ECLI:NL:TAHVD:2026:207 Hof van Discipline 's Gravenhage 250430
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:207 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 06-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250430 |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | In deze zaak heeft klager een klacht ingediend over verweerder die in opdracht van de advocaat van klager een cassatieadvies heeft verstrekt. Het hof beslist dat tussen klager en verweerder geen materieelrechtelijke advocaat-cliënt relatie bestaat. Klager heeft daarom geen eigen, rechtstreeks belang bij zijn klacht over verweerder, omdat alle klachtonderdelen betrekking hebben op de werkzaamheden van verweerder voor de advocaat van klager. Het hof verklaart in hoger beroep alle klachtonderdelen alsnog niet-ontvankelijk en vernietigt de raadsbeslissing in zoverre. |
Beslissing van 6 juli 2026
in de zaak 250430
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
gemachtigde: [naam]
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 In deze zaak heeft klager een klacht ingediend over verweerder die in opdracht van de advocaat van klager (mr. B) een cassatieadvies heeft verstrekt. Het hof beslist dat tussen klager en verweerder geen materieelrechtelijke advocaat-cliënt relatie bestaat. De enige opdrachtgever van verweerder is mr. B. Klager heeft daarom geen eigen, rechtstreeks belang bij zijn klacht over verweerder, omdat alle klachtonderdelen betrekking hebben op de werkzaamheden van verweerder voor mr. B. Het hof verklaart in hoger beroep alle klachtonderdelen alsnog niet-ontvankelijk en vernietigt de raadsbeslissing in zoverre.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad van discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-580/A/DH) een beslissing genomen op 3 november 2025. In deze beslissing is één klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard en de overige klachtonderdelen ongegrond.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:205 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 3 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
11 mei 2026. Daar zijn de gemachtigde van klager en verweerder verschenen. Partijen
hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Verweerder heeft dat gedaan aan de
hand van zijn verweerschrift dat hij op 26 januari 2026 heeft ingediend bij het hof
maar dat niet door het hof is ontvangen. Doordat verweerder op deze manier zijn verweer
heeft kunnen toelichten, heeft hij er vanaf gezien om zijn verweerschrift alsnog over
te leggen.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Op 1 maart 2018 is klager bij verstekvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland onder meer veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding van € 10.768,97, te vermeerderen met rente en kosten. Bij vonnis van 16 augustus 2018 is het door klager daartegen ingestelde verzet, grotendeels ongegrond verklaard.
3.3 Klager heeft mr. B opdracht gegeven om namens hem in hoger beroep te gaan.
Bij dagvaarding van 15 november 2018 heeft mr. B namens klager hoger beroep ingesteld
van het vonnis van
16 augustus 2018.
3.4 Nadat de eerste termijn daartoe bijna was verstreken, heeft mr. B uitstel verkregen voor het nemen van een memorie van grieven tot 26 maart 2019. Bij e-mailbericht van 22 maart 2019 heeft mr. B aan klager voorgesteld om een comparitie na aanbrengen te verzoeken. Hiermee heeft klager ingestemd.
3.5 Op 25 maart 2019 heeft mr. B. namens klager verzocht tot het gelasten van een comparitie na aanbrengen danwel een nader uitstel voor het nemen van een memorie van grieven. Beide verzoeken zijn op 26 maart 2019 door de rolraadsheer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het gerechtshof) afgewezen.
3.6 Op 27 maart 2019 heeft mr. B het gerechtshof verzocht om herziening van voormelde beslissing en hem alsnog twee weken te gunnen voor het nemen van een memorie van grieven. Op 28 maart 2019 heeft de rolraadsheer van het gerechtshof ook dit verzoek afgewezen. Aan klager is verval van het recht om een memorie van grieven te nemen verleend. Mr. B heeft klager over een en ander volgens klager niet geïnformeerd.
3.7 Verweerder is cassatieadvocaat. Bij e-mailbericht van 2 april 2019 heeft mr. B verweerder verzocht hem te adviseren over de gang van zaken met betrekking tot het niet tijdig indienen van de memorie van grieven. Afgesproken werd dat verweerder bij wijze van ‘quickscan’ een voorlopige inschatting zou maken over de mogelijkheid en noodzaak van het instellen van een cassatieberoep tegen de rolbeslissingen en tegen de beslissing van de rolraadsheer van 28 maart 2019, en mr. B zou adviseren over andere mogelijkheden waarmee de grieven van klager ter kennis van het gerechtshof konden komen.
