vorm te geven. Na aanstelling van deze kandidaten beperkten uw taak en rol zich tot begeleiding op afstand. Het doen van dergelijk onderzoek is argumenten te vergaren waarmee ten faveure van [de onderneming] kan worden betoogd dat de rechtspersoon gebrekkige beleidsvorming en aansturing ten aanzien van haar werkprocessen (waaronder begrepen het werken met gevaarlijke stoffen) nu juist niet wenste te aanvaarden als gevolg waarvan [de onderneming] niet strafbaar heeft gehandeld. Tevens dient door middel van dit onderzoek vast komen te staan dat u nu juist geen bijdrage heeft geleverd aan een gebrekkige beleidsvorming en aansturing, terwijl u steeds de door u aangestelde leidinggevenden op een juiste wijze ten aanzien van het te vormen beleid heeft geïnstrueerd. Indien zulks kan worden vastgesteld, treft ook u geen strafrechtelijk verwijt. 

Er ontbreekt in het dossier teveel informatie om op dit moment met enig succes de aangevers met onjuistheden in hun verklaring te kunnen confronteren en aldus (ook ten aanzien van thema 2) hun onbetrouwbaarheid aan te tonen. 

3.6    Medio 2020 werd duidelijk dat de zoon van klager de aandelen in de onderneming zou overnemen. Verweerster heeft in dat verband in een e-mail van 26 augustus 2020 aan klager en zijn zoon geschreven:

De inspanningen van de verdediging zijn er tot nu toe steeds op gericht geweest om het beeld dat over het werken bij [de onderneming] met gevaarlijke stoffen (zakelijk samengevat: Chroom 6-houdende producten) in het politiedossier wordt opgeroepen, te nuanceren. (…)

Vandaag liet ik [de zoon] weten dat wij de koers van de verdediging sinds ons vorige gesprek niet hebben gewijzigd. (…)

[De zoon] liet mij weten dat hij de insteek van de verdediging thans ondersteunt. (…)

Bij deze stand van zaken stel ik vast dat ik als advocaat, zowel de belangen van [de onderneming] als [klager] in één hand kan houden. (…)

3.7    In september 2020 heeft de zoon van klager de aandelen in de onderneming overgenomen. Verweerster heeft klager en de zoon in een e-mail van 9 september 2020 geschreven:

Vanochtend sprak ik uitgebreid met [klager]. We hebben nogmaals met elkaar afgestemd of de positie van [klager] en die van [de onderneming] elkaar ‘bijten’ en vastgesteld dat zulks niet het geval is. 

3.8    In de periode van 11 maart 2020 tot en met 8 juli 2021 heeft verweerster met het openbaar ministerie gecorrespondeerd over een buitengerechtelijke afdoening en tevens met klager en later ook met zijn zoon namens de onderneming gecorrespondeerd en gesproken over het wel of niet accepteren van een regeling en onder welke voorwaarden. 

3.9    In een e-mail van 26 maart 2021 heeft verweerster aan de officier van justitie geschreven:

De inhoudelijke reactie van de verdediging inzake [de onderneming] zoals ik u die heb toegezegd is niet uit het oog verloren. Vanwege de lockdown en daarmee samenhangende effecten op andere zaken is de planning van mijn praktijk wel behoorlijk lastig gebleken in de afgelopen maanden. Inmiddels keerde de rust weer. 

Cliënte en ik zijn dan ook een heel eind op streek met ons bericht aan u. Ik wacht nog wel op de definitieve jaarcijfers van de onderneming over 2020. Deze cijfers zijn bijna gereed. Ik hoop volgende week van de accountant van cliënte te vernemen en mijn schrijven aan u te kunnen finaliseren. 

3.10     Het openbaar ministerie heeft op 8 juli 2021 schriftelijk aan verweerster medegedeeld dat er geen ruimte is om de zaken buitengerechtelijk af te doen. De officier van justitie schreef:

Daarna zal ik de zaken tegen uw cliënten [de onderneming] en [klager] gaan dagvaarden voor de meervoudige economische kamer. Dat is niet (alleen) omdat ik van u na onderstaand bericht [hof: de e-mail van 26 maart 2021] (en eerdere toezeggingen) niets meer mocht vernemen. De vorderingen BP’s [hof: benadeelde partij] die door de aangevers zijn ingediend, geven mij naar mijn mening geen ruimte om de zaken buitengerechtelijk af te doen en derhalve zal ik de zaken aan de rechter voorleggen. Dat voorbehoud (rekening houden met de belangen van de slachtoffers en hun vorderingen) heb ik zoals u bekend vanaf het begin uitdrukkelijk gemaakt. 

