ECLI:NL:TAHVD:2026:205 Hof van Discipline 's Gravenhage 250436
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:205 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 06-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250436 |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de eigen advocaat. De klacht van klaagster richt zich op de communicatie van verweerder met klaagster en de wijze waarop verweerder de zaak van klaagster inhoudelijk behandeld heeft. In tegenstelling tot de beslissing van de raad acht het hof de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en legt aan verweerder de maatregel van een berisping op. |
Beslissing van 6 juli 2026
in de zaak 250436
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 In deze zaak heeft klaagster een klacht ingediend over haar eigen advocaat. De klacht van klaagster richt zich op de communicatie van verweerder met klaagster en de wijze waarop verweerder de zaak van klaagster inhoudelijk behandeld heeft. In tegenstelling tot de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) acht het hof de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en legt aan verweerder de maatregel van een berisping op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-199/AL/NN) een beslissing genomen op 20 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:227 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 19 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
11 mei 2026. Daar is klaagster verschenen. Verweerder heeft via Teams deelgenomen
aan de zitting. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, klaagster aan de hand
van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 In maart 2019 had klaagster een overeenkomst gesloten met een bestratingsbedrijf om werkzaamheden uit te voeren op haar erf en op het parkeerterrein bij de paardenbak. Er is een geschil ontstaan over de geleverde soort betonklinkers en over de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden. Daarover wordt geprocedeerd, eerst bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank) en thans bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het gerechtshof).
3.2 De bestrating was (extra) van belang omdat klaagster de zorg had voor haar ernstig zieke en invalide moeder. Er zou in samenwerking met de gemeente een zorgunit geplaatst worden.
3.3 Klaagster deed een beroep op haar rechtsbijstandsverzekeraar, Stichting Achmea Rechtsbijstand (hierna: SAR), vanwege dit geschil. Aanvankelijk werd klaagster bijgestaan door mr. K. Klaagster was niet tevreden over mr. K en mr. K heeft zich op 6 april 2022 bij de rechtbank aan de procedure onttrokken. SAR besteedde op 11 april 2022 de zaak daarom uit aan een andere advocaat, verweerder.
3.4 Op 14 april 2022 heeft het eerste gesprek met klaagster plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. Verweerder heeft de opdracht bevestigd op 21 april 2022. Verweerder heeft op 13 mei 2022 een akte genomen om bezwaar te maken tegen de voorgenomen benoeming van de heer H. als deskundige.
3.5 De mondelinge behandeling in de procedure van klaagster heeft op 1 mei 2023 plaatsgevonden in de rechtbank. In een tussenvonnis van 21 juni 2023 heeft de rechtbank een deskundige aangewezen. Na het deskundigenrapport heeft verweerder namens klaagster op 13 maart 2024 een akte na deskundigenbericht genomen. In het eindvonnis van 8 mei 2024 (hersteld bij vonnis van 12 juni 2024) is klaagster grotendeels in het gelijk gesteld. Onder 2.4 van dit vonnis overweegt de rechtbank:
“In de akte na deskundigenbericht heeft [klaagster] volstaan met het overleggen van een expertise- rapport van de door haar geraadpleegde ing. S. RT. De rechtbank gaat aan de inhoud ervan voorbij nu door [klaagster] op geen enkele manier is uiteengezet op welke feiten of omstandigheden of onderdelen ervan daarin van belang zijn.”
3.6 Verweerder was van mening dat hoger beroep (te) weinig kans van slagen had en de SAR volgde hem in die stelling. Klaagster wilde wel in hoger beroep en heeft op grond van de geschillenregeling van de SAR die vraag voorgelegd aan een bindend adviseur die in zijn bindend advies van 29 juli 2024 heeft aangegeven dat naar zijn mening er een redelijke kans op succes was dat in hoger beroep een beter resultaat zou kunnen worden behaald.
3.7 Op 4 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland een klacht ingediend over verweerder.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij zich met een jantje-van-leiden van de zaak heeft afgemaakt en klaagster volkomen in de steek heeft gelaten.
