We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:208 Hof van Discipline 's Gravenhage 250349

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:208
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 06-07-2026
Zaaknummer(s): 250349
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad van discipline in het ressort Amsterdam waarin de klachten van klager ongegrond zijn verklaard. Verweerder heeft geen onduidelijkheid laten bestaan over zijn optreden als advocaat van (mede) de commissarissen van de vennootschappen. Ook is niet gebleken dat verweerder hierover op enig moment onwaarheden zou hebben verkondigd. Van een schending door verweerder van de gedragsregels 8 en 9 is daarom geen sprake. Dat er tussen partijen verschil van inzicht bestond of klager (volgens verweerder) in strijd handelde met gedragsregel 25 betekent niet dat verweerder daarmee gedragsregel 24 schond, dan wel op andere wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.   

Beslissing van 6 juli 2026 
in de zaak 250349

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klager


tegen:


verweerder

gemachtigde: mr. R. le Grand, advocaat te Rotterdam  

1    INLEIDING

1.1    De zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad van discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) waarin de klachten van klager ongegrond zijn verklaard. Verweerder heeft geen onduidelijkheid laten bestaan over zijn optreden als advocaat van (mede) de commissarissen van de vennootschappen. Ook is niet gebleken dat verweerder hierover op enig moment onwaarheden zou hebben verkondigd. Van een schending door verweerder van de gedragsregels 8 en 9 is daarom geen sprake. Dat er tussen partijen verschil van inzicht bestond of klager (volgens verweerder) in strijd handelde met gedragsregel 25 betekent niet dat verweerder daarmee gedragsregel 24 schond, dan wel op andere wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.   

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.    


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-232/A/A) een beslissing genomen op 15 september 2025.  In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:164 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 14 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerder.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 11 mei 2026. Daar zijn klager en verweerder met diens gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten, zoals hierna weergegeven, vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.  

3.2    Klager staat de heer S bij in een geschil met Universiteit Utrecht Holding B.V. en UMC Utrecht Holding B.V. (hierna samen te noemen: de Holdings). S is de voormalig bestuurder van de Holdings. 

3.3    Verweerder, werkzaam bij advocatenkantoor ES, staat de Holdings in dit geschil bij. 

3.4    In een brief van 27 januari 2023 heeft verweerder, namens de Holdings, de heer S in zijn hoedanigheid als voormalig bestuurder van de Holdings, aansprakelijk gesteld voor onder meer onbehoorlijk bestuur. In de aanhef van de brief van 27 januari 2023 staat: 
“Als advocaat van, en derhalve namens cliënten [de Holdings] (…), bericht ik u, [de heer S], als volgt. (…)” 

3.5    Klager en verweerder hebben vervolgens inhoudelijk gecorrespondeerd over de aansprakelijkstelling. Verweerder heeft daarbij steeds uitdrukkelijk gecorrespondeerd namens de Holdings. 

3.6    Bij drie identieke brieven van 21 december 2023 heeft klager zich namens de heer S rechtstreeks gewend tot de drie leden van de Raad van Commissarissen (hierna: de RvC) van de Holdings, te weten: mevrouw B, de heer H en de heer D (hierna te noemen: de Commissarissen). Daarbij is aan de Commissarissen gemeld dat sprake is van wanbestuur door de directie van de Holdings. Klager heeft namens de heer S de Commissarissen gesommeerd om de directie van de Holdings te schorsen. De brieven zijn bij deurwaardersexploot van 22 december 2023 aan de Commissarissen in persoon betekend. 

3.7    Op 17 januari 2024 heeft de heer D gereageerd op de brief van klager. De heer D heeft in de brief aan klager geschreven, voor zover relevant:

“Naar aanleiding van uw brief (d.d. 22 december 2023) aan de Raad van Commissarissen van [de Holdings], informeer ik u als volgt. 

