ECLI:NL:TAHVD:2026:21 Hof van Discipline 's Gravenhage 250140

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:21
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 28-01-2026
Zaaknummer(s): 250140
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Bekrachtiging beslissing raad. Berisping. Verweerder heeft in hoger beroep zijn stelling gehandhaafd dat hij klaagster in een huurgeschil als vriendendienst van advies heeft voorzien. Het hof is, met de raad, van oordeel dat klaagster ervan mocht uitgaan dat verweerder haar als advocaat bijstond. Van verweerder mag als advocaat worden verwacht dat hij vanaf het begin af aan duidelijk is over zijn rol en daarover duidelijk communiceert en correspondeert, zodat daarover geen misverstand kan ontstaan. Dat betekent dat verweerder op het moment dat klaagster zich tot hem wendde ofwel duidelijk had moeten aangeven en bevestigen dat hij als advocaat in de huurkwestie voor haar zou optreden, waarna hij de huurkwestie dan ook met de nodige voortvarendheid had moeten oppakken, ofwel duidelijk had moeten aangegeven dat hij daarvoor niet over de vereiste expertise beschikte, waarna hij klaagster uitdrukkelijk had moeten adviseren een advocaat in te schaken die wel over die expertise beschikte. Niet is gebleken dat verweerder daaraan heeft voldaan. Het hof sluit zich voorts aan bij de overwegingen en conclusies van de raad over de communicatie van verweerder met klaagster en de zorgvuldigheid en voortvarendheid die van verweerder verwacht mochten worden en neemt die over. Verweerder heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, wat hem tuchtrechtelijk te verwijten is.


Beslissing van 26 januari 2026
in de zaak 250140

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster 

1    INLEIDING

1.1    Klaagster had de indruk dat verweerder haar als advocaat bijstond in een huurgeschil en dat hij namens haar actie zou ondernemen ten opzichte van de verhuurder van haar woonruimte. Omdat actie uitbleef heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend. Aan verweerder is door de raad van discipline een berisping opgelegd voor het niet naar behoren communiceren met klaagster en omdat verweerder niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Verweerder is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad van discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft op 24 maart 2025 een beslissing in de zaak tussen klaagster en verweerder gewezen (met zaaknummer 24-625/DB/LI). In deze beslissing is de klacht van klaagster niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op handelen of nalaten van verweerder van voor 26 januari 2021, omdat de klacht in zoverre niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. Voor de periode vanaf 26 januari 2021 is de klacht van klaagster wel ontvankelijk verklaard, en gegrond voor zover de klacht ziet op het verwijt dat verweerder de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd door tekort te schieten in de communicatie met klaagster en na een uitspraak van de Huurcommissie geen concrete actie te ondernemen. Voor het overige is de klacht van klaagster ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:45 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.


Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 19 april 2025 door de griffie van het hof ontvangen. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van klaagster van 25 april 2025, met bijlagen;
-    een e-mail van klaagster van 3 juni 2025, met bijlagen. 
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 28 november 2025. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen. Klaagster is ter zitting bijgestaan door de heer [X]. Klaagster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.


3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2    In 2016 heeft verweerder rechtsbijstand aan klaagster verleend in een huurgeschil en in dat verband gecorrespondeerd met de advocaat van de verhuurder van klaagster.

3.3    In 2020 heeft klaagster zich, naar aanleiding van door haar geconstateerde gebreken aan haar woning, tot verweerder gewend. Zij heeft verweerder benaderd via Whatsapp. Op 29 april 2020 heeft klaagster een door haar van de verhuurder ontvangen brief doorgestuurd aan verweerder met het verzoek een afspraak in te plannen. Klaagster heeft ook foto’s aan verweerder toegestuurd. Verweerder heeft daarop aangegeven: “Op dit moment doe ik alles telefonisch”.

3.4    Op 10 juni 2020 heeft klaagster aan verweerder gevraagd: “Ik heb ook geen reactie op mijn huurbazin gehad van je….?” Verweerder heeft hierop gereageerd: “Huurkwestie ben ik mee bezig”.

3.5    Op 18 september 2020 heeft klaagster wederom een van haar verhuurder ontvangen brief aan verweerder doorgestuurd met het verzoek om haar te adviseren. Verweerder heeft hierop gereageerd: “Ga het eens nakijken komende week”.