3.8 Op 5 april 2019 heeft verweerder aan mr. B een opdrachtbevestiging gezonden, waarin, voor zover relevant, staat:
“Hartelijk dank voor uw verzoek om in de bovengenoemde zaak door middel van een quick
scan te onderzoeken of cassatie kan worden ingesteld tegen de beslissing van de rolraadsheer
van het Hof Amsterdam. Ten vervolge op ons telefonisch contact en uw mailbericht van
2 april 2019 bevestig ik u dat ik u met genoegen in deze cassatiezaak zal bijstaan.
U zond mij het verzetvonnis van 16 augustus 2018, een kopie roluitdraai en diverse
correspondentie. (…)
Ik streef ernaar u voor het einde van deze maand van een kort advies te voorzien over
de vraag of met succes valt op te komen tegen de beslissing van het hof. (…)”
3.9 Bij arrest van 16 april 2019 heeft het gerechtshof klager niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Ook van de inhoud van dit arrest heeft mr. B klager toen niet op de hoogte gesteld.
3.10 In een e-mailbericht van 17 april 2019 heeft verweerder zijn quickscan-advies aan mr. B verstrekt. Verweerder heeft een negatief cassatieadvies aan mr. B gegeven. In het bericht staat, voor zover relevant:
“U vroeg mij om u te adviseren over de mogelijkheid de rolbeslissingen van 26 maart jl. (…) in cassatie met gerede kans op succes aan te vallen. (…) Ik moet u dan ook spijtig genoeg adviseren dat cassatie geen kans van slagen heeft.
Het missen van een termijn, zo kan ik uit mijn beroepsaansprakelijkheidspraktijk bevestigen, is een beroepsfout die iedere advocaat kan overkomen. Daarmee is niet gezegd dat die advocaat ook aansprakelijk is. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat de grieven tot een gunstig arrest zouden hebben geleid. althans dat er een reële kans was geweest op een beter resultaat. Ik kan u daarover desgewenst nader adviseren en u, zou het tot een procedure komen, kunnen bijstaan.
Het is (uw laatste vraag) raadzaam uw verzekeraar op korte termijn te melden dat u
een beroepsfout hebt gemaakt. Wij bespraken al eerder dat u op grond van Gedragsregel
16 lid 2 uw cliënt op de hoogte dient te stellen. (…)”
3.11 Op 19 augustus 2020 is klager door de wederpartij gedagvaard in een schadestaatprocedure.
3.12 Naar aanleiding van deze dagvaarding heeft klager op 19 augustus 2020 aan mr. B (met zijn adviseur mr. D in de cc) gemaild:
“Er was toch Hoger Beroep??”
3.13 In een e-mailbericht van 16 september 2020 heeft mr. B aan klager geschreven, voor zover relevant:
“(…) Zoals jullie weten, zond ik op 27 maart 2019 een fax aan de rolraadsheer van
het [Hof], met het verzoek de rolbeslissing van 26 maart 2019 te herzien en alsnog
een termijn toe te staan van twee weken voor de indiening van de memorie van grieven
in die zaak.
Kort nadien heb ik aan jullie laten weten, dat de rolraadsheer dat verzoek heeft afgewezen.
Er werd geen nadere termijn toegestaan voor het nemen van de memorie van grieven.
Enige tijd later wees het [Hof] een arrest d.d. 16 april 2019, waarbij de niet-ontvankelijkheid
in hoger beroep werd uitgesproken. Tevens werd een proceskostenveroordeling uitgesproken.
De advocaat van de wederpartij zond mij nimmer een bericht, waarbij aanspraak wordt
gemaakt op de betaling van die proceskosten.
Voor zover aan mij bekend, zond ik jullie destijds reeds een kopie van dat gewezen
arrest. Volledigheidshalve treffen jullie het arrest bijgaand nogmaals aan (bijlage).
Een eventuele cassatieberoep had geen zin, nu het een feitelijke beslissing betreft
en geen vormen zijn verzuimd en/of het recht is geschonden. (…)”
3.14 In een brief van 19 februari 2024 heeft de gemachtigde van klager namens klager mr. B aansprakelijk gesteld. Daartoe stelt klager dat hij te laat is geïnformeerd over het arrest van 16 april 2019 en over de gevolgen van dat arrest, waarvan klager pas in de loop van 2020 kennisnam na ontvangst van de dagvaarding in de schadestaatprocedure. Evenmin heeft mr. B klager geadviseerd cassatie in te stellen.