(…) 

U wordt verzocht zich in het vervolg, naar gebruik, te richten tot de advocaten van [de Holdings] [ES NV] (…)”

3.8    Op 18 januari 2024 heeft verweerder klager in een brief verweten dat klager zich rechtstreeks tot de Commissarissen heeft gewend en daarmee gedragsregel 25 zou hebben overtreden. In de brief staat, voor zover relevant: 

“Namens [de Holdings] reageer ik hierbij op uw brief namens [de heer S] van 22 december 2023. (…) 

[De Holdings] en haar bestuurders en commissarissen wijzen enige aansprakelijkheid jegens [de heer S] dan ook af. 

(…) 

Namens [de heer S] heeft u de RvC van [de Holdings] rechtstreeks aangeschreven, per deurwaardersexploot op de huisadressen van de commissarissen. De RvC vormt een orgaan van onze cliënten, [de Holdings]. De RvC is ook de opdrachtgever van het Deloitte-onderzoek. Uw rechtstreekse benadering van de RvC is in strijd met gedragsregel 25. (…)” 

3.9  Op 30 januari 2024 heeft klager in een brief aan verweerder geschreven, voor zover relevant: 

“In uw brief van 18 januari 2024 staat dat het mij op grond van gedragsregel 25 van de gedragsregels advocatuur niet is toegestaan om mij rechtstreeks tot de raad van commissarissen van [de Holdings] te wenden. Dat standpunt roept veel vragen bij mij op. Uit onze correspondentie blijkt niet dat [ES Advocaten] optreedt voor de raad van commissarissen van [de Holdings]. Ook in uw brief van 18 januari 2024 staat dat niet. Anders dan u schrijft, brengt het feit dat u optreedt voor [de Holdings] op zichzelf ook niet mee dat u ook optreedt voor (alle) organen van [de Holdings] (het bestuur, de algemene vergadering en de raad van commissarissen). 

Als u optreedt als advocaat van de raad van commissarissen van [de Holdings], stel ik vast dat u mogelijk in overtreding van gedragsregel 9 bent, op grond waarvan u verplicht bent om er zorg voor te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin u optreedt. Ik herhaal dat u in uw correspondentie met mij nooit heeft meegedeeld dat u optreedt voor de raad van commissarissen. Dat terwijl de positie van de raad van commissarissen vaak aan de orde is gekomen. 

Gelet op het voorgaande sommeer ik u, namens [de heer S], om binnen 2 dagen na dagtekening van deze brief expliciet aan mij mee te delen voor wie u precies optreedt als advocaat en sinds wanneer.” 

3.10  In een reactie hierop heeft verweerder op 12 februari 2024 aan klager geschreven, voor zover relevant: 


“Wij hebben altijd kenbaar gemaakt dat wij optreden als advocaten van [de Holdings], van enige schending van gedragsregel 9 is geen sprake. De Raad van Commissarissen van [de Holdings] fungeerde, binnen zijn taken en verantwoordelijkheid, als opdrachtgever van het Deloitte-onderzoek (zoals u ook bekend was).
 (…)” 

3.11  Op 28 februari 2024 heeft klager in een brief aan verweerder geschreven, voor zover relevant: 

“Mijn herhaalde vraag aan u was of [mr. A] en u optreden voor de door mij aangeschreven leden van de raad van commissarissen, te weten: [de heer H, de heer D en mevrouw A]. 

Dat u optreedt voor [de Holdings] draagt niet bij aan beantwoording van deze vraag. Dat de raad van commissarissen een orgaan van [de Holdings] is, doet niet terzake. Of [de heer S] een rechtsvordering op de commissarissen heeft evenmin. Waar het om gaat is of u voor voormelde natuurlijke personen optreedt. 

Ik vraag het voor de laatste keer: treden [mr. A] en u op voor [de heer H, de heer D en mevrouw A]? Ik verwacht dat u deze vraag met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoordt. 

