We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:209 Hof van Discipline 's Gravenhage 240360

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:209
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 07-07-2026
Zaaknummer(s): 240360
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Het hof is niet gebleken dat verweerster een ondermaatse verdediging heeft gevoerd, dan wel anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens klaagster. Bij de beëindiging van haar werkzaamheden voor klaagster heeft verweerster in lijn gehandeld met gedragsregel 14. Het hof bekrachtigt de raadsbeslissing waarin de klacht van klaagster ongegrond is verklaard.

Beslissing van 6 juli 2026 
in de zaak 240360

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klaagster


tegen:


verweerster

gemachtigde: mr. Th. Felix

1    INLEIDING

1.1  Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. De klachten van klaagster hangen samen met de kwaliteit van de dienstverlening door verweerster. Het hof is niet gebleken dat verweerster een ondermaatse verdediging heeft gevoerd, dan wel anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens klaagster. Bij de beëindiging van haar werkzaamheden voor klaagster heeft verweerster in lijn gehandeld met gedragsregel 14. Het hof bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) die de klacht van klaagster ongegrond heeft verklaard.

1.2   Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 24-261/A/A) een beslissing genomen op 11 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:194 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 11 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad;
-    nagekomen stukken van klaagster van 17 oktober 2025 en 30 april 2026.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld op de openbare zitting van 27 oktober 2025. Daar zijn klaagster, verweerster en haar gemachtigde verschenen. Tijdens de zitting heeft klaagster een verzoek tot wraking ingediend tegen de leden van de behandelend kamer van het hof (mrs. J.D. Streefkerk, A.R. Creutzberg en M. van Roosmalen) waarna de zitting is geschorst. 
De wrakingskamer van het hof heeft het wrakingsverzoek van klaagster bij beslissing van 
5 december 2025 ongegrond verklaard. De zitting in de hoofdprocedure is voortgezet op 11 mei 2026 in een, op de voorzitter na, andere samenstelling van het hof. Na aanvang van die zitting heeft klaagster opnieuw een verzoek tot wraking van de leden van de behandelend kamer van het hof ingediend. Na een korte schorsing heeft het hof het wrakingsverzoek van klaagster buiten behandeling gesteld op grond van artikel 3.1 onder a en i van het wrakingsprotocol van het hof zoals dit geldt vanaf 9 januari 2026. Vervolgens is de behandeling van de hoofdzaak voortgezet. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1  Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2  Verweerster heeft klaagster als advocaat bijgestaan in een strafzaak.

3.3. In een e-mail van 20 januari 2023 heeft verweerster aan klaagster de aan haar verleende opdracht bevestigd. Daarin staat, voor zover relevant, het volgende:

    “Op 11 mei 2023 vindt uw zitting plaats. Wij hebben voorlopig afgesproken dat ik daar namens     u het woord zal voeren. Ik zal uw medische geschiedenis naar voren brengen en uitleggen welk     onrecht u is aangedaan. U wilde antwoorden op prangende medische vragen en heeft die niet     gekregen. U erkent het hierdoor sturen van (veel) mails waarvan een aantal met negatieve     inhoud en begrijpt dat dit juridisch gezien onder stalking valt. Daartegen zal door mij dan ook     geen juridisch verweer worden gevoerd.”

3.4  Bij e-mail van eveneens 20 januari 2023 heeft klaagster aan verweerster bericht dat zij hiermee akkoord was.

3.5 In een e-mail van 3 april 2023 heeft verweerster aan klaagster onder meer het volgende geschreven:

“Afspraken lijn verdediging

1. Ik heb aangegeven dat ik geen heil zie in mediation, gelet op jouw standpunt in deze zaak en heb aangegeven dat je een andere advocaat moet zoeken als je dit toch wil proberen. Je hebt aangegeven dit te begrijpen. Ik heb ook aangegeven dat ik niet op voorhand rechters of officieren wantrouw en zal wraken, en dat de zaak juist vanwege mogelijke belangenverstrengeling van Amsterdam naar Noord-Holland is gegaan, hetgeen positief is.