3.15 In een e-mailbericht van 26 april 2024 heeft de verzekeraar van het kantoor van mr. B de aansprakelijkstelling door klager van mr. B afgewezen. In dat bericht heeft de verzekeraar verwezen naar een e-mailbericht van 17 april 2019 van verweerder. De verzekeraar schrijft in dat verband:
“In tegenstelling tot hetgeen [u] stelt heeft verzekerde wel degelijk advies ingewonnen bij een cassatieadvocaat met betrekking tot de mogelijkheden/kansen om cassatie in te stellen. Bijgaand sturen wij u het door verzekerde ingewonnen cassatieadvies van 17 april 2019, waaruit duidelijk wordt dat cassatie geen kans van slagen had.”
3.16 In een e-mailbericht van 3 juli 2024 heeft de gemachtigde van klager aan verweerder te kennen gegeven dat klager de handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk wilde laten toetsen en verweerder namens klager aansprakelijk gesteld. De gemachtigde schrijft in het bericht, voor zover relevant:
“(…) Voor wat betreft de schade merk ik op dat in de eerste plaats uiteraard [mr.
B] voor de gehele schade aansprakelijk is. Maar nu de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar
van [mr. B] de afwijzing van aansprakelijkheid mede heeft gebaseerd op uw negatief
cassatieadvies, ontstaat de situatie dat cliënt zich voor het maken van kosten geplaatst
ziet die hij wellicht niet, of in mindere mate zou hebben hoeven te maken indien u
een juist cassatieadvies zou hebben gegeven. Daar komt bij dat, zo u wel een goed
cassatieadvies zou hebben gegeven, [mr. B] er niet aan zou zijn ontkomen om cliënt
daarvan in kennis te stellen en cassatieberoep te doen instellen. Zou dat cassatieberoep
gegrond zijn bevonden, dan was de zaak procesrechtelijk bezien hersteld, in die zin
dat na cassatie en verwijzing alsnog van grieven gediend had kunnen worden. Bij deze
stand van zaken stelt cliënt zich op het standpunt dat u in ieder geval aansprakelijk
gehouden kunt worden voor de kosten van rechtsbijstand die gemaakt moeten gaan worden
om de aansprakelijkheid van [mr. B] rechtens vast te doen stellen. (…)”
In een e-mailbericht van 16 juli 2024 van verweerder aan de gemachtigde van klager heeft verweerder geschreven, voor zover relevant:
“(…) [mr. B] heeft mij op 2 april 2019 een e-mail gezonden met de voor de vraagstelling relevante stukken en met het verzoek om advies. Het is gebruikelijk dat een advocaat in feitelijke instantie namens zijn cliënt een cassatieadvocaat raadpleegt indien een ongunstige uitspraak wordt gewezen. Er was voor mij niet de minste reden om te veronderstellen dat de opdracht van [mr. B] om te onderzoeken of in cassatie met gerede kans op succes viel op te komen tegen de litigieuze rolbeslissingen, niet de instemming van deze cliënt had of dat ik hem separaat had moeten infomeren. Het tegendeel volgt – anders dan uw opdrachtgever lijkt te menen – ook niet uit het slot van mijn advies van 17 april 2019, waarin ik aangeeft dat [mr. B], voor zover hij dat nog niet had gedaan, zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en uw opdrachtgever dient te informeren over de mijn bevindingen. Als [mr. B] hierin nalatig is geweest, is dat spijtig maar valt mij daarvan geen verwijt te maken. (…)”
3.17 Op 20 augustus 2024 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat:
a) hij zonder medeweten en toestemming van klager een cassatieadvies heeft uitgebracht;
b) hij misbruik zou hebben gemaakt van de schending van de geheimhoudingsplicht van
klager
door bij zijn advisering gebruik te maken van de (persoons)gegevens van de
cliënt van klager
zonder zijn toestemming en zonder klager daarvan op de hoogte te stellen (a
en b). Tevens
klaagt klager dat hij heeft nagelaten om hem tijdig te informeren over de verwerking
van zijn
persoonsgegevens (c). Dit zou ook in strijd zijn met de AVG;
