ECLI:NL:TAHVD:2026:178 Hof van Discipline 's Gravenhage 260164
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:178 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-06-2026 |
| Datum publicatie: | 12-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260164 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Niet-verwijzing. Met de onderhavige klacht van 5 mei 2026 stelt klager opnieuw de handelwijze van de deken aan de orde in relatie tot de klachten van klager over zijn voormalige advocaat. Dit ondanks dat de raad de klacht over de deken bij beslissing van 14 oktober 2025 kennelijk ongegrond heeft verklaard en het tegen die beslissing ingestelde verzet ongegrond is verklaard. Van nieuwe feiten is het hof niet gebleken. Door wederom een klacht in te dienen over de deken Den Haag is de voorzitter van oordeel dat klager misbruik van het klachtrecht maakt. |
Beslissing van de voorzitter van
Hof van Discipline
van 11 juni 2026
klager
over:
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
de deken Den Haag
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het Hof van Discipline (hierna: het hof) verwijst naar het e-mailbericht van 5 mei 2026 van klager. Hiermee heeft klager een klacht ingediend over de deken Den Haag.
1.2 De klacht van klager komt erop neer dat de deken Den Haag in gebreke is gebleven om op te treden tegen de gebrekkige dienstverlening door de advocaat die op basis van een toevoeging voor klager optrad en van klager opdracht had gekregen om een civiele dagvaarding uit te brengen tegen de Staat. Dit betrof mr. D. De dagvaarding is uiteindelijk niet uitgebracht en onduidelijk is wat er met de toevoeging is gebeurd, aldus klager. Klager heeft er in de e-mail van 5 mei 2026 op gewezen dat mr. D tuchtrechtelijk is veroordeeld en dat hij de deken Den Haag bij herhaling heeft verzocht erop toe te zien, dan wel ervoor te zorgen dat er helderheid en duidelijkheid zou komen over de door mr. D verrichte werkzaamheden en de toevoeging, maar zonder resultaat.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 In februari 2024 heeft klager bij de deken Den Haag een klacht ingediend over mr. D. De deken Den Haag heeft in juli 2024 haar visie op de klacht gegeven, die inhield dat zij verwachtte dat de klacht bij voorlegging aan de Raad van Discipline (hierna: de raad) gegrond verklaard zou worden. Omdat klager het griffierecht niet heeft voldaan, heeft de deken Den Haag de klacht echter niet ter kennis van de raad kunnen brengen. In september 2024 heeft klager bij de deken Den Haag een nieuwe klacht over mr. D ingediend, op grond van volgens klager achteraf gebleken nieuwe feiten. De deken Den Haag heeft, onder verwijzing naar het eerder verrichte onderzoek, geen nieuw onderzoek naar die klacht ingesteld en klager meegedeeld dat in haar visie de nieuwe klacht van klager niet-ontvankelijk is wegens misbruik van klachtrecht. De deken Den Haag heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij heeft geconcludeerd dat de nieuwe klacht op dezelfde gronden is gebaseerd als de oude klacht en dat klager met het indienen van de nieuwe klacht de wettelijke bepalingen over de betaling van het griffierecht (art. 46elid 2 en 3 Advocatenwet) probeert te omzeilen.
2.3 Klager heeft vervolgens in november 2024 bij het hof een klacht over de deken ingediend. Daaraan heeft klager ten grondslag gelegd dat de deken Den Haag misbruik heeft gemaakt van de monopoliepositie van een deken door de nieuwe klacht over mr. D zondermeer - en ten onrechte - af te doen als een herhaling van de eerdere klacht. Die klacht is door het hof voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken Oost-Brabant).
2.4 In september 2025 heeft klager bij het hof een klacht over de deken Oost-Brabant ingediend. Die klacht was gericht tegen de manier waarop de deken Oost-Brabant de verwezen klacht heeft onderzocht en beoordeeld. Het hof heeft die klacht niet verwezen. Daartoe heeft het hof overwogen dat klager er ten onrechte over heeft geklaagd dat de deken Oost-Brabant weigerde onafhankelijk onderzoek te doen naar de klacht over mr. D, omdat dat niet zijn taak was. Verweerder diende alleen onderzoek te doen naar de klacht over de deken Den Haag en niet naar de onderliggende klacht van klager over mr. D. Verder heeft het hof overwogen dat klager over de deken Oost-Brabant soortgelijke klachten heeft ingediend als over de deken Den Haag, die betrekking hebben op het onderzoek naar de klacht over mr. D, en dat het hof dat als misbruik van het klachtrecht beschouwt, en daarnaast dat het klachtrecht er niet voor is bedoeld om een dekenvisie ter discussie te stellen.
2.5 Met de onderhavige klacht van 5 mei 2026 stelt klager opnieuw de handelwijze van de deken Den Haag aan de orde in relatie tot de klachten van klager over mr. D. Dit ondanks dat de raad de klacht over de deken Den Haag bij beslissing van 14 oktober 2025 kennelijk ongegrond heeft verklaard. Klager heeft tegen die beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 7 april 2026 is het verzet ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSHE:2026:44). Van nieuwe feiten is het hof niet gebleken. Door wederom een klacht in te dienen over de deken Den Haag is de voorzitter van oordeel dat klager misbruik van het klachtrecht maakt. Daarom zal de klacht over de deken Den Haag niet worden verwezen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 11 juni 2026 door mr. J. Blokland, voorzitter.
Voorzitter
De beslissing is verzonden op 11 juni 2026.