3.6    Op 21 oktober 2020 heeft klaagster aan verweerder gevraagd: “Heb je nog iets ondernomen naar [verhuurder] ivm de gebreken?” Verweerder heeft hierop gereageerd: “Mbt gebreken lijkt me het beste als je de huurcommissie inschakelt. Dan hebben we hard bewijs.”

3.7    Op 18 maart 2021 heeft klaagster aan verweerder gevraagd: “Zou je een brief voor me willen opstellen voor de huurbaas. De verwarmingsketel functioneert niet meer omdat hij mss wel 30 jaar oud is we douchen met lauw water (…) Er moet in de brief ook iets staan over de schimmel in huis dat dat ook aangepakt moet worden. (…)” Verweerder heeft hierop gereageerd: “Bellen straks ff”.

3.8    Op 23 september 2021 heeft klaagster verweerder als volgt bericht: “Je weet dat mijn huurbaas een niet zo nette vrouw is waar ze ons mee bedreigt. Ondertussen loopt er al een tijdje een zaak tegen haar bij de huurcommissie die ik heb ingediend ivm alles dat in dit huis speelt. Vandaag stuurde ze mij een mail maar ik wil ook niet meer geïntimideerd worden omdat ze drugs gebruiken. Je hebt al eens aangegeven via een brief naar haar advocaat dat alles via jou zal verlopen en toch is ze zo brutaal blijft ze me lastig vallen. (…) Mss wil je haar een mail sturen dat ze mij niet lastig valt ook niet via mail? Ik wacht wat de huurcommissie gaat doen en hoop dat er uiteindelijk rust komt.”

3.9    Op 19 april 2022 heeft de Huurcommissie onderzoek gedaan naar de door klaagster gemelde onderhoudsklachten. In een rapport van onderzoek heeft de Huurcommissie geconcludeerd dat de woonruimte ernstige gebreken had in de Categorie C. In een uitspraak van 27 juni 2022 heeft de Huurcommissie de huurprijs van € 630,60 per maand verlaagd tot € 252,24 per maand.

3.10     Op 15 juli 2022 heeft klaagster aan verweerder gevraagd: “Ik heb je gevraagd om een afspraak? Maar krijg geen gehoor van je. (…)” Verweerder heeft hierop gereageerd: “Kun je maandag om 11.30”. Klaagster heeft hierop gereageerd: “Perfect!Tot maandag. Wil je dat ik je alvast huiswerk geef (uitspraak huurcommissie) dan stuur ik je die door. Nee beter dat je geniet van het weekend ik neem m maandag mee”.

3.11     Op 20 september 2022 heeft klaagster verweerder als volgt bericht:
 

“Goedemorgen (…) ik wil je vragen hoe het staat met mijn zaak tegen mijn huurbazin? Zou je niet een berekening maken? En kunnen we nog verder met de uitspraak van de huurcommissie? Omdat de huurcommissie maar een jaar terugwerkende kracht heeft aangeslagen van datum dat ik de klacht heb ingediend. Ik ben 15 juli bij je geweest en heb tot heden niets vernomen van je.”
Nadat klaagster wegens het uitblijven van een reactie van verweerder op 23 en 26 september 2022 rappels heeft gestuurd aan verweerder, heeft hij op 26 september 2022 als volgt gereageerd:
“Sorry tis erg druk hier. Ben er mee bezig. Maar is ingewikkelde materie.”    
                                                                                                          
Klaagster heeft daarop geantwoord:

“Hoe bedoel je ingewikkeld? (…) Je hebt toch een uitspraak van de huurcommissie? Dat is toch wat je nodig had om een punt te hebben? En hoe verder?”
Verweerder heeft hierop gereageerd:
“Dat is ff uitzoeken hoe verder. Dat is niet alledaags voor me.”
Klaagster heeft daarop geantwoord:
“Ik dacht dat dat ook een van je specialisaties was”.
Verweerder heeft hierop gereageerd:
“Ja maar toch. Vergt wat tijd”.
Klaagster heeft daarop geantwoord:
“Hou me op de hoogte. En nu verder?”.
Verweerder heeft hierop gereageerd:
“Doe ik”.

