ECLI:NL:TAHVD:2026:34 Hof van Discipline 's Gravenhage 250179
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 02-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250179 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het betreft hier een hoger beroep van verweerder. Klaagster is advocaat van een huurder, verweerder van een verhuurder. De huur wordt beëindigd omdat het gehuurde wordt verkocht. Huurder en verhuurder spreken af dat de huurder het pand zal verlaten en dat de verhuurder een vergoeding zal betalen, na ontvangst van de koopsom. In deze zaak ligt de vraag voor of verweerder zich in relatie tot klaagster bij de afwikkeling van de gemaakte afspraken onwelwillend heeft opgesteld. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat klaagster verweerder terecht heeft verweten dat hij zich in relatie tot haar onwelwillend heeft opgesteld en heeft verweerder hiervoor een berisping opgelegd. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, maar ziet aanleiding een fors zwaardere maatregel op te leggen dan de raad, te weten een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken. |
Beslissing van 2 februari 2026
in de zaak 250179
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. M.F.H. van Delft advocaat te Leusden
tegen:
klaagster
1 INLEIDING
1.1 Het betreft hier een hoger beroep van verweerder. Klaagster is advocaat van een huurder, verweerder van een verhuurder. De huur wordt beëindigd omdat het gehuurde wordt verkocht. Huurder en verhuurder spreken af dat de huurder het pand zal verlaten en dat de verhuurder een vergoeding zal betalen, na ontvangst van de koopsom. In deze zaak ligt de vraag voor of verweerder zich in relatie tot klaagster bij de afwikkeling van de gemaakte afspraken onwelwillend heeft opgesteld. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat klaagster verweerder terecht heeft verweten dat hij zich in relatie tot haar onwelwillend heeft opgesteld en heeft verweerder hiervoor een berisping opgelegd. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, maar ziet aanleiding een fors zwaardere maatregel op te leggen dan de raad, te weten een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-850/A/A) een beslissing gewezen op 14 april 2025. In deze beslissing is klaagster niet-ontvankelijk verklaard in de klacht zoals overwogen in 5.2 van die beslissing en is de klacht van klaagster, het hof begrijpt voor het overige, gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:68 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing van de raad is op 13 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 december 2025. Daar zijn verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, en klaagster verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de navolgende feiten.
3.2 Aan deze klacht ligt een huurgeschil ten grondslag. De cliënt van verweerder is eigenaar (geweest) van een bedrijfspand (hierna: het pand). De cliënt van klaagster huurde drie ruimtes in het pand. De cliënt van verweerder (hierna ook: de verhuurder) wilde het pand leeg verkopen en wilde in dat verband de huurovereenkomst met de cliënt van klaagster (hierna ook: de huurder) beëindigen.
3.3 Op 13 september 2023 heeft verweerder (in persoon) conservatoir beslag gelegd op het pand voor een bedrag van € 252.000,-.
3.4 Op 1 maart 2024 heeft G Holding B.V. conservatoir beslag gelegd op het pand van de verhuurder voor een bedrag van € 533.300,--. Verweerder is enig aandeelhouder van deze holding. De holding is bestuurder van het kantoor van verweerder.
3.5 Op 1 maart 2024 heeft verweerder klaagster een e-mail gestuurd over de beëindiging van de huurovereenkomst en de gronden daarvoor. Verweerder heeft in zijn bericht onder meer het volgende geschreven:
“(…) Gisteravond heeft uw cliënt echter rechtstreeks naar mijn cliënt een Whatsapp bericht verzonden waarin hij aangeeft van alle gezeur af te willen zijn, mits er een afkoopbedrag van € 50 K wordt gefourneerd.
Namens mijn cliënt laat ik u weten dat cliënt dit voorstel accepteert, mits ook wordt voldaan aan de door uw cliënt in die Whatsapp al gedane toezegging, dat hij zijn spullen dit weekend pakt en bezemschoon oplevert. Afwikkeling vindt plaats via de derdenrekening. (…)”
3.6 Op 5 maart 2024 om 12:44 uur heeft verweerder klaagster een e-mail gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“(…)Tussen partijen is door middel van aanbod en aanvaarding een overeenkomst tot stand gekomen, die op het volgende meer komt:
• De inmiddels opgezegde huur van de 3 kantoorruimten in [het pand] zou ontruimd moeten zijn in het afgelopen weekend, bezemschoon en in goede staat.
