ECLI:NL:TAHVD:2026:36 Hof van Discipline 's Gravenhage 250169
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-02-2026 |
| Datum publicatie: | 06-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250169 |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klager komt in beroep van een verzetsbeslissing van de raad waarbij het verzet weliswaar gegrond is verklaard maar de klacht van klager (alsnog) niet-ontvankelijk is verklaard omdat de klacht te laat is ingediend. Het hof is het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing. |
Beslissing van 6 februari 2026
in de zaak 250169
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
gemachtigde: mr. H.A.H.W. Meijer, advocaat te Rotterdam
1 INLEIDING
1.1 Klager komt in beroep van een verzetsbeslissing van de raad waarbij het verzet weliswaar gegrond is verklaard maar de klacht van klager (alsnog) niet-ontvankelijk is verklaard omdat de klacht te laat is ingediend. Het hof is het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 11 september 2024 van de voorzitter van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Den Haag. De voorzitter heeft met die beslissing (zaaknummer 24-469/DH/RO) de klacht van klager met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder nummer ECLI:NL:TADRSGR:2024:162 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
2.3 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. De raad heeft in een beslissing van 14 april 2025 het verzet van klager gegrond verklaard en de klacht niet-ontvankelijk verklaard (hierna: de beslissing op verzet).
2.4 De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:69 op tuchtrecht gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.5 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.6 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad,
- de e-mail van klager van 27 november 2025 met bijlagen.
2.7 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
8 december 2025. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn dochter, en verweerder, bijgestaan
door zijn gemachtigde, verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand
van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Voor zover in hoger beroep nog van belang, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.2 Klager heeft in 2008 een motorboot gekocht en daarover is in 2014 een geschil met de verkopers (het echtpaar H) en/of de bouwer van de boot (A) ontstaan, waarin het ging om lakschade en de douchevloer van de boot. In dit geschil is klager bijgestaan door mr. R van ARAG. De verkopers van de boot waren eveneens verzekerd bij ARAG en zijn bijgestaan door verweerder.
3.3 Op 17 maart 2015 om 10:03 uur heeft verweerder namens de verkopers aan mr. R bericht dat de verkopers aanbieden om het geschil met klager over de boot af te kopen voor € 1.000,-.
3.4 Op 17 maart 2015 om 10:25 uur heeft mr. R aan klager gemaild dat ARAG bereid is om de zaak af te kopen voor € 12.500,- en dat dit bedrag wordt vermeerderd met € 1.000,- van de verkopers, zodat in totaal een bedrag van € 13.500,- aan klager wordt aangeboden. Daarbij heeft mr. R vermeld dat als klager het aanbod accepteert, de afkoop ziet op alle op dat moment aanwezige gebreken aan de boot en op toekomstige gebreken die hun oorsprong vinden in de op dat moment aanwezige gebreken.
3.5 Op 18 maart 2015 om 11:52 uur heeft klager aan mr. R gemaild dat het voorstel van € 13.500,- ‘voor de tot op heden zijnde gebreken’ akkoord is.
3.6 Op 18 maart 2015 om 12:16 uur heeft mr. R aan verweerder bevestigd dat de afkoopdeal rond is en dat het belang van klager door ARAG (en voor een bedrag van € 1.000,- door de verkopers) wordt afgekocht. Mr. R heeft verweerder verzocht om het bedrag van € 1.000,- over te laten maken op zijn derdenrekening.
3.7 Op 18 maart 2015 om 14:46 uur heeft verweerder mr. R gemaild met de vraag of hij nog kan bevestigen dat de verkopers en de bouwer van de boot finaal gekweten zijn ten opzichte van klager zodra het bedrag is voldaan.
Daarop heeft mr. R diezelfde dag om 15:33 uur per e-mail aan verweerder bericht dat na betaling aan hem van het bedrag van € 1.000,- klager niets meer te vorderen heeft van de verkopers en/of de bouwer.