4.2 Uit de aanbiedingsbrief van de deken en beslissing van de raad leidt het hof af dat de klacht van klaagster zich richt op de communicatie van verweerder met klaagster en de inhoudelijke aanpak van de zaak van klaagster door verweerder.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel over communicatie
5.1 De raad heeft geoordeeld dat de communicatie van verweerder in de richting van klaagster beter had gekund. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat klaagster tevergeefs op verschillende momenten met verweerder (schriftelijk en telefonisch) contact heeft proberen op te nemen en alleen een out-of-office-bericht als reactie kreeg. Verweerder had klaagster beter kunnen inlichten over de momenten waarop hij onbereikbaar zou zijn en over de termijn waarop zij een reactie kon verwachten. Ook over het besluit van verweerder om alleen per e-mail (en niet telefonisch) met klaagster te communiceren, bestond bij klaagster onduidelijkheid. Verweerder had klaagster hierover beter (schriftelijk) moeten inlichten.
5.2 De raad heeft verder overwogen dat uit het dossier ook blijkt dat de moeizame communicatie tussen klaagster en verweerder niet alleen aan verweerder te wijten is, dat hij wel degelijk (persoonlijk, schriftelijk en telefonisch) veelvuldig met klaagster contact heeft gehad en haar op de hoogte heeft gebracht van de inhoud en het verloop van haar zaak. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad geoordeeld dat niet is gebleken dat het handelen van verweerder duidelijk onder de maat is geweest. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond verklaard door de raad.
Klachtonderdeel over de inhoudelijke aanpak van de zaak
5.3 Klaagster heeft ook gesteld dat verweerder haar zaak inhoudelijk niet goed heeft behandeld. Klaagster heeft (onder meer) aangevoerd dat verweerder onvoldoende dossierkennis had en dat hij weigerde om bewijsstukken in te dienen en/of getuigen op te roepen.
5.4 De raad heeft klaagster niet gevolgd in haar verwijt dat verweerder onvoldoende dossierkennis had en dat hij heeft geweigerd om bewijsstukken in te dienen en/of getuigen op te roepen. Verder geldt volgens de raad dat een advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding heeft en aan hem een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Het stond verweerder daarom vrij om bepaalde stukken niet in het geding te brengen of om getuigen niet op te roepen. Het is niet vast komen te staan dat verweerder daarmee in strijd met de hierboven genoemde professionele standaard heeft gehandeld. De door klaagster aangehaalde overweging van de rechtbank, waarin de rechtbank voorbijgaat aan het door klaagster overgelegde expertiserapport, maakt dat volgens de raad niet anders. Ten slotte is de raad ook niet gebleken dat verweerder op dit punt onvoldoende met klaagster heeft overlegd of haar hierover niet heeft geïnformeerd. De raad heeft ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster heeft als beroepschrift stukken overgelegd die deel uitmaken van het dossier van de raad van discipline en naar de inhoud daarvan verwezen.
Verweer verweerder
6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Klachtonderdeel over de communicatie
7.3 De beroepsgronden van klaagster zijn een herhaling van hetgeen klaagster bij de raad naar voren heeft gebracht. Voor zover het beroep van klaagster zich richt op de moeizame communicatie met en vanuit verweerder is het hof van oordeel dat dit beroep niet slaagt. Op dit klachtonderdeel sluit het hof zich aan bij de beslissing van de raad alsook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en neemt die over.
Klachtonderdeel over de inhoudelijke aanpak van de zaak
7.4 Uit de klachtomschrijving en de tijdens het dekenonderzoek door partijen uitgewisselde stukken leidt het hof af dat dit klachtonderdeel van klaagster zich specifiek richt op het zonder enige toelichting overleggen door verweerder van een expertiserapport van de door klaagster ingeschakelde adviseur en dat verweerder heeft verzuimd om in de civiele procedure de wettelijke rente over de vordering van klaagster te vorderen. Dit klachtonderdeel slaagt. Het hof licht dit hierna toe.