• Uw cliënt ontvangt een bedrag van € 50.000,-- zodra de kantoorpanden door uw cliënt zijn ontruimd in vorenbedoelde zin en het pand is overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Het overeengekomen bedrag van € 50.000,-- wordt door de notaris overgeboekt op de derdengeldrekening van mijn kantoor. Na ontvangst daarvan draag ik er zorg voor dat dit wordt overgeboekt op een door u aan te duiden rekening, naar ik aanneem de derdenrekening van uw kantoor. Dat is vanzelfsprekend verbonden aan de voorwaarde dat ik bevestiging heb dat uw cliënt het bedrijfspand daadwerkelijk heeft ontruimd en verlaten. Dat blijkt op heden nog niet geval te zijn.
• Ik voeg hier het volgende aan toe. Er zal gebruik gemaakt worden van de rechten op inverzuimstelling en vervolgens nakoming als ik vandaag niet uw bevestiging ontvang dat uw client daadwerkelijk het geheel heeft ontruimd, c.q. vandaag zal ontruimen. Een deel blijkt al -naar ik begrijp- te zijn weggehaald.
NB: De bevestiging van het feit dat uw client ernstig toerekenbaar is tekort geschoten, zoals verwoord in mijn voorgaand E-mail blijft uiteraard gehandhaafd. Daar zal zonodig een beroep op gedaan moeten worden als uw client deze overeenkomst niet nakomt.
De geplande transportdatum van 4 maart jl is door toedoen van uw client nu enkele dagen verschoven omdat de koper terecht eerst afneemt als de ontruiming een feit is. Daarmede heeft uw zich aansprakelijk gemaakt voor de mogelijke schade die nu ontstaat als ook de kort uitgestelde levering. Ik stel uw client reeds nu voor alsdan aansprakelijk voor de schade die ontstaat door niet nakoming van de overeenkomst tot ontruiming en betaling van € 50 K. Die schade zal aanzienlijk zijn.
NB: U bent uiteraard vertrouwd met de regel dat een tussen advocaten gemaakte afspraak dat als het derdengeld ter beschikking komt voor het afgesproken doel ook daadwerkelijk dient te worden betaald. Dat levert voldoende zekerheid op.
Ik wijs er wellicht ten overvloede op dat uw client dient te voorkomen dat de deze zaak escaleert en tot onnodige juridische strijd aanleiding geeft.
Mocht dit onverhoopt het geval zijn dan zal spoedigste een kort geding tegen client worden aangespannen.
In dit verband verzoek ik U mij reeds nu uw verhinderden voor de komende dagen op te geven.
Ik ga er vooralsnog vanuit dat escalatie wordt voorkomen en dat hier voor de deze voorhand liggende oplossingsrichting wordt voorkomen: nu ontruimen en na transport via de derdenrekening de € 50K aan U transfereren. (…)”
3.7 Op 5 maart 2024 om 17:00 uur, na een telefoongesprek met klaagster, heeft verweerder klaagster onder meer het volgende geschreven:
“Wij hebben vanmiddag de regeling in kwestie besproken en in beginsel overeenstemming bereikt over het navolgende. Ik draag zorg voor een verklaring van de notaris dat er uit de verkoopopbrengst een bedrag van EUR 50.000,-- wordt gestort op de derdenrekening van mijn kantoor, waarmede dit bedrag is gesecureerd. (…)
Nu kan ik u al bevestigen dat er al een afspraak was met de verkoper, de notaris en ik zelve dat de verkoopbrengst op de derdenrekening van mijn kantoor wordt gestort. Ik zie er niets meer tussenkomen. (…)”
3.8 Op 6 maart 2024 om 10:23 uur heeft verweerder klaagster een e-mail gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“(…) Hiermede bevestig ik U de reeds vanmorgen telefonisch aan u gedane mededeling, dat de notaris mij heeft bevestigd dat het in dit mailbericht genoemde bedrag naar ons wordt overgemaakt, mits het transport vandaag kan plaatsvinden.
Daaruit zal het met uw cliënt afgesproken bedrag van € 50.000,-- worden overgemaakt zodra genoemd bedrag alhier is ontvangen. Daarmee is aan uw wens voldaan om dat bevestigd te krijgen.
