We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:204 Hof van Discipline 's Gravenhage 260078

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:204
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 06-07-2026
Zaaknummer(s): 260078
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet niet-ontvankelijk. Tegen een beslissing tot toewijzing van een advocaat kan geen beklag worden ingediend. De voorziening van artikel 13 Advocatenwet is geen absolute waarborg voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Van de toegewezen advocaat kan niet gevergd worden dat hij een procedure opstart zonder zekerheid dat het verschuldigde griffierecht door de klager aan hem wordt voldaan.

Beslissing van 3 juli 2026

in de zaak 260078

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

gemachtigde:

klaagster

tegen:

mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en mr. J.H. Stek

Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek toegewezen met de beslissing van 3 februari 2026 en daarbij mr. [L] aangewezen als advocaat. Vervolgens hebben (de gemachtigde van) klaagster en de aangewezen advocaat geen overeenstemming bereikt over de betaling van een voorschot.

Bij het hof

1.3 Klaagster heeft op 2 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • de bijlagen bij het verweer van de deken;
  • de repliek;
  • de dupliek;
  • de nadere reactie van klaagster van 4 mei 2026;
  • de nadere reactie van de deken van 12 mei 2026.

Per abuis heeft de deken het verweerschrift niet meegezonden met de e-mail van 16 april 2026, waarmee de bijlagen bij het verweer zijn toegezonden. Het hof heeft het verweerschrift alsnog opgevraagd en op 13 mei 2026 ontvangen. Klaagster is in de gelegenheid gesteld op dat stuk nog te reageren, maar alleen voor zover daarin iets zou staan waar zij niet eerder op had gereageerd. Klaagster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klaagster is een Poolse vennootschap (hierna ook: de vennootschap). Haar gemachtigde is bestuurder van de vennootschap (hierna: de gemachtigde).

2.2 Uit een beslissing van de rechtbank in Warschau van 12 november 2024 blijkt dat de vennootschap sinds januari 2023 geen activiteiten meer uitoefent en dat de vennootschap ook geen gelden of andere middelen heeft. De rechtbank in Warschau heeft een verzoek tot faillietverklaring van de vennootschap afgewezen, omdat het vermogen van de vennootschap zelfs niet toereikend is om de kosten van de faillissementsprocedure te dekken.

2.3 De vennootschap is op 27 mei 2025 gedagvaard door de Nederlandse vennootschap [K] tegen 3 december 2025 bij de rechtbank Amsterdam. [K] vorderde in hoofdsom een bedrag van € 1.271.8813,69. In de dagvaarding zijn ook enkele nevenvorderingen geformuleerd.De rechtbank Amsterdam heeft in deze zaak op 21 januari 2026 een verstekvonnis gewezen.

2.4 Klaagster heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat. Daarbij heeft zij aangegeven dat het belang om verweer te voeren in de procedure (althans om verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis) mede gelegen is in het feit dat de bestuurder van de vennootschap (de gemachtigde) mogelijk persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld.

2.5 De deken heeft een advocaat aangewezen om de vennootschap bij te staan in een eventuele verzet- of hoger beroepsprocedure. De deken heeft in de beslissing van 3 februari 2026 onder meer aan de gemachtigde geschreven:

“Ter informatie dient nog het volgende. De verplichting op grond van artikel 13 Advocatenwet om een advocaat toe te wijzen betekent niet dat een "gratis" advocaat wordt aangewezen. U heeft aangegeven graag gebruik te willen maken van gefinancierde rechtsbijstand, ik merk op dat ik niet verwacht dat [de vennootschap] daarvoor in aanmerking komt (nu het om een bedrijf gaat), maar [de advocaat] kan u hierover nader informeren. Indien [de vennootschap] niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komt zal de advocaat afspraken met u maken over de kosten van rechtsbijstand en een te betalen voorschot. [De advocaat] hoeft zijn werkzaamheden in dat geval pas te starten wanneer u hierover overeenstemming heeft bereikt en wanneer u een voorschot heeft voldaan voor de te verrichten werkzaamheden.

Voor de goede orde merk ik tot slot op dat de deken slechts éénmaal een advocaat aanwijst.”

2.6 De gemachtigde heeft de deken op 10 februari 2026 onder meer geschreven:

“Ik heb de [advocaat] een maximaal voorschot van € 4.000,- (privé-middelen) aangeboden, met het verzoek om op basis van dit onvermogen:

1. Direct een beroep te doen op betalingsonmacht voor het griffierecht (conform jurisprudentie Hoge Raad voor onvermogende rechtspersonen);

2. Een toevoeging aan te vragen met een beroep op de hardheidsclausule bij de Raad voor Rechtsbijstand ``.

[De advocaat] heeft dit aanbod geweigerd. Indien de aanwijzing op grond van artikel 13 Advocatenwet gepaard gaat met betalingseisen die voor een insolvente partij objectief onmogelijk zijn, wordt de toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) feitelijk ontnomen.”