3.11     In september 2021 is verweerster begonnen met het voorbereiden van de terechtzitting en heeft zij klager en zijn zoon voorgesteld een tweede advocaat bij de verdediging van de onderneming in de strafzaak te betrekken. Daarmee hebben klager en zijn zoon ingestemd.

3.12     Op 24 november 2021 heeft verweerster met klager de zitting voorbereid en op 29 november 2021 heeft zij nog zijn laatste woord geredigeerd.

3.13     Bij vonnissen van 23 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam klager en de onderneming veroordeeld tot betaling van een boete en tot vergoeding van schade van de benadeelde partijen.

3.14     De onderneming heeft besloten in het vonnis te berusten.

3.15     Verweerster heeft in een e-mail van 3 februari 2022 haar appeladvies aan klager gegeven en zijn opdracht om hem in hoger beroep bij te staan bevestigd. Die e-mail luidt, voor zover relevant, als volgt:

Het vonnis tegen [de onderneming] noopt uw zoon (..) niet tot hoger beroep. Dit brengt met zich mee dat wij in hoger beroep geen rekening meer hoeven houden met de impact van bijvoorbeeld nadere onderzoekshandelingen op de strafzaak van [de onderneming]. In eerste aanleg viel uw belang in feite samen met dat van [de onderneming] omdat u het grootste deel van de tijd zelf directeur en (indirect) aandeelhouder was. Vanwege de familierechtelijke betrekking tussen u en uw zoon raakten de belangen ook na de verkoop van [de onderneming] niet gescheiden. Alhoewel verhoren van verschillende (oud- medewerkers) van [de onderneming] zinvol zouden zijn voor de verdediging tegen het verwijt aan uw adres met betrekking tot feitelijk leidinggeven, zouden dergelijke verhoren een voor [de onderneming] veel ongunstiger beeld van de werksituatie hebben kunnen schetsen. Tegen de achtergrond van deze (en andere) argumenten lieten wij die verhoren dan ook in eerste aanleg achterwege. Nu u als enige in hoger beroep gaat, opent dit nieuwe mogelijkheden voor uw verdediging. In de door mij op te stellen conceptappèlmemorie (waarover hierna meer), zal ik een aanzet geven tot het verzoek verschillende van deze personen in hoger beroep als getuige te horen.

3.16     De correspondentie die klager en verweerster in de periode 8 tot 21 februari 2022 hebben gevoerd, heeft verweerster doen besluiten haar opdracht neer te leggen.

3.17     Klager heeft uiteindelijk geen hoger beroep ingesteld.

3.18     In een brief van 3 juli 2023 heeft de gemachtigde van klager verweerster aansprakelijk gesteld.

3.19     In een brief van 2 oktober 2023 heeft de gemachtigde van verweerster de aansprakelijkheid afgewezen.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    tegelijkertijd voor een andere partij op te treden in een zaak waarin zij een tegengesteld belang hebben;

b)    zijn zaak niet zorgvuldig te behandelen door a. de mogelijkheid van buitengerechtelijke afdoening te verspelen en b. geen, althans onvoldoende, verweer te voeren met betrekking tot zijn persoonlijk voorkomen in het kader van de verdenking feitelijk leidinggeven.


5    OMVANG HOGER BEROEP
    
5.1    Klager heeft in beroep nieuwe verwijten tegen verweerster geformuleerd. Hij verwijt verweerster dat zij heeft nagelaten hem te informeren over zestien uren in mei/juni 2021 die besteed zouden zijn aan een sepot. Het hof laat deze klacht buiten beschouwing, omdat het slechts kan oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advw). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.