Wellicht ten overvloede, strikt onderdeel van deze regeling is uiteraard dat uw cliënt hedenmorgen zorg draagt voor algehele ontruiming en bezemschone en schadevrije oplevering. (…)”
3.9 Op 6 maart 2024 om 12:36 uur heeft klaagster verweerder als volgt bericht:
“U heeft mij zowel (gisteren en vandaag) mondeling als schriftelijk uitdrukkelijk toegezegd, bevestigd en gegarandeerd dat u c.q. uw kantoor het overeengekomen bedrag van € 50.000,-- overmaakt op mijn derdengeldrekening (…), onmiddellijk na ontvangst van de gelden overgemaakt door het notariskantoor ovv [naam huurder]. Vanwege uw garantie cq toezegging dat het bedrag van € 50.000,-- op mijn derdengeldrekening wordt overgemaakt heb ik cliënt bereid gevonden het pand VANDAAG te ontruimen.
Partijen verlenen elkaar, na overmaking van het hiervoor genoemd bedrag op mijn derdengeldrekening over en weer finale kwijting.”
3.10 Bij brief van 7 maart 2024 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat de huurder het pand weliswaar heeft verlaten, maar dat dat niet tijdig is gebeurd. Verweerder heeft daarnaast laten weten dat het pand niet schadevrij en in oude staat is opgeleverd.
3.11 In haar reactie van 11 maart 2024 heeft klaagster geschreven dat haar cliënt de afspraken wel degelijk is nagekomen en dat dat ook aantoonbaar is. Klaagster heeft namens haar cliënt ook betwist dat er sprake is van schade aan het gehuurde, veroorzaakt door de cliënt.
3.12 Op 12 maart 2024 om 13.26 uur heeft klaagster verweerder gevraagd te bevestigen dat het bedrag van € 50.000,- naar haar zal worden overgemaakt.
3.13 Op 12 maart 2024 15.50 uur heeft verweerder het volgende aan klaagster laten weten dat de huurder ernstig is tekortgekomen in zijn verplichtingen in verband met de ontruiming van het pand. Verweerder heeft geschreven:
“(…) U begrijpt dat de notaris onder deze omstandigheden niets heeft overgemaakt en er dus ook geen derdengeld is ontvangen. (…)”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij zich in relatie tot haar onwelwillend heeft opgesteld en dat hij daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft beschaamd.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft het navolgende overwogen.
5.2 Klaagster, advocaat van de wederpartij van de cliënt van verweerder, klaagt op eigen titel. Zij klaagt niet (ook) namens haar cliënt. Dit betekent dat zij wel kan klagen over de wijze waarop verweerder haar is tegemoet getreden, maar dat haar niet het (zelfstandige) recht toekomt om te klagen over de wijze waarop verweerder is omgesprongen met de belangen van haar cliënt.
5.3 Voor zover klaagster heeft bedoeld te klagen over het belang dat verweerder in verband met de beslagleggingen had bij, zakelijk weergegeven, de verkoop en opbrengst van het pand, en de informatie die hij daarover heeft verstrekt is klaagster in dat deel van de klacht niet-ontvankelijk. Dat raakt immers aan de belangen van haar cliënt en niet van klaagster zelf.
5.4 De raad wijst er verder op dat de tuchtrechter oordeelt of de beklaagde advocaat betamelijk en zorgvuldig heeft gehandeld. De tuchtrechter oordeelt niet over de onderliggende kwestie. De raad zal in deze zaak dan ook niet ingaan op de exacte inhoud van de onderlinge afspraken tussen huurder en verhuurder en de vraag of deze afspraken stipt en volledig zijn nagekomen.
5.5 De raad is van oordeel dat klaagster verweerder terecht heeft verweten dat hij zich in relatie tot haar onwelwillend heeft opgesteld. Daartoe heeft de raad het navolgende overwogen.
5.6 Op grond van de e-mails van 1 en 5 maart 2024 (hof: zie 3.5 en 3.6) moet worden vastgesteld dat eerst tussen de verhuurder en de huurder een afspraak tot stand is gekomen. Tussen partijen in deze zaak is niet in geschil dat deze afspraak in ieder geval inhield dat de huurder de beëindiging van de huurovereenkomst accepteerde en ontruiming van het gehuurde toezegde. De verhuurder stelde daar een vergoeding van € 50.000,- tegenover.
