ECLI:NL:TAHVD:2026:37 Hof van Discipline 's Gravenhage 240277
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-02-2026 |
| Datum publicatie: | 06-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240277 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van zijn ex-echtgenote met wie hij in een echtscheidings- en verdelingsprocedure is verwikkeld. Volgens klager heeft verweerster in haar processtukken ernstige beschuldigingen over klager geuit die lasterlijk en onnodig grievend zijn. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat verweerster in haar processtukken stevig stelling heeft genomen. De uitlatingen zijn echter, bezien in de context waarin die gedaan zijn, niet dermate kwetsend of onnodig grievend dat verweerster daarmee tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Het hof bekrachtigt daarom de beslissing van de raad. |
Beslissing van 6 februari 2026
in de zaak 240277
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
gemachtigde: mr. A. de Groot, advocaat te Alkmaar
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van zijn ex-echtgenote met wie hij in een echtscheidings- en verdelingsprocedure is verwikkeld. Volgens klager heeft verweerster in haar processtukken ernstige beschuldigingen over klager geuit die lasterlijk en onnodig grievend zijn. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat verweerster in haar processtukken stevig stelling heeft genomen. De uitlatingen zijn echter, bezien in de context waarin die gedaan zijn, niet dermate kwetsend of onnodig grievend dat verweerster daarmee tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Het hof bekrachtigt daarom de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-115/AL/NN) een beslissing gegeven op 26 augustus 2024. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder nummer ECLI:NL:TADRARL:2024:204 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 25 september 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
8 december 2025. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerster
verschenen. De gemachtigde van klager heeft het standpunt van klager toegelicht aan
de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2 In 2010 zijn klager en zijn echtgenote gescheiden. Afspraken over de gevolgen van de scheiding zijn neergelegd in een convenant en in een drietal vaststellingsovereenkomsten. Over de uitvoering en uitleg van de tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomsten in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap hebben zij verschillende procedures gevoerd.
3.3 Tussen partijen is een procedure in kort geding gevoerd, waarbij verweerster namens de ex-echtgenote heeft gevorderd de ex-echtgenote te machtigen de voormalige echtelijke woning te verkopen. In het vonnis van 12 februari 2020 heeft de voorzieningenrechter - voor zover relevant - het volgende overwogen:
5.11 Het verweer van [klager], dat [ex-echtgenote] [D] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om de woning aan de [adres] als potentiële koper te bezichtigen, faalt. Volgens [ex-echtgenote] is telkens aan [klager] en diens advocaat kenbaar gemaakt dat de verkoop van de woning via [makelaar] liep en dat potentiële kopers zich bij hem konden melden. Dit standpunt vindt steun in de e-mail van 6 december 2019 van [makelaar] aan [klager], waarin [makelaar] in reactie op de mededeling van [klager] dat hij een serieuze kandidaat/koper voor de woning had, aan [klager] heeft bericht dat deze koper zich bij hem kon melden. Na de verkoop van de woning aan [kopers] heeft [klager] bij e-mail van 23 december 2019 aan [makelaar] bericht dat zijn serieuze koper/kandidaat binnenkort aan [makelaar] zou worden voorgesteld. De volgende dat heeft D aan [makelaar] gemaild dat hij had begrepen dat [makelaar] de woning in de verkoop had staan en dat hij zich wilde aanmelden als geïnteresseerde koper van deze woning. [Ex-echtgenote] heeft terecht betoogd dat uit deze beide e-mails blijkt dat D vóór de verkoop van de woning aan [kopers] nog geen contact had opgenomen met [makelaar]. Uit de e-mail van D aan [klager] van 20 januari 2020 blijkt niet van het tegendeel. Nu reeds op 6 december 2019 bekend was bij [klager] dat [makelaar] de verkopend makelaar was en dat potentiële kopers zich bij hem dienden te melden en D, de potentiële koper waar [klager] telkens mee schermde, zich pas ruim twee weken later, na de verkoop, bij [makelaar] heeft gemeld, kan [ex-echtgenote] niet verweten worden dat zij hem niet meer in de gelegenheid heeft gesteld de woning te bezichtigen.
3.4 Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager vanaf het begin bijgestaan. Klager wordt in de meest recente procedure - in hoger beroep - bijgestaan door zijn gemachtigde.
3.5 Voor zover relevant in deze procedure heeft verweerster in de memorie van antwoord van 28 maart 2023 geschreven:
Punt 8: [Klager] deed om hem moverende redenen al het mogelijke om verkoop van de woning
te frustreren. Zo meldde hij tot twee maal toe anoniem bij de politie dat er in de
bewuste woning een wietkwekerij aanwezig was. De meldingen waren vals, er was nimmer
sprake geweest van een wietkwekerij in dit pand en de politie was steeds welkom zelf
onderzoek komen doen.