3.12     Op 7 oktober 2022 heeft klaagster verweerder als volgt bericht:
 

“(…) Heb je al een mail kunnen maken voor mijn huurbazin? Met de vordering? Ik heb nog steeds niets vernomen van haar en de situatie is schrijnend met de schimmel en alles.”
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

3.13     Op 20 oktober 2022 heeft klaagster verweerder als volgt bericht:
 

“(…) Kan ik je advies vragen? Wanneer heb je tijd ivm de verhuurster.”
Verweerder heeft hierop gereageerd:
“Kijk straks agenda”.

3.14     Op enig moment heeft klaagster zich voor rechtsbijstand in het huurgeschil tot een andere advocaat gewend.

3.15     Op 26 januari 2024 heeft klaagster een klacht over verweerder bij de deken ingediend.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

Verweerder heeft klaagsters belangen niet naar behoren behartigd.

4.2     Toelichting
Verweerder is onvoldoende duidelijk geweest, heeft onvoldoende reactie gegeven op de situatie van klaagster en heeft haar doorverwezen naar een collega die haar snel afwees. Verweerder heeft klaagster ook niet geholpen met de opkomende klachten in haar woning. Verweerder heeft klaagster geen advies gegeven en haar niet geholpen in een potentieel gevaarlijke situatie.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft over de gegrondverklaring van de klacht het volgende overwogen. 

5.2    Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt dat klaagster en verweerder gedurende meerdere jaren veelvuldig contact met elkaar hebben gehad via Whatsapp en dat daarbij de huurkwestie regelmatig onderwerp van gesprek is geweest. Klaagster heeft de stelling van verweerder dat hij tegen klaagster heeft gezegd dat hij niet thuis was in het huurrecht en dat hij de zaak om die reden niet in behandeling kon nemen, uitdrukkelijk weersproken. Uit de overgelegde stukken blijkt ook niet van een dergelijke mededeling van verweerder aan klaagster. Het komt de raad overigens ook niet aannemelijk voor dat verweerder heeft gezegd dat hij niet thuis was in het huurrecht, nu hij klaagster in 2016 in een ander huurrechtelijk geschil met de verhuurder reeds had bijgestaan.

5.3    Verder heeft de raad overwogen dat vaststaat dat klaagster stukken betreffende het huurgeschil (waaronder foto’s, brieven van de verhuurder en de uitspraak van de Huurcommissie) aan verweerder heeft overhandigd. Ook is naar het oordeel van de raad uit de overgelegde Whatsappberichten genoegzaam gebleken dat medio juli 2022 naar aanleiding van de uitspraak van de Huurcommissie een bespreking tussen klaagster en verweerder heeft plaatsgevonden op verweerders kantoor en dat daarbij is afgesproken dat verweerder met de zaak aan de slag zou gaan. Toen klaagster vervolgens in september 2022 bij verweerder informeerde naar de stand van zaken antwoordde verweerder “Ben er mee bezig”. De raad acht goed voorstelbaar dat op basis van die communicatie en gang van zaken bij klaagster de indruk is ontstaan dat verweerder haar als advocaat in de huurkwestie bijstond en namens haar actie zou ondernemen. Dat verweerder geen opdrachtbevestiging heeft gestuurd en geen toevoeging voor klaagster heeft aangevraagd maakt dit niet anders. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat hij enkel op vriendschappelijke basis hulp wilde bieden aan klaagster en haar niet als advocaat wilde bijstaan, heeft de raad overwogen dat het op zijn weg had gelegen om dit duidelijk met klaagster te bespreken en schriftelijk vast te leggen, maar dat verweerder dit heeft nagelaten. De raad heeft geoordeeld dat klaagster dan ook van verweerder mocht verwachten dat hij als haar advocaat van advies en bijstand zou voorzien.

5.4    De raad heeft vervolgens getoetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De raad heeft vastgesteld dat niet is gebleken van enige concrete actie van verweerder in klaagsters zaak nadat de Huurcommissie op 27 juni 2022 uitspraak had gedaan, terwijl de zaak dit wel verlangde en terwijl klaagster ook meerdere malen op actie heeft aangedrongen. De raad heeft in dit verband verder overwogen dat een advocaat gehouden is de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Van feiten en omstandigheden die voldoende rechtvaardiging vormden voor het gedurende lange tijd ontbreken van concrete actie in klaagsters zaak is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht dat deze de cliënt naar behoren op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren, hetgeen verweerder heeft verzaakt, aldus de raad. 