5.7 Verweerder heeft op 1 maart 2024 aan klaagster bevestigd dat afwikkeling zou plaatsvinden via zijn derdenrekening. Klaagster heeft daar in haar bericht van 6 maart 2024 (hof: zie 3.9) nog aan toegevoegd dat partijen elkaar finale kwijting zouden verlenen nadat het bedrag van € 50.000,- op haar derdenrekening zou zijn gestort. Als onweersproken staat vast dat de afspraken over het veiligstellen van het bedrag van € 50.000,- op een derdenrekening zijn gemaakt in de context van een verhuurder die in financieel zwaar weer verkeerde. Het is dus begrijpelijk dat klaagster en de huurder er rekening mee hielden dat de verhuurder mogelijk geen verhaal zou bieden.
5.8 Gelet op een en ander mocht klaagster er naar het oordeel van de raad van uitgaan dat het bedrag van € 50.000,- hoe dan ook op de derdenrekening van verweerder zou worden bijgeschreven na de levering van het pand aan de koper en na betaling van de koopsom. Zij had immers de toezegging van verweerder dat het bedrag daar zou worden veiliggesteld in afwachting van afwikkeling, oftewel het tot een goed einde brengen van de gehele transactie, van de hele kwestie. Dit betekent naar het oordeel van de raad dat klaagster ervan mocht uitgaan dat het bedrag op de derdenrekening van verweerder in beheer zou komen (en blijven), ook als tussen verhuurder en huurder discussie zou ontstaan over de nakoming van hun onderlinge afspraken. Klaagster mocht ervan uitgaan dat zij met dit deel van de afspraken een extra waarborg had ingebouwd ter bescherming van de belangen van de huurder, namelijk dat de huurder niet geconfronteerd zou worden met een wederpartij die geen verhaal zou bieden.
5.9 Verweerder is met zijn interpretatie van de afspraak over het storten van het bedrag op de derdenrekening aan dit alles voorbij gegaan. Hij heeft zichzelf en zijn cliënt bij uitsluiting zeggenschap gegeven over de vraag of de huurder de afspraak stipt en volledig was nagekomen en of de kwestie was afgewikkeld. Naar het oordeel van de raad heeft hij daarmee de essentie van de afspraak met klaagster over het veiligstellen van het bedrag bij het afwikkelen van de kwestie uitgehold. Het getuigt naar het oordeel van de raad van onwelwillendheid in relatie tot klaagster (en haar cliënt).
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder (zakelijk samengevat)
6.1 De raad heeft verzuimd aan te geven welke concrete gedraging van verweerder kwalificeert als een daad van onwelwillendheid. De raad heeft nagelaten de concrete feiten te benoemen, waarop het oordeel van onwelwillendheid zou berusten. Verweerder wijst in dit verband naar de jurisprudentie - waarin is uitgemaakt dat het moet gaan om concrete gedragingen en noemt daarvan enkele voorbeelden. Verweerder is van mening dat hij zich op geen enkele wijze onwelwillend heeft gedragen jegens klaagster.
6.2 Ten onrechte heeft de raad een oordeel geveld over de feiten door zich uit te laten over de context waarin de afspraken tussen de client van klaagster (huurder) en de client van verweerder (verhuurder) over de beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn gemaakt – terwijl een toetsing van het onderliggende feitencomplex en uitleg daarvan niet ter beoordeling aan de raad voorligt, zoals de raad zelf heeft overwogen. Daarbij komt dat de door de raad weergegeven context van de feiten onjuist is - de raad heeft ten onrechte de feiten aangevuld.
6.3 De raad heeft miskend dat er twee essentiële voorwaarden waren overeengekomen tussen de huurder (de cliënt van klaagster) en de verhuurder (de cliënt van verweerder), te weten (1) tijdige en (2) volledige ontruiming en herstel in de oorspronkelijke toestand en dat die beide voorwaarden niet waren vervuld. Verweerder was daarom niet gehouden zekerheid te doen stellen voor een bedrag van € 50.000,- door bijschrijving van dit bedrag op de derdengeldrekening.
6.4 De raad is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat er geen zekerheid kon worden gesteld ten gevolge van alle conservatoire beslagen - niet is overeengekomen dat de zekerheidstelling zou komen uit het saldo van de opbrengst van de vordering van verweerder.