3.8 Op 25 juni 2015 reageert mr. S, namens de bouwer van de boot, op een e-mail van klager van 22 juni 2015. Mr. S schrijft aan klager onder meer:
In uw e-mail geeft u aan tegen problemen aangelopen te zijn nadat uw boot is onderzocht
en u verzoekt [A] om mee te denken aan een oplossing voor de hoge kosten. (…)
Van de advocaat van de heer [H], [verweerder] heeft [A] begrepen dat u dit ook heeft
gedaan en dat u een schikking heeft getroffen met de heer [H]. [A] heeft naar aanleiding
hiervan een regeling getroffen met de heer [H]. Uw advocaat, [mr. R] heeft in het
kader daarvan per e-mail bevestigd dat u na betaling van de overeengekomen € 1.000,00
niets meer te vorderen heeft van de heer [H] of [A]. Een kopie van deze email treft
u als bijlage bij dit bericht aan.
[A] betreurt dat de problemen met de boot nog niet zijn opgelost maar heeft na het
treffen van de schikking de zaak afgerond.
De e-mail van mr. R aan verweerder van 18 maart 2015 om 15:33 uur is bijgevoegd.
3.9 Bij brief van 1 maart 2017 heeft mr. H. namens klager de bouwer van de boot aansprakelijk gesteld voor de kort na maart 2015 gebleken meerkosten voor het herstel van de laklaag, welke kosten volgens klager buiten de regeling van maart 2015 vallen. Volgens klager is hij nooit op de hoogte gesteld of bekend geweest met het feit dat een regeling met de verkopers ook vrijwaring zou betekenen jegens de bouwer. Mr. H. heeft in zijn brief verder nog het volgende opgemerkt:
In reactie op voornoemd schrijven aan [A] laat een jurist van de Metaalunie per e-mailbericht
aan Cliënt d.d. 25 juni 2015 weten dat [A] zich op het standpunt stelt dat met de
regeling zoals deze medio maart 2018 met de heer [H] tot stand is gekomen, ook [A]
is gekweten. (…)
Op welk bericht [mr. R.] met dit e-mailbericht antwoordt, is mij niet duidelijk,
aangezien deze stukken ontbreken in het dossier.
Het beroep door de jurist van [de bouwer] in het e-mailbericht van 18 maart 2015
aan de raadsman van [de verkopers], waarin deze memoreert dat er een kwijting zou
zijn verleend door Cliënt aan niet alleen partij [de verkopers], maar ook aan [de
bouwer], gaat in mijn visie niet op. Cliënt stipuleert nadrukkelijk dat hij nimmer
op de hoogte is gesteld of bekend was met het feit dat een regeling met [de verkopers]
ook vrijwaring zou betekenen jegens [de bouwer].
3.10 In 2020, 2021 en 2022 heeft klager de verkopers en/of de bouwer van de boot via verschillende advocaten aangeschreven vanwege lekke watertanks van de boot.
3.11 Op 12 maart 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a) verweerder is ten tijde van de regeling in maart 2015 werkzaam geweest voor zowel de wederpartij van klager (de verkopers) als voor de bouwer van de boot. Volgens klager is daarmee sprake van belangenverstrengeling. Daarbij wijst klager op de e-mail van verweerder van 18 maart 2015 om 14:46 uur aan mr. R. Klager vraagt zich af waarom verweerder op 18 maart 2015 om 15:40 uur akkoord is gegaan met een finale kwijting van de bouwer voor € 500,- en of de bouwer ook verzekerd was bij ARAG;
b) verweerder heeft niet alle stukken over de finale kwijting van de regeling van 18 maart 2015 aan klager overgelegd. Volgens klager mist hij de stukken van de finale kwijting.
5 BEOORDELING RAAD
De voorzittersbeslissing
5.1 De voorzitter heeft de klacht van klager niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar terwijl op grond van het tweede lid de niet-ontvankelijkverklaring na afloop van de vervaltermijn achterwege blijft als de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
5.2 De voorzitter heeft vastgesteld dat klager klaagt over het handelen van verweerder bij de totstandkoming van de afkoopregeling van 18 maart 2015. Naar het oordeel van de voorzitter wist klager al in 2015 wat de afkoopregeling inhield en is hij daarmee akkoord gegaan. Daarmee is vanaf 18 maart 2015 de vervaltermijn voor het indienen van een klacht aangevangen en is die drie jaar later, in 2018, geëindigd. Ook als uitgegaan wordt van 1 maart 2017 als aanvangsdatum voor de vervaltermijn, zijnde de dag waarop klager de bouwer van de boot aansprakelijk heeft gesteld, heeft klager te laat over verweerder geklaagd. Uit de brief van 1 maart 2017 blijkt namelijk dat klager toen al op de hoogte was van de finale kwijting en het ontbreken van stukken in het dossier. De vervaltermijn is naar het oordeel van de voorzitter dus in ieder geval in 2020 geëindigd. Door pas op 12 maart 2024 bij de deken een klacht in te dienen over verweerder, heeft klager de vervaltermijn ruimschoots overtreden.