2.7 De deken heeft op 10 februari 2026 onder meer geantwoord:

Een voorschot van € 4.000,- lijkt mij te weinig voor het voeren van de procedure. Wellicht dat u wel zou kunnen afspreken dat [de advocaat] voor het bedrag van € 4.000,- een deel van de werkzaamheden verricht, zoals een beroep doen op betalingsonmacht van het griffierecht, het aanvragen van een toevoeging en het veilig stellen van de verzettermijn. Het is evenwel de vraag of [de gemachtigde] daarmee geholpen is, aangezien voor dit bedrag waarschijnlijk niet de procedure verder kan worden gevoerd (als er geen toevoeging wordt verstrekt zal [de gemachtigde] derhalve een aanvullend voorschot moeten voldoen, en bij niet- tijdige betaling zal [de advocaat] zich alsnog kunnen onttrekken). Ik merk voorts op dat het mijns inziens niet van [de advocaat] kan worden verwacht dat hij het griffierecht voorschiet (zie mijn brief van 3 februari jl.). Als het veilig stellen van de verzettermijn impliceert dat [de advocaat] het griffierecht ad € 10.847,- moet voorschieten dan kan dat mijns inziens dus niet zonder dat [de gemachtigde] een hiervoor dekkend bedrag als voorschot betaalt.

2.8 De gemachtigde en de advocaat hebben nader overleg gevoerd, waarbij de advocaat de gemachtigde op 11 februari 2026 onder heeft bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over een eerste betaling van:

€ 4.840,00 (incl. BTW) voor een deel van de werkzaamheden, waaronder begrepen het aanvragen van een toevoeging, een beroep op betalingsonmacht van het verschuldigde griffierecht en het veilig stellen van de verzettermijn middels het tijdig laten uitbrengen van een verzetdagvaarding .”

Daarna zou de gemachtigde in deelbetalingen een bedrag voldoen van € 6.000,-, te vermeerderen met BTW. De advocaat zou voor de vennootschap een toevoeging aanvragen, maar verwachtte dat die niet zou worden afgegeven. Met betrekking tot het griffierecht heeft de advocaat de gemachtigde bericht:

“Het door [de vennootschap] te betalen griffierecht van € 10.847,00 voor het aanhangig maken van de verzetproducedure wordt bij wijze van voorschot aan mijn kantoor voldaan. (…) Mocht het griffierecht op de dag voor de in de verzetdagvaarding opgenomen roldatum nog niet door [de vennootschap] zijn voldaan, dan zal ik de dagvaarding niet bij de rechtbank aanbrengen.

Bij het aanbrengen van de zaak zal er namens [de vennootschap] worden verzocht om het griffierecht te verlagen. Indien de rechtbank naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek besluit om het griffierecht te verlagen, dan zal het voorschot worden aangewend om het verlaagde griffierecht te betalen. Het resterende saldo wordt dan vanzelfsprekend per omgaande geretourneerd. De kans dat het te betalen griffierecht wordt verlaagd acht ik bijzonder klein.”

2.9 De gemachtigde heeft gereageerd met de mededeling dat het griffierecht niet kon worden betaald en de advocaat verzocht om:

“verzet in te stellen gelijktijdig met een beroep op betalingsonmacht, met het uitdrukkelijke verzoek aan de griffie om de incasso van het hoge griffierechtstarief op te schorten hangende de beslissing van de rechter.”

2.10 Op 17 maart 2026 heeft de advocaat het dossier gesloten, omdat geen betaling van de gevraagde voorschotten had plaatsgevonden.

2.11Op 30 maart 2026 is de aanvraag voor een toevoeging afgewezen op de grond dat een rechtspersoon zelf de kosten dient te betalen.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster voert aan dat de deken geen effectieve rechtsbijstand heeft gewaarborgd en dat dit leidt tot een schending van het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM). Klaagster heeft dit toegelicht als volgt.

3.2 Ondanks bewezen insolventie van de vennootschap (bevestigd door een Pools rechterlijk vonnis over gebrek aan baten), stelt de advocaat als dwingende voorwaarde voor het instellen van verzet een vooruitbetaling van het volledige griffierecht ad € 10.847,- en een substantieel honorarium. De gemachtigde heeft een voorschot van € 4.000,- aangeboden, wat is geweigerd.