2. Je stuurt mij per e-mail een tijdlijn met daarin een samenvatting van alle dingen die zijn gebeurd en die ik mee moet nemen in de verdediging (voor 21 april).

3. Ik stuur jou de pleitnota (voor 10 mei). Ik zal geen juridisch verweer op de stalking voeren,  maar de rechter verzoeken maximaal een voorwaardelijke straf op te leggen, omdat je zelf al zo zwaar gestraft bent door de situatie.

4. Op 10 mei hebben we telefonisch contact ter afstemming van eventuele aanpassingen.

5. Op 11 mei zal ik namens jou naar de zitting gaan en de pleitnota voordragen.

6. Ik informeer je na afloop over hoe het was en we bespreken een eventueel hoger beroep.

Werkwijze

1. We hebben geen contact meer via whatsapp. Je spaart je punten op voor de mail met de tijdlijn die je voor 21 april stuurt. Met steeds losse berichten kan ik te weinig, ik wil me een in keer goed kunnen concentreren als ik je punten lees. Als ik vragen heb, bel ik jou voor 10 mei.

2. We bellen op 10 mei uitgebreid over de zitting.

3. We bellen na afloop over het vervolg.
 

Graag ontvang ik per mail je akkoord op de lijn van de verdediging en werkwijze. Als deze afspraken/werkwijze voor jou niet werken, kan ik je helaas niet bijstaan.”

3.6  In reactie op deze e-mail heeft klaagster op 13 april 2023 aan verweerster geschreven:

“Dat is goed. Ik ben akkoord met jouw strategie.”

3.7 Bij e-mail van 29 april 2023 heeft verweerster klaagster verzocht om uiterlijk 8 mei 2023 de tijdlijn aan haar te sturen omdat zij anders te weinig tijd heeft voor de voorbereiding.

3.8  In reactie op voormelde e-mail heeft klaagster op eveneens 29 april 2023 aan verweerster onder meer het volgende meegedeeld:

    ”Ik denk dat het misschien een beter idee was geweest, als je met mij een ochtend om de tafel  was gaan zitten om dit te schrijven. Dat kon niet omdat ik een toevoeging zaak ben zei je. Dat     snapte ik. (…) Ik ben de hele tijd letterlijk aan het uitschreeuwen van ellende als ik eraan werk.”

3.9  Op 8 mei 2023 heeft verweerster van klaagster de gevraagde tijdlijn ontvangen.

3.10 Bij e-mail van 10 mei 2023 heeft verweerster aan klaagster een concept pleitnota gezonden. Hierop heeft klaagster op dezelfde datum als volgt gereageerd:

    “Perfect. Nogmaals mijn excuses van mijn woorden zojuist. Ik zal er morgen niet bij zijn. Ik wil     wel in hb. Laatste woord krijg je morgenochtend.”

3.11 In de ochtend van 11 mei 2023 heeft klaagster aan verweerster een verzoek tot aanpassing van de pleitnota gezonden. Verweerster heeft in reactie daarop aan klaagster het volgende meegedeeld, voor zover hier van belang:

   “Na veel wikken en wegen heb je mij uiteindelijk zojuist laten weten de keuze te hebben gemaakt  niet naar de zitting te komen. In de bijlage vind je de aangepaste versie van de pleitnota waarin  ik je opmerkingen heb verwerkt. Ik zal op de zitting aangeven waarom je er niet bent: (…). Ik zal namens jou het laatste woord voeren: Welke gynaecoloog (et al) doet een patiënte, een     vrouw dit aan. Ik voel mij achtergelaten alsware na een heel zwaar ongeluk wat door jou en je collegae voorkomen had kunnen worden door de esmya stop te zetten. Of in ieder geval te controleren dat ik het correct gebruikte. Er was geen informed consent daardoor is deze schade en deze situatie veroorzaakt. Hoe er vervolgens op de vrouw is gespeeld is ongekend  traumatisch. Hippocrates draait zich om in zijn graf. Het laatste woord zal daarom in de letselschadezaak zijn, alsmede aan het tuchtcollege.”