Punt 11: De als productie 3 overgelegde verklaring van de heer [D] kan [klager] ook nu niet baten. [ex-echtgenote] heeft aangenomen dat deze verklaring enkel en alleen tot doel had om verkoop van de woning aan de [straatnaam] tegen te houden. Verwezen wordt opnieuw naar het vonnis van 12 februari 2020. Ook in die procedure kwam [klager] met het sprookje van een potentiële koper die aanzienlijk meer had willen bieden maar zich heel bewust pas meldde bij de verkoopmakelaar toen de woning was verkocht. Deze heer [D] kreeg destijds het nadrukkelijke advies om zich te melden bij de makelaar die de verkoop van de woning aan de [straatnaam] voor zijn rekening nam.. De heer [D] weigerde echter om zich bij de verkoopmakelaar te melden, hetgeen aantoonde dat hij niet daadwerkelijk belangstelling voor de woning had maar enkel handelde in opdracht van [klager] teneinde de indruk te wekken dat een hogere verkoopprijs te behalen viel.
3.6 Voor zover relevant in deze procedure heeft verweerster in de akte uitlaten van 23 mei 2023 in de procedure in hoger beroep geschreven:
Punt 2: [Ex-echtgenote] gebruikt deze akte om, na een protest van de zijde van [klager], te nuanceren hetgeen staat vermeld onder kantnummer 8 van de memorie van antwoord. [ex-echtgenote] kan niet bewijzen dat [klager] tot tweemaal toe bij de politie meldde dat er in de woning aan [straatnaam] een wietkwekerij aanwezig was. [Ex-echtgenote] vermoedt dat [klager] de meldingen deed omdat [klager] ook degene was die in januari 2018 in een door hem opgestart hoger beroep via de memorie van grieven melding maakte van twee politie-invallen. (…)
Punt 4:Hij schakelde een makelaar in die bereid was om hem te adviseren over de vraagprijs zonder dat deze makelaar de woning had bezocht. Hij schermde met belangstelling voor de woning maar de persoon die zich volgens [klager] bij hem had gemeld als serieuze koper bleek pas bereid om zich bij de verkoopmakelaar, [naam makelaar], te melden nadat bekend was geworden dat er een koopovereenkomst was gesloten. De bewuste persoon heeft nimmer de bedoeling gehad om de woning te kopen, hij was [klager] slechts ter wille met het verstrekken van een schriftelijke verklaring.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in processtukken ernstige
beschuldigingen over klager te uiten die lasterlijk en onnodig grievend zijn, waardoor
verweerster in strijd met de gedragsregels 7 en 8 heeft gehandeld. Toelichting: Klager
verwijst naar passages zoals opgenomen in de processtukken van verweerster, die zijn
weergegeven onder de feiten hiervoor. Naar aanleiding van de ernstige beschuldigingen
aan het adres van klager onder punt 8 van de memorie is namens klager aan verweerster
gevraagd om daarvan bewijs te leveren of die ongefundeerde beschuldigingen over klager
in te trekken. Dat heeft verweerster niet gedaan. Voor klager is de ‘nuancering’ onder
punt 2 in de akte uitlaten van verweerster onvoldoende geweest.
Door klager zijn de volgende uitlatingen van verweerster als lasterlijk en (onnodig)
grievend ervaren namelijk dat hij:
a) met “het sprookje van een potentiële koper” kwam;
b) een makelaar inschakelde ‘die bereid was hem te adviseren over een vraagprijs zonder dat deze makelaar de woning had bezocht’. De door klager aangetrokken makelaar is volgens hem niet aangezocht omdat hij bereid was te adviseren zonder bezichtiging, maar om te adviseren. De ex-echtgenote zou die makelaar de toegang tot de woning hebben ontzegd waardoor uiteindelijk door haar toedoen advisering zonder bezichtiging (geveltaxatie) moest plaatsvinden;
c) met [D] een soort doorgestoken kaart heeft afgesproken/hem als pseudo-koper heeft ingeschakeld. Iemand die dus volgens verweerster nimmer de bedoeling had te kopen en ‘weigerde zich bij de verkoopmakelaar te melden’. Die koper meldde zich bij verkoopmakelaar ‘nadat bekend was geworden dat er een koopovereenkomst was gesloten’ dus kennelijk expres te laat. Daarmee was die derde volgens verweerster ‘slechts [klager] ter wille’ met ‘het verstrekken van een schriftelijke verklaring’. Dus kennelijk heeft die derde op verzoek van klager een valse hoedanigheid (van gegadigde koper) aangenomen en een valse verklaring afgelegd die klager in rechte heeft gebruikt.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft geoordeeld dat verweerster niet de grenzen heeft overschreden van de vrijheid die zij als advocaat van de wederpartij had, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.2 Verweerster heeft als partijdige belangenbehartiger namens haar cliënte de gewraakte uitlatingen gedaan. Dat zij daarin feitelijke onjuistheden heeft vermeld, terwijl zij dat wist of kon weten, heeft verweerster betwist en is de raad ook uit de stukken niet gebleken. Verweerster heeft, naar aanleiding van het uitdrukkelijke bezwaar van klager over hetgeen zij in punt 8 van de memorie van antwoord heeft gesteld, alsnog in punt 2 van de akte uitlaten een nuancering op punt 8 aangebracht. Naar het oordeel van de raad kon verweerster daarmee volstaan.