3.3 De deken en de aangewezen advocaat negeren de uitspraak van de Hoge Raad (HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:171) waarin is bepaald dat ook rechtspersonen aanspraak kunnen maken op betalingsonmacht voor het griffierecht. De handhaving van een financiële barrière van € 10.847- maakt de aanwijzing ex art. 13 Advocatenwet feitelijk illusoir.

3.4 Inhoudelijk heeft klaagster nog aangevoerd dat de dagvaarding pas op 12 december 2025 is aangeboden voor een zitting op 3 december 2025, waarmee de betekening nietig is (art. 120 Rv). Verder is de dagvaarding rechtmatig geweigerd conform art. 12 Verordening (EU) 2020/1784 wegens het ontbreken van Poolse vertalingen. Daarbij komt dat de eiser ([K]) zijn vordering baseert op producties van de voormalige advocaat van beide partijen. De huidige impasse bij de deken verhindert de toetsing van deze ethische schending.

3.5 De vennootschap verkeert in een financiële noodsituatie. Artikel 13 Advocatenwet legt de deken een verplichting op die moet leiden tot daadwerkelijke verzekering van de toegang tot de rechter. De aanwijzing van een advocaat die een fors bedrag aan honorarium en € 10.847 aan griffierecht vordert van een entiteit met een vermogen van nul (wat de deken wist) vormt een slechts schijnbare nakoming van deze verplichting. De deken had aanvullende maatregelen moeten treffen. De vennootschap is nu beroofd van elke mogelijkheid tot verweer tegen een vordering van € 1.271.888,69, nu het griffierecht een onopgelost probleem bleef.

3.6 Artikel 13 Advocatenwet wordt alleen nagekomen als de aanwijzing van een advocaat ook leidt tot een daadwerkelijke verzekering van de toegang tot de rechter. 

3.7 Klaagster heeft het hof verzocht de deken te gelasten een bindende instructie te geven aan de aangewezen advocaat om de verdediging te starten met toepassing van de wettelijke regelingen voor onvermogenden om definitief rechtsverlies te voorkomen.

Verweer

3.8 De deken heeft aangevoerd dat tegen een toewijzing van het verzoek tot aanwijzing van een advocaat geen beklag kan worden ingesteld dat het beklag van klaagster reeds om die reden niet-ontvankelijk is.

3.9 De deken heeft verder aangevoerd dat haar stafmedewerker heeft geprobeerd te bemiddelen en daarbij ook heeft voorgesteld dat de advocaat voor het bedrag van € 4.000,- wellicht een deel van de werkzaamheden zou kunnen verrichten. Kennelijk zijn de gemachtigde en de advocaat hier toch niet uitgekomen, maar daarvan kan de deken geen verwijt worden gemaakt. Van de deken kan niet worden gevergd dat die een “gratis” advocaat aanwijst.

3.10 Nu de verzettermijn van vier weken inmiddels is verstreken is het voorts de vraag of klager nog belang heeft bij het beklag.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Overwegingen

4.2 De deken heeft klaagster op haar verzoek een advocaat aangewezen en er daarbij op gewezen dat de rechtsbijstand niet “gratis” is en onder welke voorwaarden de aangewezen advocaat zijn werkzaamheden zal starten. Tegen deze toewijzende beslissing kan geen beklag worden ingesteld. Op grond van de wet kan alleen beklag worden ingesteld tegen een beslissing waarin het verzoek om aanwijzing van een advocaat wordt afgewezen, niet tegen een beslissing tot toewijzing van een advocaat. Klaagster kan daarom niet in het beklag worden ontvangen. Voor zover het beklag inhoudt dat het verzoek niet volledig is toegewezen en/of de deken opnieuw een advocaat had moeten aanwijzen, overweegt het hof aanvullend nog het volgende.

4.3 De voorziening van artikel 13 Advocatenwet is, anders dan klaagster stelt, geen absolute waarborg voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Daarbij geldt dat een deken niet gehouden is nog een advocaat aan te wijzen als hij dat al heeft gedaan en de aangewezen advocaat niet aan al de wensen van een klager tegemoet komt (zie HvD, 21 april 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:68)

4.4 Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is. In het bijzonder kan van een advocaat niet gevergd worden dat hij een door de klager gewenste procedure opstart zonder de zekerheid te hebben dat het verschuldigde griffierecht door de klager aan hem wordt voldaan. De advocaat is immers tegenover de rechtbank persoonlijk verantwoordelijk voor de betaling van het griffierecht. Aan het verzoek van de klager (zie boven onder 3.7) zal dan ook niet kunnen worden voldaan.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beklag tegen de beslissing van 3 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.