6    BEOORDELING RAAD

klachtonderdeel a: belangenverstrengeling
6.1    De raad heeft vastgesteld dat als uitgangspunt geldt dat een advocaat niet tegelijkertijd voor meer dan één partij mag optreden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben. Verder heeft de raad vooropgesteld dat er geen regel is die voorschrijft dat advocaten niet meerdere verdachten in hetzelfde strafproces mogen bijstaan. Bij de beantwoording van de vraag of, bij bijstand van meerdere cliënten in eenzelfde strafzaak, sprake is van een tegenstrijdig belang dan wel van een situatie waarin voorzienbaar is dat het op een tegenstrijdig belang kan uitlopen, is in beginsel aan de betreffende advocaat. Die beantwoording moet wel verenigbaar zijn met de door de advocaat in acht te nemen (gedrags)regels. 

6.2    De raad heeft overwogen dat op grond van de e-mail van verweerster aan klager van 3 februari 2022 bij klager de indruk kan zijn ontstaan dat verweerster in eerste aanleg bij de rechtbank niet de optimale verdediging heeft gevoerd. In die brief staat immers dat - omdat de onderneming niet in hoger beroep gaat - in hoger beroep geen rekening meer hoeft te worden gehouden met de impact van nadere onderzoekshandelingen op de strafzaak van de onderneming. Verweerster heeft echter uitgelegd wat zij met die passage heeft bedoeld en welke strategie zij in deze zaak heeft gevoerd. Verweerster heeft hierover verklaard dat zij bij de rechtbank het verweer heeft gevoerd dat het aan de onderneming gemaakte verwijt ten aanzien van de verboden gedraging niet klopte. Als dat verweer zou slagen, dan zou ook het feitelijke leidinggeven aan dat feit - het verwijt dat aan klager werd gemaakt - niet bewezen kunnen worden verklaard. Na het vonnis van de rechtbank kon verweerster zich volledig concentreren op het verweer inzake het feitelijke leidinggeven. Deze strategie zou in eerste aanleg risicovoller zijn geweest omdat stellingen over het feitelijke leidinggeven, het verweer over de verboden gedraging van de onderneming onderuit zouden kunnen halen. Deze uitleg van verweerster acht de raad begrijpelijk. Gelet op deze uitleg is het appeladvies van verweerster geen aanwijzing dat er bij de behandeling van deze zaak sprake is geweest van belangenverstrengeling. Ook de beslissing dat de pleidooien voor de beide verdachten door verschillende advocaten zouden worden gehouden, is geen omstandigheid die op een belangenverstrengeling duidt. 

6.3    De raad heeft verder vastgesteld dat verweerster zich er bij aanvang van haar werkzaamheden van heeft overtuigd dat de belangen van de onderneming en klager overeenkwamen. Zij heeft dit besproken en schriftelijk vastgelegd en zij heeft hier gedurende de behandeling van het dossier steeds aandacht voor gehad. Ook heeft zij klager steeds schriftelijk zorgvuldig geïnformeerd over de door haar voorgestelde strategie. 

6.4    De raad heeft klachtonderdeel a) ongegrond verklaard.

klachtonderdeel b: onzorgvuldig handelen
6.5    De raad heeft klager niet gevolgd in zijn verwijt dat verweerster de mogelijkheid van een buitengerechtelijke afdoening heeft verspeeld door lange tijd niet te reageren op voorstellen van het Openbaar Ministerie. Uit het klachtdossier volgt dat de officier van justitie met betrekking tot een eventuele buitengerechtelijke afdoening telkens een voorbehoud heeft gemaakt dat inhield dat een buitengerechtelijke afdoening niet mogelijk zou zijn als de benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding zou indienen en dat hij gehouden was aan interne goedkeuring. Uit de correspondentie blijkt naar het oordeel van de raad niet dat een buitengerechtelijke afdoening mogelijk was geweest als verweerster eerder op de berichten van de officier van justitie zou hebben gereageerd. 

6.6    Met betrekking tot het verwijt van klager dat verweerster geen, althans onvoldoende, verweer heeft gevoerd met betrekking tot de verdenking van het feitelijk leidinggeven, heeft de raad geoordeeld dat niet is gebleken dat de bijstand van verweerster op dit punt ondermaats is geweest. Bovendien blijkt uit de inhoud van het klachtdossier dat verweerster de pleitnota ter goedkeuring aan klager heeft voorgelegd en dat zij hebben besproken dat klager van zijn laatste woord gebruik zou kunnen maken. Ook verder blijkt dat verweerster klager telkens op een zorgvuldige wijze heeft geïnformeerd over de procedure en heeft voorbereid op alle belangrijke momenten gedurende het onderzoek en de procedure. 