Totdat u deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, acht ik mij vrij om mij rechtstreeks tot deze natuurlijke personen te wenden. 

(…)”

3.12  Op 1 maart 2024 heeft verweerder aan klager geschreven, voor zover relevant: 

“In reactie op uw brief van 28 februari 2024 bericht ik u als volgt. 

Anders dan u schrijft, doet wel degelijk ter zake dat de Raad van Commissarissen een orgaan is van [de Holdings]. Eveneens doet ter zake dat [de heer S] geen rechtsvordering heeft ten aanzien van individuele commissarissen. Het functioneren van de Raad van Commissarissen, in hoedanigheid van orgaan van [de Holdings], is functioneren van [de Holdings] en is ook uitsluitend aan hen toe te rekenen. Zoals u bekend is, treden wij op als advocaat van [de Holdings] en is de Raad van Commissarissen vanwege zijn toezichthoudende taak ook de opdrachtgever geweest namens [de Holdings] voor het Deloitte onderzoek. [de heer S] staat niet in enige rechtstreekse (rechts)verhouding tot de Raad van Commissarissen van [de Holdings], laat staan tot individuele commissarissen, en moet zich dus tot [de Holdings] – en tot ondergetekenden als hun advocaat – wenden, in plaats van rechtstreeks tot de individuele commissarissen. 

Zoals telefonisch aangegeven, verzoek ik u graag – indien u desondanks een actie tegen individuen doorzet – mij op voorhand de gepretendeerde vorderingen toe te zenden, zodat ik u nader kan informeren over een eventuele domicilie keuze en advocaatstelling.

(…)”

3.13  Op 14 maart 2024 heeft klager de Commissarissen nogmaals per brief rechtstreeks op hun huisadressen aangeschreven. Klager schrijft in de brief, voor zover relevant: 

“(…) 

Per e-mail van 17 januari 2024 heeft [de heer D] meegedeeld dat ‘de Raad van Commissarissen’ geen gevolg geeft aan de sommatie en heeft hij mij verzocht om mij in het vervolg te richten tot advocatenkantoor [ES NV]. De afwijzing van de sommatie is niet inhoudelijk door [de heer D] gemotiveerd. 

Ondanks herhaalde, expliciete, verzoeken heeft [verweerder] (verbonden aan advocatenkantoor [ES NV].) mij tot op heden niet bevestigd voor u ([mevrouw A, de heer H en de heer D]) op te treden. Tegen deze achtergrond herhaal ik, onder voorbehoud van alle rechten en weren, de sommatie van 21 december 2023 en sommeer ik u om binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief de directie van [de Holdings] alsnog te schorsen. In dat verband wijs ik u erop dat u, persoonlijk, onrechtmatig handelt jegens [de heer S] door dat tot op heden na te laten. 
(…)”

3.14  Op 21 maart 2024 heeft verweerder in een brief op voornoemde brief van 14 maart 2024 gereageerd. In de brief heeft verweerder geschreven, voor zover relevant: 

“Zoals bekend treden [mr. A] en ik op als advocaten van (…) [de Holdings], inclusief de Raad van Commissarissen van [de Holdings] (momenteel bestaande uit [de heer D, mevrouw A en de heer H]) . 

Namens de Raad van Commissarissen van [de Holdings] reageren wij hiermee op uw brief van 14 maart 2024 die is gericht aan bovengenoemde leden van de Raad van Commissarissen. 

In weerwil van onze herhaalde berichten aan u, en ook de e-mail aan u van de president-commissaris, [de heer D] d.d. 17 januari 2024, heeft u uw brief van 14 maart 2024 ten onrechte rechtstreeks aan de Raad van Commissarissen toegezonden. Ter zake hiervan behoud ik alle rechten voor. Verdere schendingen van gedragsregel 25 lid 1 zullen niet worden geaccepteerd. (…) 

Voor het geval [de heer S] desondanks een procedure mocht starten tegen de Raad van Commissarissen, kiezen de leden van de Raad van Commissarissen ter zake daarvan woonplaats aan mijn kantoor en verzoek ik u de dagvaarding alsdan aan mijn kantoor uit te brengen. (…)” 

3.15  Bij brief van 22 maart 2024 heeft klager aan verweerder geschreven, voor zover relevant: 

“De inhoud van uw brief van 21 maart 2024 overtuigt niet en draagt uitsluitend bij aan de ernst van uw klachtwaardig optreden. 