3.12  Klaagster heeft diezelfde ochtend aan verweerster geschreven:

    “Akkoord (…). Dank je wel. Uit de grond van mijn hart. Ik ga nu naar de pony’s en bidden dat het je lukt.”

3.13  Op 11 mei 2023 is de strafzaak tegen klaagster door de politierechter te Alkmaar behandeld. Klaagster is door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Verweerster heeft diezelfde dag daartegen hoger beroep ingesteld.

3.14  In een e-mail van eveneens 11 mei 2023 heeft verweerster vervolgens het volgende, voor zover hier van belang, aan klaagster meegedeeld:

“Vandaag is je strafzaak behandeld. De rechter heeft een taakstraf van 150 uren en een     voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren en 
als enige bijzondere voorwaarde een contactverbod met (…). Dat betekent dus geen verplicht
reclasseringstoezicht. Op jouw verzoek heb ik hoger beroep ingesteld, omdat je het niet eens     bent met de straf. De zaak zal dus tzt door het gerechtshof opnieuw worden behandeld. Op de zitting heb ik uitgelegd waarom je er niet was (zoals eerder afgesproken per mail), heb ik de laatste versie van de pleitnota voorgedragen en het laatste woord namens jou gevoerd (versie     hieronder). Zodra het vonnis en het verslag van de zitting er zijn, zal ik die naar je sturen. Ik bel     je later vandaag om eventuele vragen te beantwoorden.”

3.15 Bij e-mail van 13 mei 2023 heeft klaagster aan verweerster om een kopie gevraagd van het formulier waarin het hoger beroep is ingesteld.

3.16  In een e-mail van 14 mei 2023 heeft verweerster vervolgens het volgende, voor zover hier van belang, aan klaagster meegedeeld:

    “Hierbij stuur ik je de akte van het instellen hoger beroep: daarop kun je zien dat ik dit op 11     mei (…) heb ingesteld. Daarnaast heb ik dit weekend nagedacht en besloten je niet bij te staan in de behandeling van het hoger beroep. Ik heb alles uit de zaak gehaald wat er volgens mij inzat. Je krijgt in hoger beroep een nieuwe kans en daarbij hoort een nieuwe advocaat met een     frisse blik. (…) Je hoeft overigens niet binnen no-time een nieuwe advocaat te vinden, omdat in     de komende maanden nog niets van je wordt verwacht. Rest mij je veel succes te wensen in je     zoektocht naar rechtvaardigheid. Ik hoop dat je de antwoorden vindt die je zoekt.”

3.17  In de avond van 14 mei 2023 heeft klaagster twee e-mails aan verweerster gezonden waarin zij haar ongenoegen over de behandeling van haar zaak door verweerster heeft geuit.

3.18  In reactie daarop heeft verweerster bij e-mail van 15 mei 2023 aan klaagster meegedeeld dat zij het vervelend vindt dat klaagster ontevreden is over haar rechtsbijstand en dat het nog een aantal maanden duurt voordat het hoger beroep zal worden behandeld. Verder heeft verweerster in die e-mail het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld:

    “Wat wel zo is, is dat eventuele verzoeken om getuigen te horen nu al kunnen worden gedaan.     Indien deze binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep worden gedaan aan de     rechtbank (bij appelschriftuur), zal het hof deze verzoeken behandelen met de maatstaf of het     in het belang van de verdediging is dat de getuige wordt gehoord. Voor latere verzoeken aan     het hof geldt een strenger criterium. Het is dus, indien je getuigen wilt horen in hoger beroep,     raadzaam dit binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep (11 mei 2023) te doen. Ik raad     je aan (ook) dit met de nieuwe advocaat te bespreken.”