6.5 Verweerder komt ook op tegen de maatregel, die hij buitenproportioneel en niet gerechtvaardigd acht.
Verweer klaagster
6.6 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep.
6.7 Klaagster heeft aangevoerd dat zij als advocaat moet kunnen afgaan op de juistheid van de mededelingen gedaan door een advocaat wederpartij zodat zij een cliënt juist en volledig kan adviseren. Verweerder heeft klaagster, zowel mondeling als schriftelijk, bevestigd dat er in het kader van de ontruimingsovereenkomst een bedrag van € 50.000,- gesecureerd zou worden op zijn derdengeldrekening ten behoeve van de cliënt van klaagster. Verweerder heeft zich niet aan die afspraak gehouden en heeft klaagster op het verkeerde been gezet, met alle gevolgen van dien.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 In gedragsregel 24 is bepaald dat advocaten in het belang van de rechtzoekende en van de advocatuur in het algemeen streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.
Overwegingen hof
7.3 Het hof stelt vast dat verweerder in hoger beroep niet is opgekomen tegen de vaststelling van de raad dat er tussen de verhuurder en de huurder een afspraak tot stand is gekomen en dat deze afspraak in ieder geval inhield dat de huurder de beëindiging van de huurovereenkomst accepteerde en ontruiming van het gehuurde toezegde en dat de verhuurder daar een vergoeding van € 50.000,- tegenover stelde.
7.4 Het hof is evenals de raad van oordeel dat verweerder klachtwaardig jegens klaagster heeft gehandeld bij de afwikkeling van de kwestie die hun cliënten verdeeld hield en overweegt daartoe als volgt.
7.5 Uit de hiervoor onder de feiten aangehaalde correspondentie volgt dat verweerder op 1 maart 2024 aan klaagster heeft bevestigd dat zijn cliënt (de verhuurder) akkoord is met het fourneren van een afkoopbedrag van € 50.000,- en voorts dat de afwikkeling van dat bedrag plaatsvindt via de derdenrekening.
7.6 In zijn daaropvolgende e-mail van 5 maart 2024 (van 12:44 uur) heeft verweerder de gemaakte afspraken (nogmaals) bevestigd en uiteengezet. Verweerder heeft daarbij onder meer aangegeven dat het bedrag van € 50.000,- na verkoop van het pand van de verhuurder door de notaris zal worden overgemaakt op zijn derdenrekening en dat hij dit bedrag zal overboeken naar (de cliënt) van klaagster als aan de verbonden voorwaarde dat de cliënt van klaagster het bedrijfspand daadwerkelijk heeft ontruimd en verlaten, is voldaan. Daarbij heeft verweerder klaagster gewezen op de regel dat een tussen advocaten gemaakte afspraak ‘dat als het derdengeld ter beschikking komt voor het afgesproken doel ook daadwerkelijk dient te worden betaald en ‘dat dat voldoende zekerheid oplevert’.
7.7 Diezelfde middag stuurt verweerder klaagster nog een e-mail (van 17:00 uur), waarin verweerder aan klaagster toezegt dat de vergoeding van € 50.000,- door de notaris wordt overgemaakt naar de derdenrekening van verweerder. Daarbij heeft verweerder met zoveel woorden gemeld dat dit bedrag daarmee is ‘gesecureerd’.
7.8 Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, verklaard dat met secureren volgens hem is bedoeld: ‘de methode’, als in de wijze waarop de betaling zou geschieden, te weten via de derdenrekening. Volgens klaagster is met secureren bedoeld ‘veiligstellen’, welke definitie naar het oordeel van het hof de algemeen gangbare definitie is en ook past binnen de context van de onderhavige kwestie, waarbij niet in geschil is dat de verhuurder in financieel zwaar weer verkeerde op het moment dat de afspraak tussen klaagster en verweerder over de betaling van de vergoeding van € 50.000,- aan de cliënt van klaagster werd gemaakt.
7.9 Niet gesteld noch gebleken is dat het uitstellen van de transportdatum van 4 maart 2024 naar 6 maart 2024 heeft geleid tot een wijziging van de reeds gemaakte afspraken tussen klaagster en verweerder over de betaling van de vergoeding van € 50.000,- via de derdenrekening van verweerder.