6.7    De raad heeft klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. 


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

klachtonderdeel a: belangenverstrengeling
7.1    Klager acht de overweging van de raad dat de uitleg van verweerster over een strategie begrijpelijk is en dat dat afdoende is om de mededelingen van verweerster zelf in haar appeladvies niet aan te merken als aanwijzing voor belangenverstrengeling onnavolgbaar. Wat er ook zij van een strategie, verweerster heeft kennelijk de belangen van de onderneming in eerste aanleg telkens meegewogen, ook ten nadele van klager. Met de overweging “Deze strategie zou in eerste aanleg risicovoller zijn geweest, omdat stellingen over het feitelijk leidinggeven, het verweer over de verboden gedraging van de onderneming onderuit zouden kunnen halen…” oordeelt de raad in feite dat deze strategie gekozen mocht worden om de onderneming te beschermen ten koste van klager. Als de stellingen over het feitelijk leidinggeven op dat moment waren uitgediept en daarmee dus klagers belang was behartigd, was dat mogelijk risicovoller geweest voor de verdediging van de onderneming. 

7.2    Klager voert verder aan dat er niet alleen sprake van was dat een andere advocaat het pleidooi voor de onderneming zou gaan houden, maar dat zich een andere advocaat voor de onderneming heeft gesteld die voor de onderneming heeft opgetreden ter zitting. Achteraf is klager duidelijk geworden dat verweerster zelfstandig heeft besloten dat er een andere advocaat moest gaan optreden voor de onderneming bij de behandeling ter zitting, omdat er mogelijk/waarschijnlijk tegenstrijdige belangen zijn behartigd. De overweging van de raad dat de beslissing om de pleidooien voor beide verdachten door verschillende advocaten te laten houden geen omstandigheid is die op een belangenverstrengeling duidt, is volgens klager niet alleen feitelijk onjuist maar ook onbegrijpelijk. 

7.3    Klager voert tot slot aan dat het gegeven dat verweerster schriftelijk heeft vastgelegd dat zij geen tegenstrijdig belang of het risico daarop onderkent, verweerster niet ontslaat van de verplichting zich tijdig terug te trekken bij gebleken tegenstrijdige belangenbehartiging. Gedragsregel 15 legt de verantwoordelijkheid hiervoor exclusief bij de advocaat. 

klachtonderdeel b: onzorgvuldig handelen
7.4    Klager is van mening dat verweerster in de periode van december 2020 tot en met 26 maart 2021 heeft nagelaten het Openbaar Ministerie adequaat te informeren en betrokken te houden bij de buitengerechtelijke afdoening. Volgens klager laat verweerster na opheldering te verschaffen over de gang van zaken met betrekking tot de buitengerechtelijke afdoening, terwijl uit haar urenspecificaties blijkt dat zij in mei/juni 2021 kennelijk intensief aan een sepot heeft gewerkt. 

7.5    Klager voert tot slot aan dat het feit dat hij de pleitnota van verweerster van te voren heeft goedgekeurd niet maakt dat hij verantwoordelijk is voor hetgeen verweerster op de zitting naar voren heeft gebracht. Volgens klager heeft verweerster omstandigheden die zijn persoonlijk handelen in een gunstiger daglicht plaatsten ten onrechte onbesproken gelaten. 

Verweer verweerster

7.6    Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Overwegingen hof

klachtonderdeel a: tegengesteld belang

8.2    Het hof stelt bij de beoordeling van klachtonderdeel a) voorop dat er geen regel is die voorschrijft dat advocaten niet meerdere verdachten in hetzelfde strafproces mogen bijstaan. Een dergelijke regel zou ook in strijd zijn met het beginsel van de vrije advocaatkeuze die een cliënt heeft, welk beginsel een fundamentele betekenis voor de rechtstaat heeft en waarvan niet lichtvaardig mag worden afgeweken. 

8.3    In aanvulling daarop geldt als uitgangspunt dat een advocaat in het algemeen niet tegelijkertijd voor meer dan één partij mag optreden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben. Deze norm is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat moet zich immers niet in een situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. De cliënt moet ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die hij aan de advocaat ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. 