3.19  Bij e-mail van 16 mei 2023 heeft klaagster het volgende aan verweerster meegedeeld.

    “Het feit dat je dit nu doet. Ook wat betreft de getuigen. Hoe moet ik dat nu gaan regelen in drie     dagen?! Het typeert hoe je met mij bent omgegaan. Notabene gaat het om getuigen verklaringen die jij dus eerder weigerde op te tekenen. En nu: Mij zo erbij laten zitten. Echt een held ben je.”

3.20  Op 29 juli 2023 heeft klaagster de onderhavige klacht tegen verweerster ingediend.


4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.

a)  het voeren van een ondermaatse verdediging door te weigeren getuigenverklaringen op te tekenen, door te weigeren het medicijn te noemen en door het niet gebruiken van aanwezig bewijsmateriaal;

b)   het geven van een verkeerd advies door klaagster te adviseren niet bij de zitting aanwezig zijn;

c)   het neerleggen van de verdediging twee weken voor het verstrijken van de hoger beroepstermijn met de wetenschap van de kwetsbaarheid van klaagster en het niet tijdig aan klaagster melden van – en haar op het verkeerde spoor zetten inzake – de termijn voor het indienen van onderzoekswensen en grieven;

d)   het opzettelijk traineren van de zaak;

e) geen enkel onderzoek doen om te kijken of een rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond kon worden aangevoerd.

5    BEOORDELING RAAD

De Raad van Discipline heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Klachtonderdelen a) en e)

5.1 De raad heeft vastgesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster steeds met klaagster de te volgen strategie heeft besproken en dat klaagster daarmee ook steeds heeft ingestemd. Zo heeft verweerster in de opdrachtbevestiging van 20 januari 2023 gemeld dat klaagster begreep dat haar handelen juridisch onder stalking valt en dat is afgesproken dat daartegen geen verweer zal worden gevoerd. Klaagster heeft in reactie daarop in een e-mail van 20 januari 2023 meegedeeld akkoord te zijn met voormelde opdrachtbevestiging. Vervolgens heeft verweerster in een e-mail van 3 april 2023 nadere afspraken over de lijn van de verdediging neergelegd. Ook met de daarin opgenomen strategie heeft klaagster ingestemd. Ten slotte heeft verweerster op 10 mei 2023 aan klaagster de concept-pleitnota gestuurd. Klaagster heeft in reactie daarop een aantal aanpassingen voorgesteld, die verweerster heeft overgenomen.

5.2  De raad heeft geoordeeld dat verweerster voldoende heeft toegelicht waarom zij in de zaak van verweerster de mogelijke medische missers niet als rechtvaardigingsgrond naar voren heeft gebracht, maar enkel heeft gekozen voor een strafmaatverweer. De raad zag onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerster met die strategie niet heeft gehandeld zoals dat van een redelijk en bekwaam handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, temeer nu, zoals hiervoor weergegeven, verweerster die strategie met klaagster heeft besproken en klaagster daarmee steeds heeft ingestemd. Dat de advocaat die klaagster in hoger beroep bijstaat kennelijk wel een schulduitsluitingsgrond ter verdediging aanvoert en wel de gestelde medische missers naar voren brengt, maakt dit niet anders. De klachtonderdelen a) en e) zijn daarom ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.3 Verweerster heeft aangevoerd dat zij aanvankelijk inderdaad het advies aan klaagster had gegeven om niet op de zitting van de politierechter aanwezig te zijn, omdat het haar inschatting was dat de zitting door klaagster mogelijk als zeer onprettig zou worden ervaren omdat zij daar dan geconfronteerd zou kunnen worden met de aangever in de zaak. Verweerster stelt dat zij echter naarmate de zaak vorderde en zij klaagster beter leerde kennen, aan klaagster heeft meegedeeld dat het aan klaagster zelf was om te beslissen of zij wel of niet op de zitting aanwezig zou zijn en dat het uiteindelijk de keuze van klaagster zelf is geweest om niet op zitting te verschijnen.