7.10 Het hof stelt voorts vast dat verweerder op 6 maart 2024 aan klaagster heeft medegedeeld dat de notaris heeft bevestigd dat ‘het in dit mailbericht genoemde bedrag’ naar verweerder wordt overgemaakt, mits het transport die dag kan plaatsvinden en dat daaruit het afgesproken bedrag van € 50.000,- zal worden overgemaakt.
7.11 Gelet op de hiervoor gemelde mededelingen van verweerder aan klaagster over de gemaakte afspraken inzake de betaling van de overeengekomen vergoeding van € 50.000,- mocht klaagster er naar het oordeel van het hof op vertrouwen dat deze vergoeding zeker zou worden gesteld ten behoeve van haar cliënt door overmaking van dat bedrag door de notaris op de derdenrekening van verweerder.
7.12 Volgens verweerder is het bedrag van € 50.000,- niet door de notaris aan verweerder overgemaakt, omdat het transport van het pand op 6 maart 2024 door toedoen van de cliënt van klaagster niet is doorgegaan. Dit is door klaagster uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist.
7.13 Wel is vast komen te staan dat verweerder het door hem in persoon gelegde beslag van € 252.000,- heeft geïnd, welk bedrag door de notaris uit de verkoopopbrengst van het pand aan hem in privé is overgemaakt en dat het tweede beslag voor een deel is overgemaakt aan de vennootschap van verweerder. Ter zitting bij het hof is duidelijk geworden dat klaagster niet door verweerder op de hoogte is gesteld van het feit dat hij tot tweemaal toe beslag heeft gelegd op het pand van de verhuurder, terwijl het tweede beslag notabene is gelegd op dezelfde dag (1 maart 2024) dat verweerder aan klaagster de gemaakte afspraken over het ‘zeker stellen’ van de betaling van de vergoeding van € 50.000,- via zijn derdenrekening heeft bevestigd. Het hof is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om jegens klaagster transparant te zijn over de door hem gelegde beslagen, nu die van invloed waren op de verhaalspositie van haar client. Dat beide beslagen, zoals verweerder heeft verklaard, geheel met instemming van en in opdracht van de cliënt van verweerder waren, maakt dit niet anders.
7.14 Het hof is van oordeel dat verweerder door te handelen zoals hij heeft gedaan, zoals hiervoor uiteengezet, zich onwelwillend jegens klaagster heeft gedragen en daarmee ook het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
8 MAATREGEL
8.1 Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een berisping, zoals opgelegd door de raad.
8.2 Verweerder heeft gedragsregel 24 geschonden en daarmee in strijd gehandeld met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder is zijn toezegging om de vergoeding van € 50.000,- via de notaris op zijn derdenrekening zeker te stellen niet nagekomen. Verweerder insinueert dat de notaris niets heeft overgemaakt, terwijl de notaris uit de verkoopopbrengst een bedrag van € 252.000,- aan verweerder in privé heeft overgemaakt, ter aflossing van het door hem gelegde beslag. Verweerder is bovendien jegens klaagster niet transparant geweest over het feit dat hijzelf twee beslagen op het pand van de verhuurder had gelegd, terwijl klaagster daarbij in het kader van de gemaakte afspraken en de advisering van haar cliënt wel belang had. Verweerder heeft met zijn handelen de verkoopopbrengst van het pand naar zich toegetrokken en de cliënt van klaagster zonder betalingszekerheid achtergelaten. Het hof rekent dit verweerder zwaar aan. Verweerder heeft met zijn gedragingen ook het vertrouwen in de advocatuur beschaamd en ook dit raakt aan de kernwaarden.
8.3 Het hof ziet op grond van de voormelde omstandigheden en het tuchtrechtelijke verleden van verweerder, aanleiding om aan verweerder de maatregel op te leggen van een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken, hetgeen het hof passend en geboden acht.
Slotsom
8.4 Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen voor zover het de opgelegde maatregel betreft en, zoals hiervoor overwogen, de maatregel verzwaren en de beslissing van de raad bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 14 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-850/A/A, voor zover aan verweerder de maatregel van berisping is opgelegd;
en doet opnieuw recht:
10.2 legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 4 weken;
10.3 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat 2 maart 2026, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
10.4 bekrachtigt de beslissing van 14 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-850/A/A, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. D. Wachter en M. van Roosmalen , leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 2 februari 2026 .