8.4    De beantwoording van de vraag of, bij bijstand aan meerdere cliënten in eenzelfde strafzaak, sprake is van een tegenstrijdig belang dan wel van een situatie waarin voorzienbaar is dat het op een tegenstrijdig belang kan uitlopen, is in beginsel aan de betreffende advocaat. Die beantwoording moet wel verenigbaar zijn met door de advocaat in acht te nemen (gedrags)regels, waaronder de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid en vertrouwelijkheid. Daarbij geldt dat voor het bijstaan van meerdere personen in dezelfde zaak niet vereist is dat de belangen van deze (rechts)personen volstrekt parallel zijn. 

8.5    Het hof is met de raad van oordeel dat verweerster in dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in hetzelfde strafproces zowel klager als de onderneming bij te staan. Het hof overweegt daartoe het volgende. 

8.6    In het strafproces is de onderneming ervan beschuldigd dat zij haar medewerkers heeft laten werken met chroom VI-houdende producten, terwijl die werknemers onvoldoende beschermd werden. Klager werd door het OM verweten dat hij aan deze gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Verweerster heeft toegelicht dat het in de strafrechtelijke procedure primair van belang was om verweer te voeren tegen de verboden gedraging. Zou deze niet vast komen te staan, dan zou de grondslag voor de verdenking van het feitelijk leidinggeven eveneens wegvallen. In de strafrechtelijke procedure heeft verweerster namens klager en de onderneming dan ook primair het verweer gevoerd dat er geen gevaar was geweest voor de medewerkers, althans dat dit gevaar wel degelijk was voorkomen. Subsidiair voerde verweerster namens klager het verweer dat hij geen feitelijk leidinggevende was in de ten laste gelegde periode, omdat hij operationele managers had aangesteld. Omdat aan het feitelijk leidinggeven alleen zou worden toegekomen als de verboden gedraging bewezen zou worden verklaard, was het in het belang van klager dat de verboden gedraging niet zou kunnen worden vastgesteld. Verweerster heeft ook toegelicht aan klager waarom het in zijn belang was om niet uitsluitend verweer te voeren tegen de verdenking van het feitelijk leidinggeven. Ten tijde van de procedure in eerste aanleg was namelijk onvoldoende documentatie aanwezig op grond waarvan aangetoond zou kunnen worden dat klager geen bijdrage heeft geleverd aan een gebrekkige beleidsvorming en aansturing. Bovendien zouden getuigen die klager mogelijk zou kunnen laten horen, riskante verklaringen kunnen afleggen met betrekking tot de verboden gedraging. Verweerster heeft dit ook met klager besproken, zo blijkt uit haar e-mail van 28 september 2019 (zie rov. 3.5). Onder deze omstandigheden heeft verweerster ervoor gekozen primair verweer te voeren tegen de verboden gedraging en subsidiair tegen het feitelijk leidinggeven, zonder daarbij de getuigen te horen die nadelig zouden kunnen verklaren over de verboden gedraging. Het hof ziet niet in dat daarmee sprake is geweest van een situatie waarin klager en de onderneming een tegengesteld belang hadden, dan wel dat sprake was van een situatie waarin voorzienbaar was dat het op een tegenstrijdig belang kon uitlopen. Tegen deze achtergrond bezien, biedt het  appeladvies van verweerster ook geen aanleiding dat sprake is geweest van een belangenverstrengeling. 

8.7    Het hof concludeert ten aanzien van klachtonderdeel a) dat geen sprake is geweest van een tegengesteld belang dan wel van een situatie waarin voorzienbaar was dat er een tegengesteld belang kon ontstaan. Er is dan ook geen sprake van een schending van gedragsregel 15. Het klachtonderdeel is ongegrond. 

klachtonderdeel b: onzorgvuldig handelen

8.8    Ten aanzien van de klacht van klager dat verweerster zijn zaak niet zorgvuldig heeft behandeld door de mogelijkheid van buitengerechtelijke afdoening te verspelen en door geen, althans onvoldoende, verweer te voeren met betrekking tot zijn persoonlijk handelen in het kader van de verdenking feitelijk leidinggeven ziet het hof geen feitelijke aanleiding om tot een andere beoordeling van dit klachtonderdeel te komen dan de raad. In zoverre onderschrijft het hof de door de raad gegeven beslissing en neemt hij die over. 

Slotsom

8.9    Het hof concludeert dat het hoger beroep van klager faalt. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen. 


9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    bekrachtigt de beslissing van 10 februari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-359/AL/MN.


Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en J.E. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 6 februari 2026.