5.5    De raad heeft geconcludeerd dat verweerder over deze voor klaagster belangrijke kwestie onvoldoende met haar heeft gecommuniceerd en dat hij niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid en voortvarendheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In zoverre is de klacht dan ook gegrond verklaard.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1    Verweerder meent dat de klacht ten onrechte gegrond is verklaard voor wat betreft de handelingen die zijn verricht na 26 januari 2021. Verweerder voert daartegen in hoger beroep het volgende aan.

6.2    Verweerder wijst erop dat het webformulier waarmee klaagster haar klacht bij de deken heeft ingediend alleen betrekking heeft op de echtscheidingsprocedure, en dat klaagster van mening is dat verweerder haar in die procedure niet goed heeft bijgestaan. Het standpunt van verweerder is dat de huurkwestie ten onrechte bij de klacht is betrokken, en dat de klacht alleen om die reden al ongegrond is. Desondanks voert verweerder ten aanzien van de huurkwestie het volgende aan.

6.3    Vanaf 2020 heeft verweerder veel contact met klaagster gehad omtrent de problematiek in haar woning. Volgens verweerder hebben hij en klaagster toen duidelijk afgesproken dat verweerder klaagster bij wijze van vriendendienst zou adviseren, maar dat hij in de huurkwestie niet als advocaat zou optreden. Dat is ook de reden dat verweerder voor de huurkwestie geen toevoeging heeft aangevraagd, hij nooit een opdrachtbevestiging naar klaagster heeft gestuurd, hij over de huurkwestie ook nooit brieven heeft verstuurd en hij geen dossier hoefde over te dragen toen klaagster een advocaat had gevonden. Uit de door klaagster overgelegde Whatsappberichten blijkt volgens verweerder ook dat klaagster hem steeds als privépersoon om advies vroeg, en dat verweerder naar aanleiding daarvan zaken voor klaagster heeft uitgezocht en klaagster heeft geadviseerd, waaronder om naar de Huurcommissie te gaan. Verder wijst verweerder erop dat hij klaagster op 26 september 2022 een Whatsappbericht heeft gestuurd waarin stond dat ze een gespecialiseerde advocaat zouden gaan zoeken, en dat hij dat ook meerdere keren telefonisch en tijdens gesprekken op kantoor bij klaagster heeft aangegeven. Volgens verweerder bleef klaagster hem contacteren en om advies vragen, en heeft hij meerdere keren aangegeven dat hij dit soort zaken niet deed. Hij heeft klaagster in 2016 weliswaar kort bijgestaan in een andere huurkwestie, maar daarbij ging het om een huuropzegging, wat volgens verweerder van een heel andere orde is dan deze huurkwestie, waarbij het om gebreken in een woning gaat. Verweerder wijst erop dat klaagster ook steeds aan hem vroeg wat hij vond van advocaten die klaagster wilde benaderen en dat klaagster ook nadat zij een andere advocaat had aangezocht, verweerder om advies bleef vragen, ook ten aanzien van de huurkwestie. Volgens verweerder zou klaagster dat niet hebben gedaan als zij ontevreden was over zijn werkzaamheden. Volgens verweerder was overduidelijk dat het om een vriendendienst ging, was er dan ook geen aanleiding om dit aan klaagster te bevestigen, en is het onjuist dat bij klaagster de indruk is ontstaan dat hij haar belangen als advocaat zou behartigen. 

Verweer klaagster

6.4    Klaagster is van mening dat de beslissing van de raad moet worden bekrachtigd. 


7    BEOORDELING HOF

Klachtomschrijving

7.1     Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de klacht ongegrond is, omdat het webformulier waarmee klaagster haar klacht bij de deken heeft ingediend alleen betrekking heeft op de echtscheidingsprocedure en niet op de huurkwestie. De huurkwestie is volgens verweerder ten onrechte bij de klacht betrokken.