7.5 Uit de stukken en het onderzoek ter zitting volgt dat klaagster een eigen adviseur (ing. S. RT) heeft gevraagd zijn reactie te geven op het deskundigenbericht van de door de rechtbank aangewezen deskundige. Verweerder heeft deze schriftelijke reactie op 13 maart 2024 als productie bij de akte na deskundigenbericht namens klaagster overgelegd zonder hierbij een nadere toelichting te geven. Daarmee heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Verweerder had een eigen verantwoordelijkheid om het standpunt van klaagster duidelijk uiteen te zetten in de procedure, nu dat voorhanden was meer in het bijzonder aan de hand van het expertiserapport van de eigen adviseur van klaagster. Hij had moeten onderbouwen dat en waarom, alsook op welke onderdelen, klaagster het niet eens was met de inhoud van het deskundigenrapport. Dit hoort tot het takenpakket van verweerder als advocaat van klaagster wat ook volgt uit gedragsregel 14 en de zogenaamde wegwijsplicht in artikel 22b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verweerder mocht daarom niet volstaan met het uitsluitend overleggen van het expertiserapport van klaagster. Verweerder heeft tijdens het onderzoek ter zitting gesteld dat hij in de betreffende akte op specifieke punten heeft gereageerd, maar blijkens rov. 2.4 was het de rechtbank dan niet duidelijk dat hij aldus inhoudelijk reageerde op het deskundigenbericht. Verweerder heeft deze stelling ook niet door middel van overlegging van de desbetreffende akte onderbouwd. Gelet op een en ander wordt deze stelling als ongemotiveerd gepasseerd.
7.6 Verweerder heeft voorts nagelaten om in de procedure de wettelijke rente te vorderen. Het argument van verweerder dat hij de procedure had overgenomen en daarom het petitum niet meer heeft gecontroleerd, slaagt niet. De professionele standaard die voor een advocaat geldt, brengt met zich dat een advocaat – ook bij overname van een dossier – de processtukken zorgvuldig leest en bespreekt met zijn cliënt. Dat geldt ook – zoals in dit geval – ten aanzien van de vordering van de cliënt. Het is de taak en de verantwoordelijkheid van de advocaat om het juridische voortouw te nemen en geen afwachtende houding aan te nemen waarmee in feite het initiatief aan de cliënt wordt gelaten.
7.7 Met zijn werkwijze in de zaak van klaagster heeft verweerder nagelaten te handelen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Doordat niet is gebleken dat verweerder in de procedure een toelichting heeft gegeven op het namens klaagster overgelegde rapport van haar adviseur en verweerder het petitum in de dagvaarding niet heeft gecontroleerd en besproken met klaagster, is verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar tekort geschoten in de behartiging van de belangen van klaagster.
Slotsom
7.8 Het voorgaande betekent dat het hof, in tegenstelling tot de raad, van oordeel is dat verweerder zijn werkzaamheden onzorgvuldig en niet-deskundig heeft verricht en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Het hof zal het tweede klachtonderdeel daarom gegrond verklaren.
8 MAATREGEL
Verweerder heeft met zijn handelwijze niet gehandeld zoals van een zorgvuldig en bekwaam handelend advocaat verwacht mag worden. De belangenbehartiging door verweerder voldoet niet aan de betamelijkheidsnorm zoals geformuleerd in artikel 46 Advocatenwet. Ook heeft verweerder in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid (artikel 10a Advocatenwet). Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verweerder blijk heeft gegeven van zelfreflectie op de kwaliteit van zijn dienstverlening voor klaagster en welk effect zijn tekortschietende processuele handelwijze op klaagster heeft gehad. Het hof acht de maatregel van een berisping daarom passend en geboden.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure
bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,-- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.4 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,-- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het hof van discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 20 oktober 2025 van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-199/AL/NN, voor zover het klachtonderdeel over de inhoudelijke aanpak van de zaak ongegrond is verklaard;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart het klachtonderdeel over de inhoudelijke aanpak van de zaak gegrond;
10.3 legt aan verweerder de maatregel van een berisping op;
10.4 bekrachtigt de beslissing van 20 oktober 2025 van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-199/AL/NN, voor het overige;
10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,-- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.7 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter,
mrs. J.W.M. Tromp en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 juli 2026.