1.  Het betreft hier geen ingewikkelde kwestie. Of u treedt op als advocaat voor [de heer D, de heer H en mevrouw A] (hierna: de Commissarissen) of u treedt niet op als hun advocaat. Er zijn geen grijze gebieden of nuanceringen.

2. Ik heb u meermaals erop gewezen dat uw optreden voor [de Holdings] niet automatisch meebrengt dat u ook optreedt voor de Commissarissen en heb u expliciet gevraagd om mijn vraag of u optreedt voor de Commissarissen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. U heeft geweigerd om dat te doen en heeft aanvankelijk, meermaals, volstaan met een herhaling van uw theorie dat uw optreden voor [de Holdings] automatisch betekent dat u ook voor de Commissarissen optreedt. Die theorie is onjuist, wat u ook weet of behoort te weten. 

3.  Ik zie dat u in uw brief van 21 maart 2024 begint te schuiven en voor het eerst stelt dat u optreedt voor [de Holdings] “inclusief de Raad van Commissarissen van [de Holdings] (momenteel bestaande uit [de heer D, mevrouw A en de heer H].”

4.  Waar u eerst uitsluitend stelde dat u optreedt voor de RvC omdat dit een orgaan van [de Holdings] betreft, suggereert u nu – voor het eerst – dat u ook voor de Commissarissen in persoon optreedt, zonder dat u dat expliciet stelt. Uw suggestie bestaat vooral uit een impliciete vereenzelviging tussen enerzijds ‘de Raad van Commissarissen’ (als orgaan) en anderzijds de Commissarissen (als natuurlijke personen). 

5. Die suggestie is natuurlijk onjuist. De vraag blijft: treedt u nu wel of niet op als advocaat van de Commissarissen (als natuurlijke personen)? Dat is geen moeilijke vraag. U diende deze vraag met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Dat weigert u nog steeds. 

6.  Uw continue weigering kan niet anders worden verklaard dan door het feit dat u niet optreedt voor de Commissarissen en mij (dus) bij herhaling (ook in uw brief van 21 maart 2024) onterecht beschuldigd van overtreding van Gedragsregel 25. 

7.  Ik meen mijn goede wil inmiddels wel te hebben getoond door u herhaaldelijk te vragen of u nu wel of niet voor de Commissarissen optreedt. Die goede wil beantwoordt u stelselmatig met vage theorieën, wisselende standpunten en ongefundeerde beschuldigingen aan mijn adres. Ik zal dit alles bij mijn klacht tegen u betrekken. 

(…)”

3.16  Op 22 maart 2024 heeft een kantoorgenoot van verweerder (hierna: mr. A) in een e-mailbericht op voornoemde brief van klager gereageerd. Mr. A heeft hierin geschreven, voor zover relevant: 

“Het is u niet toegestaan nog verdere brieven te sturen naar de leden van de Raad van Commissarissen. U dient zich tot ons te wenden. Wij treden op voor [de Holdings] inclusief de Raad van Commissarissen, wat vanzelfsprekend ook inhoudt dat de commissarissen ter zake hun functioneren als lid van dat orgaan ook door ons worden vertegenwoordigd. Onze eerdere berichten moeten u voldoende duidelijk zijn geweest. Wij sluiten deze discussie nu af, en behouden nadrukkelijk alle rechten voor zoals aangegeven in onze eerdere berichtgeving.”