c) het door hem uitgebrachte cassatieadvies niet zou voldoen aan de daaraan in de
Voda gestelde
eisen (a), inhoudelijk gezien ondeugdelijk zou zijn en in elk geval te stellig
geformuleerd (b);
d) hij – kort gezegd - bij de advisering een dubbele pet zou hebben opgehad en ten
onrechte geen
opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd, meer specifiek:
- hij heeft een dubbele pet op gehad bij de behandeling van de zaak van klager die
zijn cliënt hem had voorgelegd. Hij is niet (voldoende) duidelijk geweest als het
er om gaat voor wie hij zijn werkzaamheden heeft verricht;
- hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt en aan klager doen toekomen;
- indien en voor zover hij (mede) in opdracht van klager heeft gehandeld, heeft
hij onzorgvuldig gehandeld door aan mr. B aan te bieden hem bij te staan in een eventuele
beroepsaansprakelijkheidskwestie;
- hij heeft niet of te laat onderkend dat reeds bij aanvang van zijn werkzaamheden
sprake was, althans dreigde te ontstaan, van een belangenconflict tussen klager en
mr. B. Hij had in dat geval zijn opdracht moeten beëindigen en beide partijen daarover
moeten informeren;
- indien hij uitsluitend voor mr. B heeft opgetreden, heeft hij ten onrechte in
zijn e-mail van
16 juli 2024 gesteld – althans de indruk gewekt – dat hij op verzoek van mr. B ten
behoeve van klager een cassatieadvies heeft opgesteld en uitgebracht.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdelen a) en d)
5.1 De raad heeft deze klachtonderdelen ongegrond verklaard. Zoals ook uit de opdrachtbevestiging van 5 april 2019 blijkt, heeft mr. B de opdracht aan verweerder gegeven tot het opstellen van een (cassatie)advies. Tussen mr. B en verweerder bestond dus een advocaat-cliëntrelatie en verweerder hoefde daarom alleen contact te onderhouden met mr. B als zijn opdrachtgever. Het was vervolgens aan mr. B om zijn cliënt, klager, op de hoogte te stellen van de inhoud van het advies van verweerder. Dat mr. B dat (kennelijk) niet heeft gedaan, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Verweerder was in ieder geval niet gehouden om actief (bij mr. B) navraag te doen over het al dan niet geven van een akkoord door klager voor het inwinnen van advies door mr. B bij verweerder. Daarbij heeft in het onderhavige geval bovendien te gelden dat de adviesaanvraag van mr. B aan verweerder voortkwam uit een (mogelijke) beroepsfout door mr. B, gevolgd door een mogelijke aansprakelijkstelling van mr. B door klager, zodat deze adviesaanvraag in zoverre geen “standaard” cassatieadvies ten aanzien van een (eind)arrest betrof. Daarom mocht verweerder zijn “quick scan”-advies opstellen zonder dat hij wist of klager hiervan op de hoogte was en hiervoor al dan niet expliciet zijn toestemming had gegeven.
5.2 Voor het in klachtonderdeel d) aan verweerder gemaakte verwijt dat hij een dubbele pet op zou hebben gehad en ten onrechte geen opdrachtbevestiging aan klager heeft verstuurd, geldt eveneens dat er tussen klager en verweerder geen sprake was van een advocaat-cliëntrelatie op grond waarvan verweerder gehouden was om (ook) een opdrachtbevestiging aan klager te sturen. Dat het advies aan mr. B (uiteindelijk) ook ten goede zou (kunnen) komen aan klager, maakt dit niet anders. Verweerder diende enkel en alleen het belang van zijn cliënt mr. B. Niet valt in te zien waarom verweerder – op wie bovendien ook een geheimhoudingsplicht rustte – gehouden zou zijn informatie over zijn opdracht van mr. B rechtstreeks met klager te delen. Dat verweerder op enige wijze de indruk zou hebben gewekt dat niet mr. B, maar klager zijn cliënt was, is de raad niet gebleken en kan in ieder geval niet uit de inhoud van het e-mailbericht van 16 juli 2024 worden afgeleid.