5.3 Van een situatie als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. Klager heeft de verkopers in 2020, 2021 en 2022 aangeschreven vanwege de lekkende watertanks in de boot. Uit het schrijven van klager leidt de voorzitter af dat klager al veel eerder bekend was met de gevolgen van het handelen van verweerder. Zelfs als wordt uitgegaan van een datum in 2022, had klager uiterlijk in 2023 bij de deken over verweerder moeten klagen.
De verzetbeslissing
5.4 Het tegen de voorzittersbeslissing ingestelde verzet is gegrond verklaard. De voorzitter heeft vastgesteld dat klager al in 2015 wist wat de afkoopregeling inhield en dat hij daarmee akkoord is gegaan. Klager heeft dat betwist en uit de door de voorzitter opgenomen feiten blijkt ook niet dat klager op 18 maart 2015 op de hoogte was van het feit dat de afkoop ook gold voor de botenbouwer. Die correspondentie is tussen verweerder en mr. R. gevoerd, maar de raad kan niet vaststellen dat ook klager daarvan toen al op de hoogte was.
5.5 De raad heeft de klacht van klager vervolgens alsnog beoordeeld en heeft de klacht opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Klager heeft gesteld dat hem op 25 juni 2015 duidelijk was geworden dat ook de botenbouwer bij de afkoopregeling betrokken was. Daarmee was klager er op 25 juni 2015 mee bekend dat mr. R kennelijk per e-mail had aangegeven dat na ontvangst van het bedrag van € 1.000,- klager niets meer te vorderen had van de verkopers en/of de bouwer. De vervaltermijn om over de betrokkenheid van verweerder bij de afkoopregeling te klagen, is op dat moment ingegaan. Klager had vanaf dat moment verweerder (of zijn eigen advocaat) kunnen vragen om de stukken over de finale kwijting die hij nog miste. Klager had dan ook uiterlijk op 25 juni 2018 zijn klacht moeten indienen. Dat in 2018 nog een kwestie over lakschade door ARAG is afgekocht, is daarbij niet relevant. Eventuele nieuwe lekkages of andere schade maken niet dat een nieuwe vervaltermijn is gaan lopen.
5.6 Een situatie als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet is niet aan de orde. Klager wist op 25 juni 2015 dat de botenbouwer zich beriep op de verleende finale kwijting. Klager was op dat moment dus al bekend met de gevolgen van de afkoop en de finale kwijting. Klagers jarenlange pogingen om een vergoeding te krijgen van de kopers en/of de bouwer maken niet dat (steeds) een nieuwe vervaltermijn is gaan lopen. Een vervaltermijn kan niet worden gestuit.
5.7 De raad heeft de klacht van klager daarom niet-ontvankelijk verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager is het niet eens met de beslissing van de raad. Klager voert aan dat zijn klacht ontvankelijk is, omdat bedrijven geen eigen wetten mogen maken. Volgens klager kan het niet zo zijn dat verweerder misdaden begaat en daarmee dan door een frauduleuze zelfgemaakte Advocatenwet weg komt. Volgens klager is de zaak voor wat betreft de lakschade en de douchevloer pas in 2018 afgekocht.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf ontvankelijkheid van de klacht
7.1 Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.
Overwegingen hof
7.2 Het hof komt tot het oordeel dat de raad terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de klacht is ingediend buiten de artikel 46g Advocatenwet genoemde termijnen, zodat de niet-ontvankelijkheid van de klacht van klager door het hof wordt onderschreven. Het hoger beroep van klager treft dan ook geen doel en de beslissing van de raad wordt bekrachtigd.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 verklaart het hoger beroep van klager ongegrond en bekrachtigt de beslissing van 14 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-469/DH/RO.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs.
A.R. Sturhoofd en mr. J.E. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 februari 2026.