5.4 Uit de e-mail die klaagster op 10 mei 2023 aan verweerster heeft gestuurd en de e-mail die verweerster op 11 mei 2023 aan klaagster heeft gestuurd blijkt voldoende, zoals door verweerster aangevoerd, dat het uiteindelijk de keuze van klaagster zelf is geweest om niet op de zitting van de politierechter aanwezig te zijn. Bovendien blijkt uit de e-mail die verweerster op 11 mei 2023 aan klaagster heeft gezonden, dat verweerster op zitting van de politierechter heeft toegelicht waarom klaagster niet aanwezig was. Ook klachtonderdeel b) is daarmee ongegrond verklaard door de raad.

Klachtonderdeel (c)

5.5 De raad heeft bij dit klachtonderdeel voorop gesteld dat het een advocaat vrij staat om de werkzaamheden te beëindigen. Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij daartoe zelfs gehouden. Wel dient de advocaat die beslissing zo tijdig mogelijk kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te nemen stappen, zodat de cliënt van de onttrekking zo min mogelijk schade ondervindt.

5.6 De raad is van oordeel dat de stelling van verweerster dat er op 14 mei 2023 sprake was van een vertrouwensbreuk voldoende wordt ondersteund door de e-mails die klaagster op 14 mei 2023 aan verweerster heeft gestuurd en door hetgeen klaagster in de onderhavige procedure heeft aangevoerd. Klaagster vindt immers dat de strategie die verweerster in eerste aanleg heeft gevoerd niet de juiste was. Verweerster heeft dan ook op goede gronden haar werkzaamheden beëindigd. Tevens heeft de raad de stelling van verweerster gevolgd dat zij daarbij zorgvuldig heeft gehandeld. Op 11 mei 2023 had verweerster immers namens klaagster hoger beroep ingesteld. Die termijn was dus door verweerster reeds veilig gesteld toen zij haar werkzaamheden beëindigde. Daarnaast heeft verweerster klaagster er op 15 mei 2023 op gewezen dat zij binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep eventueel een verzoek kon doen om getuigen te horen. Die termijn liep op dat moment dus nog tot 25 mei 2023 en kon door een andere advocaat nog worden benut. Ook klachtonderdeel c) is ongegrond verklaard door de raad.

Klachtonderdeel d)

5.7 Voor zover klaagster bij dit klachtonderdeel doelt op de omstandigheid dat haar zaak niet door de politierechter in Amsterdam maar in Alkmaar is behandeld, is dat een omstandigheid die verweerster niet is aan te rekenen. Uit hetgeen klaagster zelf ter zitting heeft aangevoerd blijkt immers dat dit gelegen was in de omstandigheid dat de partner van de persoon die aangifte tegen klaagster had gedaan werkzaam is in het arrondissement Amsterdam. Ook klachtonderdeel d) is ongegrond verklaard door de raad.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

6.1    Klaagster is het niet eens met de overweging van de raad dat zij heeft ingestemd met het enkel voeren van een strafmaatverweer. Klaagster is van mening dat verweerster haar kant van het verhaal niet heeft willen bestuderen alvorens te besluiten tot alleen een strafmaatverweer te komen. Klaagster stelt dat zij als leek nog nooit van een strafmaatverweer, een schulduitsluitingsgrond of een bewijsverweer had gehoord. Verweerster had dit expliciet moeten vermelden. Het voelt voor klaagster nu niet als een eerlijk proces. Klaagster stelt dat verweerster heeft geweigerd stukken van haar te ontvangen. Klaagster voelt zich misleid, bedrogen middels een opzettelijk vaag gehouden opdrachtbevestiging. Klaagster stelt dat verweerster misbruik heeft gemaakt van haar PTSS door te dreigen en angst aan te jagen.