5.3 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder in een belangenconflict zou zijn geraakt, heeft de raad overwogen dat dit alleen had kunnen spelen als klager op enig moment (ook) de cliënt van verweerder zou zijn geweest, maar daarvan is, als overwogen, geen sprake. Verweerder diende enkel het belang van mr. B en er bestond voor hem geen enkele noodzaak, laat staan verplichting, om klager hierover op enigerlei wijze te informeren.
Klachtonderdeel b)
5.4 De raad heeft overwogen dat het niet aan de tuchtrechter is om vast te stellen of sprake is van handelen in strijd met de AVG. De beoordeling daarvan is in principe voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens. De tuchtrechter dient te beoordelen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en of in het kader van de verwerking van persoonsgegevens tuchtrechtelijke normen zijn overschreden. Volgens de raad is dat niet gebleken. Voor de behartiging van de belangen van mr. B – waartoe verweerder zich met het aanvaarden van de opdracht had verplicht – was het nodig over zekere gegevens betreffende het dossier van klager te beschikken. Dat verweerder misbruik heeft gemaakt van een schending van de geheimhoudingsplicht door mr. B jegens klager heeft de raad evenmin gevolgd. Voor zover door mr. B aan verweerder informatie is verstrekt vond dat plaats in het kader van zijn zorgplicht om de gevolgen van een door hem gemaakte fout of omissie in het belang van zijn cliënt (klager) zoveel mogelijk te redresseren of beperken. Voor zover dat laatste niet (meer) mogelijk was, vond de informatievoorziening plaats in het kader van de advisering over de (eigen) rechtspositie van mr. B in diens hoedanigheid van advocaat van klager. De raad heeft klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
5.5 In de Advocatenwet staat dat alleen de (rechts)persoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt, of kan worden, getroffen, het recht heeft hierover een klacht in te dienen, aldus de raad. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
5.6 De raad heeft voorop gesteld dat verweerder zich in zijn (cassatie)advies aan mr. B niet heeft uitgelaten over de kansen van klager in zijn huurzaak waarover een procedure bij de kantonrechter was gevoerd en wat de inzet was, althans had moeten zijn, van het hoger beroep. Dat klager als gevolg van het (cassatie)advies van verweerder op enigerlei wijze rechtstreeks in zijn belangen zou zijn geraakt, valt daarom niet in te zien. Het in klachtonderdeel c) gemaakte verwijt ziet op de kwaliteit en inhoud van het advies dat verweerder aan zijn cliënt, mr. B, verstrekte. Dat klager het kennelijk oneens was met deze opdracht en de deugdelijkheid van het advies, maakt niet dat klager een rechtstreeks belang heeft bij dit klachtonderdeel. De raad heeft klager op dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
Ten aanzien van de feiten
6.1 Volgens klager heeft de raad de feitenvaststelling onjuist weergegeven door
in randnummer 2.12 van de beslissing van de raad te overwegen dat klager op 19 augustus
2020 aan mr. B heeft gemaild (“Er was toch Hoger Beroep??”). Dit moet zijn 22 augustus
2022 om 16.53 uur.
Ten aanzien van klachtonderdelen a), b) en d)
6.2 Volgens klager heeft de raad miskend dat de quickscan noodzakelijkerwijs
de belangen van klager betroffen. Dat de instructie via mr. B liep, sluit een materieelrechtelijke
cliëntrelatie casu quo zorgplicht jegens klager niet uit. De kwalificatie ‘niet-standaard’
vanwege mogelijke beroepsaansprakelijkheidsaspecten is volgens klager feitelijk onjuist
en rechtens irrelevant voor de cliëntrelatie omtrent het cassatieadvies. De quickscan
was primair gericht op de cassatieprocedure en het beroepsaansprakelijkheidsspoor
was additioneel.
6.3 Onder verwijzing naar de randnummers 5.9 en 5.12 van de beslissing van de raad vindt klager de motivering van de raad innerlijk tegenstrijdig althans, subsidiair, berust het oordeel van de raad op een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte en doel van geheimhouding omdat hetzelfde advies door de raad wordt gekarakteriseerd als a) geschiedend ter behartiging van de belangen van klager (schadebeperking) en tegelijk b) afgeschermd voor klager via geheimhouding.