3.17  Op 4 juli 2025 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken. 


4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:

a)    zich voor te doen als advocaat van de Commissarissen, terwijl hij niet de advocaat is van deze drie natuurlijke personen; 

b)    onduidelijkheid te laten bestaan over zijn optreden als advocaat voor de Commissarissen en de Raad van Commissarissen van de Holdings; 

c)    klager te beschuldigen van overtreding van gedragsregel 25 doordat hij zich rechtstreeks tot de Commissarissen heeft gewend, terwijl verweerder wist dat van een overtreding van deze gedragsregel geen sprake is. 

5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen a) en b) 

5.1    De raad heeft in de inhoud van de klachtonderdelen a) en b) aanleiding gezien deze gezamenlijk te beoordelen nu de verwijten in deze klachtonderdelen er in de kern op neerkomen dat verweerder onduidelijk zou zijn geweest over zijn optreden als advocaat en dat hij hierover ook onwaarheden zou hebben verkondigd. 

5.2    De raad heeft op grond van de inhoud van de overgelegde correspondentie vastgesteld dat verweerder op 12 februari 2024 en op 1 maart 2024, op de vraag van klager of hij ook optrad voor de (individuele) Commissarissen, heeft geantwoord dat hij optrad voor de Holdings, en daarmee ook voor de RvC als orgaan van deze vennootschappen. Verweerder heeft daarbij naar het oordeel van de raad toereikend toegelicht dat deze vraag van klager hem (om die reden) tot dan toe juridisch gezien niet van belang leek. Daarbij heeft verweerder klager in zijn e-mailbericht van 1 maart 2024 ook nog eens expliciet verzocht om, “indien klager desondanks een actie tegen individuen zou doorzetten”, hem op voorhand de gepretendeerde vorderingen zou toezenden, zodat verweerder klager kon informeren over een eventuele domiciliekeuze en advocaatstelling. 

5.3    Nadat klager per brief van 14 maart 2024 de Commissarissen (ook) persoonlijk aansprakelijk had gesteld en het voor verweerder (vanaf toen) duidelijk was dat het klager ook om de personen, en niet om het orgaan van de RvC leek te gaan, is er door (en namens) verweerder eerst op 21 maart 2024 en hierna ook op 22 maart 2024 in voldoende duidelijke bewoordingen aan klager kenbaar gemaakt dat verweerder ook optrad voor deze Commissarissen in persoon. Zo heeft de collega van verweerder, mr. A, in het e-mailbericht van 22 maart 2024 aan klager geschreven: “Wij treden op voor [de Holdings] inclusief de Raad van Commissarissen, wat vanzelfsprekend ook inhoudt dat de commissarissen ter zake hun functioneren als lid van dat orgaan ook door ons worden vertegenwoordigd.”

5.4    Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de raad geen onduidelijkheid laten bestaan over zijn optreden als advocaat van (mede) de Commissarissen en evenmin is de raad gebleken dat verweerder hierover op enig moment onwaarheden zou hebben verkondigd. Van een schending van de gedragsregels 8 en 9 is geen sprake. De klachtonderdelen a) en b) zijn daarom ongegrond verklaard.


Klachtonderdeel c) 

5.5    De raad heeft op grond van het klachtdossier vastgesteld dat verweerder in zijn berichten aan klager steeds heeft toegelicht waarom hij van mening was dat klager gedragsregel 25 schond (namelijk omdat klager - volgens verweerder ten onrechte - de Commissarissen rechtstreeks had aangeschreven). Dat klager het hiermee niet eens was en dat hierover een verschil van inzicht tussen hen bestond, betekent niet dat verweerder gedragsregel 24 zou hebben geschonden of dat hij met de berichten hierover aan klager op enige andere wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond verklaard.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Volgens klager dient de klacht alsnog gegrond te worden verklaard. De raad heeft miskend dat verweerder op 21 december 2023 niet optrad voor de commissarissen, verweerder klager desondanks bij herhaling beschuldigde van overtreding van gedragsregel 25 waarmee verweerder impliceerde dat hij wel voor de commissarissen optrad en daarmee heeft verweerder de collegiale norm van gedragsregel 24 miskend. Samengevat voert klager de volgende beroepsgronden aan. 