6.2    Klaagster is het niet eens met de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c). Volgens klaagster heeft verweerster achter de schermen kennis tegen haar gebruikt. Verweerster wist dat klaagster erg lijdt onder de PTSS en dat een wissel van advocaat voor klaagster erg belastend zou zijn. Klaagster is van mening dat er sprake is van een subtiel spel van traineren door verweerster. 

6.3    Voorafgaand aan de openbare zitting op 27 oktober 2025 heeft klaagster het hof verzocht te bepalen dat verweerster inzage geeft in haar cliëntdossier zodat zij haar klacht nader kan onderbouwen. 

6.4    Tijdens de zitting op 11 mei 2026 heeft klaagster aanvullend aangevoerd dat het handelen van verweerster in strijd is met de kernwaarden advocatuur (artikel 10a lid 1 Advocatenwet) en de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet. 

Verweer verweerster

6.5    Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.  


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.


Overwegingen hof

Klachtonderdelen a) en e) 

7.3    Het hof ziet aanleiding de klachtonderdelen a) en e) tegelijk te behandelen omdat deze beide onderdelen betrekking hebben op de kwaliteit van de dienstverlening door verweerster.
 
7.4    Verweerster is in haar opdrachtbevestiging naar klaagster duidelijk geweest over de strategie die zij in de zaak van klaagster zou gaan volgen, te weten het uitsluitend voeren van een strafmaatverweer. Klaagster heeft daar schriftelijk mee ingestemd op 20 januari 2023. 

7.5    De strategie van het strafmaatverweer heeft verweerster nader uitgewerkt in een e-mailbericht van 3 april 2023 (waarmee klaagster op 13 april 2026 schriftelijk heeft ingestemd) en haar concept-aantekeningen voor de zitting op 11 mei 2023 (waarmee klaagster op 10 mei 2023 schriftelijk heeft ingestemd). Voor de onderbouwing van het strafmaatverweer had verweerster informatie nodig van klaagster, onder andere over haar persoonlijke situatie. Hoewel klaagster die informatie voor 21 april 2023 zou verstrekken aan verweerster, heeft klaagster dat pas op 8 mei 2023 gedaan – 3 dagen voor de zitting. Desondanks heeft verweerster die late input van klaagster – waar relevant – verwerkt in haar pleitaantekeningen en verweerster de gelegenheid gegeven daar nog op te reageren. Gelet hierop kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten dat zij op het onderdeel van de procesvoering onduidelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld. Een andere processtrategie was wellicht denkbaar geweest, en het hof leidt uit de stukken af dat de opvolgend advocaat van klaagster in hoger beroep ook voor een andere strategie gekozen heeft, doch dat betekent niet dat verweerster om die reden een ondermaatse verdediging heeft gevoerd. 

7.6    Verweerster is vanaf de aanvang van haar werkzaamheden duidelijk geweest over haar strategie en verweerster heeft ook uitgelegd aan klaagster waarom verweerster vond dat met de strategie van het strafmaatverweer het belang van klaagster werd gediend, alsook dat verweerster om die reden de medische component(en) niet in het verweer zou meenemen (klachtonderdeel a) en geen rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond zou aanvoeren (klachtonderdeel e). Voorts blijkt uit het dossier dat verweerster op meerdere momenten schriftelijk te kennen heeft gegeven aan klaagster dat zij ook voor een andere strategie kon kiezen en dat er in dat geval nog voldoende tijd was voor klaagster om een andere advocaat te zoeken. 

7.7    Het hof ziet geen aanleiding om verweerster te gelasten klaagster ter onderbouwing van deze klachtonderdelen inzage te geven in het cliëntdossier van verweerster. Tijdens het onderzoek ter zitting op 27 oktober 2025 is door verweerster toegelicht dat haar dossier bestaat uit het strafdossier van het OM (dat zij heeft overgedragen aan de nieuwe advocaat van klaagster) en de e-mail en Whatsapp-correspondentie tussen verweerster en klaagster (waarover klaagster zelf ook beschikt). Daarom heeft klaagster geen belang bij haar verzoek tot inzage in haar cliëntdossier. Ook overigens is niet gebleken dat verweerster stukken uit het dossier voor klaagster heeft achtergehouden.  