Ten aanzien van klachtonderdeel c)
6.4 Volgens klager heeft de raad een te beperkte en onvoldoende gemotiveerde
uitleg van “rechtstreeks belang” gehanteerd. Het cassatieadvies betrof direct klagers
rechtspositie: een positief advies had tot het instellen van cassatie en mogelijke
verwijzing kunnen leiden; een negatief advies heeft reëel effect gehad (geen cassatie,
finale niet-ontvankelijkheid). Het advies is ook door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar
van mr B gebruikt om dekking/aansprakelijkheid af te wijzen. Dit is een rechtstreeks
geraakt belang.
Verweer verweerder
6.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd ter zitting in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof
Ontvankelijkheid van de klacht
7.2 Voordat aan een inhoudelijke behandeling van de klacht van klager wordt toegekomen dient eerst de vraag beantwoord te worden of klager in zijn klacht over verweerder kan worden ontvangen. Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor een ieder, maar slechts voor diegene die door een handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn eigen belang is getroffen of kan worden getroffen (HvD 2 juli 2018, ECLI:NL:TAHVD:2015:332). Volgens het hof is daarvan in deze zaak geen sprake wat het hof hierna zal toelichten.
7.3 De klacht van klager heeft betrekking op de werkzaamheden van verweerder voor mr. B, de advocaat van klager in een civiele procedure. In die civiele procedure heeft mr. B een fatale termijn gemist en mr. B heeft specifiek daarover een (beknopt) cassatieadvies gevraagd aan verweerder. Dit betekent dat alleen mr. B de opdrachtgever van verweerder is en uitsluitend tussen verweerder en mr. B een materieelrechtelijke advocaat-cliënt relatie is ontstaan. Klager is hierbij geen (contractuele) partij en ook niet op een later moment alsnog geworden. Klager heeft daarom geen eigen, rechtstreeks belang bij zijn klacht over verweerder die in al zijn onderdelen betrekking heeft op de werkzaamheden van verweerder voor mr. B.
7.4 Het feit dat het advies van verweerder aan mr. B betrekking had op de civiele procedure waarin klager partij was en mr. B voor klager optrad, maakt het voorgaande niet anders. Evenmin is klager (mede) de cliënt van verweerder geworden doordat verweerder mr. B heeft geadviseerd om klager zijn cliënt (klager) te informeren over de door mr. B gemaakte beroepsfout. Ook dat advies van verweerder was uitsluitend voor zijn cliënt – mr. B – bedoeld. Het was vervolgens de verantwoordelijkheid van mr. B om dat advies mee te delen aan klager, de cliënt van mr. B. Dat mr. B dat destijds niet heeft gedaan en klager pas op een later moment heeft geïnformeerd over het door hem gevraagde cassatieadvies kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden tegengeworpen.
7.5 Een advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerder zou eerst kunnen zijn ontstaan als mr. B een positief cassatieadvies had gekregen van verweerder en mr. B op basis daarvan klager had geadviseerd om verweerder in opdracht van klager een cassatieprocedure aanhangig te laten maken en klager dat advies zou hebben opgevolgd. Die situatie is in deze zaak echter niet aan de orde.
Slotsom
7.6 Nu er tussen klager en verweerder geen materieelrechtelijke advocaat-cliënt relatie is ontstaan, kan klager in al zijn klachtonderdelen niet worden ontvangen omdat klager daarbij geen rechtstreeks, eigen belang heeft. De raad heeft de niet-ontvankelijkheid van klager dan ook ten onrechte beperkt tot klachtonderdeel c). Klager is ook ten aanzien van de klachtonderdelen a), b) en d) niet-ontvankelijk, waardoor aan een inhoudelijke behandeling van de klacht van klager niet wordt toegekomen.
7.7 Dit betekent dat het hof de beslissing van de raad zal vernietigen voor zover klager in zijn klachtonderdelen a), b) en d) is ontvangen en deze klachtonderdelen inhoudelijk door de raad zijn beoordeeld. Ten aanzien van de uitgesproken niet-ontvankelijkheid van klachtonderdeel c) zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 3 november 2025 van de raad van discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-580/A/DH, voor zover klager ontvankelijk is verklaard in de klachtonderdelen a), b) en d) en deze klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard;
en doet opnieuw recht:
8.2 verklaart klager niet-ontvankelijk ten aanzien van de klachtonderdelen a), b) en d),
8.3 bekrachtigt de beslissing van 3 november 2025 van de raad van discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-580/A/DH, voor het overige.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter,
mrs. J.W.M. Tromp en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
Griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 juli 2026.