7.2 Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de raad blijkt dat de klachtomschrijving met toelichting bij aanvang van die zitting aan klaagster en verweerder is voorgehouden en dat partijen zich akkoord hebben verklaard met de formulering van de klacht. De beoordeling in hoger beroep vindt plaats op basis van die klachtomschrijving, waarop in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. Het hof heeft desondanks mede acht geslagen op de klachtomschrijving die de deken aan de raad heeft voorgelegd, met de aanbiedingsbrief van 19 juni 2024. In die brief heeft de deken voor de volledige inhoud van de klacht verwezen naar het webformulier en een drietal e-mailberichten met bijlagen van klaagster. Die e-mails hebben mede betrekking op de huurkwestie. De formulering van de klacht door de raad is gebaseerd op de formulering daarvan door de deken in de aanbiedingsbrief. Naar het oordeel van het hof wijkt die niet af van hetgeen waarover klaagster heeft beoogd te klagen en waartegen verweerder zich zowel bij de deken als bij de raad, als nu in hoger beroep, heeft kunnen verweren. Het hof verwerpt de grief over de klachtomschrijving dan ook. 

Bespreking van de overige beroepsgronden 

7.3     Verweerder heeft in hoger beroep zijn stelling gehandhaafd dat hij klaagster in de huurkwestie als vriendendienst van advies heeft voorzien, maar dat hij haar niet als advocaat heeft bijgestaan. In hoger beroep heeft verweerder echter ook erkend dat hij bij klaagster nooit duidelijk heeft aangegeven dat het wat hem betreft om een vriendendienst ging. Het is volgens hem mondeling op kantoor met klaagster besproken, maar niet schriftelijk vastgelegd. Verweerder heeft dat ook als een verbeterpunt voor de toekomst benoemd. Volgens verweerder kan er echter ook op basis van het appcontact geen discussie over bestaan dat het om een vriendendienst ging. Klaagster daarentegen heeft ook in hoger beroep betwist dat verweerder haar heeft meegedeeld dat het om een vriendendienst ging. 

7.4     Het hof stelt vast, net als de raad, dat klaagster en verweerder gedurende meerdere jaren veelvuldig contact met elkaar hebben gehad via Whatsapp en dat de huurkwestie daarbij regelmatig onderwerp van gesprek was. Verder stelt het hof, net als de raad, vast dat klaagster stukken uit het huurgeschil (waaronder foto’s, brieven van de verhuurder en de uitspraak van de Huurcommissie) aan verweerder heeft overhandigd en dat medio juli 2022 op verweerders kantoor een bespreking tussen klaagster en verweerder heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de uitspraak van de Huurcommissie. Verweerder heeft daarover in hoger beroep verklaard dat klaagster de uitspraak van de Huurcommissie had meegenomen en dat hij de uitspraak toen heeft gelezen. Zoals ook de raad heeft overwogen, heeft verweerder vervolgens, toen klaagster in september 2022 naar de voortgang van haar zaak tegen haar huurbazin informeerde, aan klaagster laten weten: “Sorry tis erg druk hier. Ben er mee bezig. Maar is ingewikkelde materie.” Het hof is, met de raad, van oordeel dat op basis van de appcommunicatie zoals daarvan uit het feitenoverzicht blijkt en de omstandigheid dat verweerder klaagster op kantoor heeft ontvangen om de uitspraak van de Huurcommissie te bespreken, bij klaagster de indruk kon en mocht ontstaan, dat verweerder haar als advocaat in de huurkwestie bijstond en namens haar actie richting de verhuurder zou ondernemen. Dat door verweerder voor de huurkwestie geen toevoeging is aangevraagd, hij nooit een opdrachtbevestiging naar klaagster heeft gestuurd, hij over de huurkwestie ook nooit brieven heeft verstuurd en hij geen dossier hoefde over te dragen toen klaagster een advocaat had gevonden, zijn naar het oordeel van het hof geen omstandigheden op basis waarvan die indruk bij klaagster niet kon of mocht ontstaan. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat verweerder stelt klaagster in een appbericht te hebben meegedeeld dat ze een gespecialiseerde advocaat zouden gaan zoeken, en dat ook meerdere keren telefonisch en tijdens gesprekken op kantoor bij klaagster te hebben aangegeven. Het Whatsappbericht van 26 september 2025 waar verweerder naar verwijst houdt in: “Anders zoek ik goede collega. Die dit nog meer doet. Want is erg druk hier.” Klaagster geeft vervolgens aan dat ze liever heeft dat verweerder het doet. Klaagster en verweerder appen vervolgens wat over een andere advocaat, waarna verweerder aangeeft: “Doe me best zsm iets te laten weten.” Van een duidelijke verwijzing naar een vakgenoot omdat verweerder niet over de vereiste expertise zou beschikken om de huurkwestie van klaagster te behandelen is daarbij naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. In later appcontact uit april 2023 laat verweerder weliswaar aan klaagster weten dat hij een paar collega’s heeft benaderd maar dat die geen huurzaken meer doen, waardoor hij er nog mee bezig is. Verweerder stuurt vervolgens nog een link naar de website van een advocatenkantoor aan klaagster, met de mededeling dat klaagster die betreffende advocaat eens kan bellen, maar ook daarbij is van een duidelijke doorverwijzing naar een vakgenoot naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook daarbuiten is het hof van een dergelijke verwijzing niet gebleken, nog los van de vraag of dat tijdig zou zijn, dus voordat bij klaagster de indruk kon en mocht ontstaan dat verweerder haar als advocaat zou bijstaan. Daarnaast heeft klaagster, zoals ook de raad heeft overwogen, de stelling van verweerder dat hij meerdere keren heeft aangegeven dat hij “dit soort zaken” niet deed betwist, en blijkt ook niet uit het dossier dat verweerder een dergelijke mededeling heeft gedaan. In het appgesprek van 26 september 2025 bevestigt verweerder op een vraag van klaagster juist dat het één van zijn specialiteiten is. Klaagster heeft zich uiteindelijk weliswaar tot een andere advocaat gewend voor rechtsbijstand in het huurgeschil, maar dit begrijpt het hof als een wanhoopspoging van klaagster om schot in de zaak te krijgen. Uit het appcontact tussen klaagster en verweerder blijkt immers dat de situatie in de woning van klaagster dringend om actie vroeg en dat het klaagster te lang duurde. 