Beroepsgrond 1 
6.2    Volgens klager heeft de raad een onjuist beeld van de feiten geschetst als de raad in randnummer 5.6 van de beslissing heeft geoordeeld dat de brieven van 21 december 2023 niet aan de commissarissen waren gericht. Volgens klager was dat wel het geval omdat de brieven zijn geadresseerd aan de individuele commissarissen en op hun huisadres zijn betekend. De overweging van de raad dat verweerder heeft mogen begrijpen dat de brieven van 21 december 2023 gericht waren aan (de RvC als orgaan van) de Holdings is volgens klager niet verdedigbaar. 

Beroepsgrond 2
6.3    Klager vindt de  redenering van de raad in randnummer 5.5 van de beslissing onnavolgbaar. Volgens de raad (randnummer 5.7 van de beslissing) waren de brieven gericht aan de commissarissen. De beschuldiging van verweerder dat klager gedragsregel 25 zou hebben geschonden omdat verweerder ook optrad voor de RvC, moet volgens klager leiden tot het oordeel dat verweerder onduidelijkheid heeft laten bestaan voor wie hij optrad. Dat was namelijk de vraag van klager aan verweerder. Het is dan niet relevant of verweerder die vraag niet relevant leek. 

Beroepsgrond 3 
6.4    Volgens klager kan de door de raad in randnummer 5.5 van de beslissing genoemde e-mail van 1 maart 2024 van verweerder onmogelijk bijdragen aan het oordeel van de raad dat verweerder duidelijk heeft gecommuniceerd voor wie hij optrad. Uit deze e-mail volgt juist dat verweerder wist dat de brieven van 21 december 2023 waren gericht aan de commissarissen en niet aan (een orgaan van) de holdings, aldus klager. 

Beroepsgrond 4
6.5    Volgens klager wordt de conclusie van de raad in randnummer 5.7 van de beslissing gedragen door de randnummers 5.5 en 5.6. Als de beroepsgronden 1 t/m 3 slagen, dan moet ook klachtonderdeel b gegrond worden verklaard, aldus klager.  

Beroepsgrond 5
6.6    Volgens klager heeft de raad ten onrechte gesteld in randnummer 5.10 van de beslissing dat verweerder steeds heeft toegelicht waarom hij van mening was dat klager gedragsregel 25 schond, omdat volgens klager verweerder niet optrad voor de commissarissen. Door jegens klager de indruk te wekken dat verweerder optrad voor de commissarissen en daarom klager ervan beschuldigde dat hij gedragsregel 25 schond, heeft verweerder gedragsregel 24 geschonden. 

Beroepsgrond 6 
6.7    Hoewel de raad dat niet benoemt, gaat klager ervan uit dat de raad het verweer dat klager geen belang heeft bij klachtonderdeel c) ook heeft verworpen (randnummer 5.4 van de beslissing). Klager stelt dat hij ook een eigen belang heeft bij klachtonderdeel c).

Verweer verweerder

6.8    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 
7.2    In gedragsregel 8 staat dat een advocaat zich zowel in als buiten rechte dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten dat die onjuist is. In gedragsregel 9 staat dat een advocaat tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden er zorg voor dient te dragen dat er geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij optreedt.

7.3    Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.


Overwegingen hof

Klachtonderdelen a) en b) 

7.4  Het hof zal deze klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. 

7.5 In tegenstelling tot wat klager in beroep aanvoert, beschouwt het hof de brief van 
21 december 2023, die klager op 22 december 2023 per exploot heeft laten betekenen aan de drie leden van de RvC, als gericht aan hen in hun hoedanigheid van commissaris en niet als privépersoon. Hetgeen klager in deze brief van de commissarissen verlangde, kon uitsluitend gedaan worden door de leden van de RvC als orgaan en niet door hen als individu. Verweerder mocht deze brief (alsook de brief van 14 maart 2024 die klager wederom naar de huisadressen van de commissarissen verstuurde) dan ook beschouwen als te zijn gericht aan de RvC van de Holdings. 