7.8    Het voorgaande betekent dat de tegen deze klachtonderdelen gerichte beroepsgronden van klaagster niet slagen.  
Klachtonderdeel b)

7.9  Verweerster erkent dat zij klaagster aanvankelijk heeft geadviseerd om niet mee te komen naar de zitting. Daartoe achtte verweerster de psychische klachten van klaagster redengevend, alsook de inschatting van verweerster dat de aanwezigheid van klaagster in haar nadeel zou kunnen uitpakken. Gedurende de voorbereiding van de zitting is verweerster op dit advies teruggekomen en heeft zij de keuze om bij de zitting aanwezig te zijn aan klaagster gelaten: in een Whatsapp-bericht van 10 mei 2023 (14.24 uur) heeft verweerster expliciet aan klaagster gevraagd of zij er al over uit is of zij meegaat naar de zitting. Hieruit volgt dat de beslissing van klaagster (later op diezelfde dag) om niet bij de zitting aanwezig te zijn de eigen keuze van klaagster is geweest. Dat klaagster zich in haar beslissing om niet naar de zitting te gaan mogelijk heeft laten leiden door het eerdere (en later ingetrokken) advies van verweerster, kan het hof niet vaststellen nog daargelaten dat een advies om niet ter zitting te verschijnen niet een verkeerd advies hoeft te zijn. Ook de tegen dit klachtonderdeel gerichte beroepsgronden treffen geen doel. 

Klachtonderdeel c) 

7.10 Verweerster heeft op dezelfde dag waarop de uitspraak in de strafzaak van klaagster werd gedaan (11 mei 2023) op verzoek van klaagster hoger beroep ingesteld. Op 14 mei 2023 heeft verweerster schriftelijk aan klaagster laten weten haar niet in hoger beroep bij te zullen staan en haar besluit ook toegelicht. Op 15 mei 2023 heeft verweerster klaagster aanvullend – op basis van bestaande rechtspraak van de Hoge Raad – nog geïnformeerd dat het gerechtshof een verzoek om getuigen te horen aan een ander, minder strikt criterium toetst als dit verzoek wordt gedaan binnen 14 dagen nadat hoger beroep is ingesteld en haar nieuwe advocaat dit voor haar kan doen. 

7.11  Verweerster heeft volgens het hof niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door op deze wijze haar werkzaamheden voor klaagster te beëindigen. Het feit dat verweerster klaagster nog heeft gewezen op de verschillende toetsingscriteria bij het gerechtshof van een verzoek tot het horen van een getuige is in lijn met wat van een zorgvuldig handelend advocaat verwacht mag worden. Mogelijk heeft klaagster zich overvallen gevoeld door de onttrekking van verweerster als haar advocaat,  maar daar staat tegenover dat klaagster op 14 mei 2023 aan verweerster heeft geschreven dat zij al van plan was een andere advocaat te zoeken. Gelet hierop en op de moeizame communicatie tussen partijen acht het hof de onttrekking door verweerster niet onbegrijpelijk. Verweerster heeft met haar handelwijze in ieder geval niet in strijd gehandeld met gedragsregel 14 of een andere tuchtrechtelijke norm. 

Klachtonderdeel d) 

7.12     Op basis van hetgeen klaagster heeft aangevoerd en de stukken in het dossier ziet het hof geen enkel aanknopingspunt voor de klacht van klaagster dat verweerster de behandeling van haar zaak heeft getraineerd. Ook in zoverre treft het beroep van klaagster geen doel.  

Slotsom 

7.13 Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van klaagster tegen de beslissing van de raad niet slaagt. Het hof zal daarom de beslissing van de raad bekrachtigen. 


8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:


- bekrachtigt de beslissing van 11 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 24-261/A/A.


Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 6 juli 2026.