7.5     Nu het hof aldus, met de raad, van oordeel is dat klaagster ervan mocht uitgaan dat verweerder haar als advocaat bijstond, heeft de raad bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast. Het hof sluit zich daarbij aan en neemt deze over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. Van verweerder mag als advocaat worden verwacht dat hij vanaf het begin af aan duidelijk is over zijn rol en daarover duidelijk communiceert en correspondeert, zodat daarover geen misverstand kan ontstaan. Dat betekent dat verweerder op het moment dat klaagster zich tot hem wendde ofwel duidelijk had moeten aangeven en bevestigen dat hij als advocaat in de huurkwestie voor haar zou optreden, waarna hij de huurkwestie dan ook met de nodige voortvarendheid had moeten oppakken, ofwel duidelijk had moeten aangegeven dat hij daarvoor niet over de vereiste expertise beschikte, waarna hij klaagster uitdrukkelijk had moeten adviseren een advocaat in te schaken die wel over die expertise beschikte. Niet is gebleken dat verweerder daaraan heeft voldaan. Het hof sluit zich voorts aan bij de overwegingen en conclusies van de raad over de communicatie van verweerder met klaagster en de zorgvuldigheid en voortvarendheid die van verweerder verwacht mochten worden en neemt die over.

7.6     Verweerder heeft op grond van het vorenstaande gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, wat hem tuchtrechtelijk te verwijten is. Het hof is dan ook, met de raad, van oordeel dat de klacht gegrond is.

8     MAATREGEL

Het hof ziet geen aanleiding een andere maatregel op te leggen dan de door de raad opgelegde maatregel van berisping en zal de beslissing van de raad daarom ook ten aanzien van de maatregel bekrachtigen.

9     PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof de beslissing van de raad waarbij een maatregel is opgelegd bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                 
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair); 

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10     BESLISSING

Het hof van discipline:

10.1 bekrachtigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 24 maart 2025 van de raad van discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-625/DB/LI;

10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J.C.A.T. Frima, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en                   G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026. 
                      
griffier                                                voorzitter             

De beslissing is verzonden op 26 januari 2026.