5.3 De raad heeft verder overwogen dat het inherent is aan het voeren van een procedure dat partijen het niet met elkaar eens zijn en dat de stellingen van de wederpartij worden betwist. De door verweerster gebruikte bewoordingen in haar processtukken zijn naar het oordeel van de raad in dat kader toegestaan en moeten worden bezien in het licht van en binnen de context van het al jaren gevoerde debat en de vele procedures die hieromtrent tussen partijen spelen. Daarbij heeft verweerster als eerste advocaat van haar cliënte na al die jaren te maken met de zesde advocaat van klager. Dat verweerster uit irritatie daardoor wat scherpere en ietwat sarcastische bewoordingen in haar processtukken gebruikt om het standpunt van haar cliënte kracht bij te zetten, ziet de raad dan ook in die context.
5.4 Het enkele feit dat de door verweerster gedane uitlatingen door klager als grievend zijn ervaren, betekent volgens de raad nog niet dat die uitlatingen ook onnodig waren. Verweerster heeft naar het oordeel van de raad voldoende toegelicht dat en waarom zij vond dat zij de gewraakte bewoordingen in de processtukken in het belang van haar cliënte zo moest gebruiken. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster daarmee niet de grenzen van het betamelijke overschreden.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager voert in hoger beroep aan dat de beschuldiging van verweerster, dat klager tweemaal een valse melding bij de politie heeft gedaan, evident grievend is en bovendien nodeloos was. Verweerster heeft hiermee de rechter onjuist geïnformeerd. De ‘nuancering’ in de akte uitlaten wordt door verweerster gepresenteerd als correctie, maar feitelijk heeft verweerster hiermee de beschuldiging herhaald en nogmaals onder de aandacht gebracht.
6.2 Verweerster heeft verder uitlatingen gedaan die niet anders kunnen worden opgevat dan dat klager in strijd met de waarheid een derde heeft laten voorwenden koper of gegadigde te zijn voor een bepaald bedrag en daar een verklaring voor op te laten stellen en in rechte te gebruiken om de indruk te wekken dat er een hogere opbrengst te behalen viel. Dit zijn volgens klager eveneens onnodig grievende uitlatingen. Volgens klager gaat het niet om zomaar wat “scherpere ietwat sarcastische bewoordingen” maar om ongeclausuleerde en onbewezen beschuldigingen van (betwiste) ernstige en grievende feiten. Voor klager is onduidelijk wat de ‘context’ waarin de raad dit ziet daaraan kan afdoen. Klager vraagt zich af of er andere normen voor nodeloos grievend gelden wanneer sprake is van irritatie, een lang lopende procedure of wisselende advocaten. Door steeds te wijzen op de advocaatwisselingen aan de zijde van klager probeert verweerster klager in een ongunstig daglicht te plaatsen en ter eigen rechtvaardiging een vorm van eigen schuld te construeren. De raad is daar ten onrechte in mee gegaan.
6.3 Door te overwegen dat klager de uitlatingen van verweerster als grievend heeft ervaren, miskent de raad dat deze uitlatingen grievend zijn. Dat verweerster vond dat zij de uitlatingen zo heeft moeten doen, is volgens klager niet bepalend. Niet blijkt dat en op grond waarvan de raad zelf heeft geoordeeld dat de uitlatingen niet onnodig waren.
Verweer verweerster
6.4 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
7.2 Verweerster heeft onder punt 8 van haar memorie van antwoord geschreven dat klager er “om hem moverende redenen al het mogelijke [aan deed] om verkoop van de woning te frustreren. Zo meldde hij tot tweemaal toe anoniem bij de politie dat er in de bewuste woning een wietkwekerij aanwezig was.” Verweerster heeft toegelicht dat haar cliënte contact had gehad met de politie en dat de politie aan haar had bevestigd dat de meldingen “uit de hoek kwamen die zij verwacht had”. Verweerster kon ook toelichten wanneer en met welke agent haar cliënte contact heeft gehad. Onder die omstandigheden bestond naar het oordeel van het hof voor verweerster geen aanleiding te vermoeden dat de bewoordingen feitelijk onjuist waren.