7.6  Op 21 december 2023 was klager ermee bekend dat verweerder sinds januari 2023 als advocaat de Holdings bijstond in hun geschil met de cliënt van klager. Het moet bij klager, over wie de website van het kantoor waar hij in dienst is meldt dat hij is gespecialiseerd in fusies, overnames en herstructurering, als bekend worden verondersteld dat verweerder als advocaat van de Holdings daarmee ook de organen van de Holdings, zoals de RvC, vertegenwoordigt. Reeds hierom faalt het verwijt van klager dat verweerder onduidelijkheid zou hebben laten bestaan of hij ook optrad voor (de leden van) de RvC van de Holdings: als advocaat van de Holdings was verweerder ook de advocaat van de RvC. 

7.7 Daarbij heeft verweerder in zijn brief van 18 januari 2024 klager erop gewezen – voor zover daarover nog onduidelijkheid zou kunnen bestaan bij klager – dat klager zich ook ten aanzien van aangelegenheden betreffende de RvC van de Holdings diende te wenden tot verweerder omdat de RvC als orgaan deel uitmaakt van de Holdings. Op 12 februari 2024 en 1 maart 2024 heeft verweerder dit in zijn correspondentie met klager herhaald.
Dat verweerder in zijn schrijven van 1 maart 2024 klager verzoekt, in het geval de cliënt van klager voornemens is een procedure te entameren tegen de commissarissen in privé, op voorhand de gepretendeerde vorderingen toe te zenden, maakt het voorgaande niet anders. Hieruit volgt niet dat verweerder erkent dat de brief van klager van 21 december 2023 was gericht aan de commissarissen in privé en klager heeft dit ook niet zo mogen verstaan gelet op de duidelijke standpuntbepaling van verweerder in de hiervoor genoemde correspondentie met klager. Verweerder heeft ter zitting van het hof toegelicht dat hij deze opmerking heeft gemaakt met het oog op de belangen van de RvC en haar leden als orgaan van de Holdings, omdat klager van mening bleef dat de brief van 21 december 2023 was gericht aan de commissarissen in privé. 

7.8  Het voorgaande betekent dat de tegen deze klachtonderdelen gerichte beroepsgronden van klager niet slagen. 

Ten aanzien van klachtonderdeel c) 

7.9  Klager had zijn brief van 21 december 2023 (en die van 14 maart 2024) aan (de leden van) de RvC van de Holdings behoren te sturen aan verweerder en niet naar de privéadressen van de commissarissen. Verweerder mocht klager, in zijn correspondentie met klager, daar dan ook op attenderen en benoemen dat klager – door de leden van de RvC rechtstreeks aan te (blijven) schrijven – in strijd handelde met gedragsregel 25. Ook de tegen dit klachtonderdeel gerichte beroepsgronden treffen derhalve geen doel.   

Slotsom 

7.10 Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met de door klager genoemde gedragsregels 8, 9 en 24. Verweerder heeft ook niet anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het hof zal de beslissing van de raad daarom  bekrachtigen. 

7.11  Tot slot merkt het hof nog het volgende op. Het doel van het advocatentuchtrecht is om in het algemeen belang de kwaliteit van de advocatuur te bewaken en te bevorderen. In dat licht bezien dringt de vraag zich op in hoeverre de maatschappij en de beroepsgroep zijn gebaat met het lichtvaardig entameren van een klachtprocedure als de onderhavige. 


8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-bekrachtigt de beslissing van 15 september 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-232/A/A. 


Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.


griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 6 juli 2026.