7.3 Wel had het op de weg van verweerster gelegen om enige afstand van de beschuldiging te nemen, bijvoorbeeld door aan te geven dat haar cliënte - naar aanleiding van het gesprek met de politie - ervan uitging dat klager de anonieme meldingen had gedaan. Verweerster heeft dit ook beseft en heeft de uitlatingen, naar aanleiding van het uitdrukkelijke bezwaar van klager, genuanceerd in haar latere akte. Onder deze omstandigheden heeft verweerster naar het oordeel van het hof met de onder 7.2 bedoelde uitlatingen de grenzen van het tuchtrechtelijk toelaatbare niet overschreden.
7.4 Verweerster heeft in dezelfde memorie van antwoord geschreven dat klager ook in een eerdere procedure kwam met “het sprookje van een potentiële koper”. Verweerster heeft toegelicht dat zij in het belang van haar cliënte aannemelijk diende te maken dat klager onvoldoende medewerking verleende aan de verkoop van de woning. Volgens verweerster heeft zij met deze bewoordingen alleen duidelijk willen maken dat D nooit daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad de woning te kopen. Op grond van rechtsoverweging 5.11 van het vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2020 (zie rov. 3.3) alsmede de mededelingen van verweerster daaromtrent tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, stelt het hof vast dat de makelaar klager op 6 december 2019 heeft bericht dat D zich bij hem kon melden, maar dat deze zich uiteindelijk pas op 24 december 2019 (om ongeveer 18.00 uur) heeft gemeld, terwijl op dat moment al een koopovereenkomst met derden was gesloten. Verweerster heeft tijdens de zitting verklaard niet te weten of D op de hoogte was van deze koopovereenkomst. Door te schrijven dat klager kwam met “het sprookje van de potentiële koper”, is verweerster dan ook te stellig geweest in haar bewoordingen, hetgeen niet nodig was. Verweerster had immers ermee kunnen volstaan een opsomming van de feiten te geven, zonder daaraan de kwalificatie van ‘sprookje’ te verbinden. Voor zover de woordkeuze is ingegeven door de cliënte van verweerster, was het beter geweest als verweerster daarvan meer afstand had genomen. In zoverre valt er op het handelen van verweerster nog wel iets af te dingen. Gelet op het te verdedigen belang van haar cliënte tegen de achtergrond van de jarenlang durende en conflictueus verlopen echtscheidings- en verdelingsprocedures, mede verband houdende met de trage verkoop van de woning, is het hof echter van oordeel dat de lat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen met het doen van deze uitlating niet gehaald wordt. Datzelfde geldt voor de uitlatingen van verweerster in alinea 4 van de akte uitlaten, waarin verweerster heeft geschreven dat D nimmer de bedoeling had de woning te kopen maar klager slechts ter wille was met het verstrekken van een schriftelijke verklaring.
7.5 Met betrekking tot de uitlating van verweerster dat klager een makelaar inschakelde “die bereid was om hem te adviseren over de vraagprijs zonder dat deze makelaar de woning had bezocht” overweegt het hof dat uit een bericht van de makelaar van 13 november 2019 (overgelegd als bijlage 5 bij het verweer in eerste aanleg) blijkt dat deze makelaar klager op basis van een geveltaxatie over de vraagprijs heeft geadviseerd. De uitlating van verweerster is in zoverre niet feitelijk onjuist terwijl evenmin gezegd kan worden dat deze uitlating als onnodig grievend jegens klager gekwalificeerd kan worden.
De slotsom
7.6 Verweerster heeft met de uitlatingen over de anonieme meldingen en het sprookje van de potentiële koper stevig stelling genomen. In zoverre zijn de uitlatingen niet steeds de-escalerend geweest en doet verweerster er verstandig aan haar uitlatingen in het vervolg nauwkeuriger en met meer afstand te formuleren. De uitlatingen van verweerster zijn echter in de context waarin die gedaan zijn en in het bijzonder gelet op het door haar te verdedigen cliëntbelang, niet dermate kwetsend of onnodig grievend dat verweerster tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De conclusie is dat het hoger beroep van klager niet slaagt en de beslissing van de raad wordt bekrachtigd.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 26 augustus 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-115/AL/NN.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs.
A.R. Sturhoofd en mr. J.E. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 februari 2026.