We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:177 Hof van Discipline 's Gravenhage 260066

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:177
Datum uitspraak: 06-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 260066
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De procedure waarvoor klager bijstand van een advocaat wenst is een bestuursrechtelijke procedure en daarvoor is bijstand door een advocaat niet verplicht. De situatie waarvoor artikel 13 Advocatenwet is geschreven doet zich dan ook niet voor. De deken heeft haar afwijzende beslissing op juiste gronden genomen en het beklag kan dan ook niet slagen. Ten overvloede overweegt het hof dat dit niet betekent dat bijstand door een advocaat niet (dringend) gewenst zou zijn, maar dat die rechtsbijstand niet langs de weg van artikel 13 Advocatenwet kan worden geboden.

Beslissing van 5 juni 2026

in de zaak 260066

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mr. I. Aardoom-Fuchs

deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Den Haag

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 14 december 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 16 januari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure waarvoor klager om aanwijzing van een advocaat verzoekt betrekking heeft op een geschil met de gemeente Den Haag en dat dit een bestuursrechtelijke procedure is waarvoor bijstand door een advocaat niet verplicht is.

Bij het Hof van Discipline

1.3 Klager heeft op 26 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Op 27 februari 2026 heeft klager de gronden van het beklag aangevuld.

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken van 24 maart 2026, met bijlagen;
  • de repliek van klager van 1 april 2026;
  • een e-mail van klager van 1 april 2026 met een correctie op de repliek;
  • een e-mail van de deken van 2 april 2026 met een uitstelverzoek voor het indienen van dupliek;
  • de dupliek van de deken van 10 april 2026;
  • een e-mail van klager van 3 april 2026, met als bijlage een reactie van klager op het uitstelverzoek van de deken;
  • een e-mail van het hof aan klager van 9 april 2026.

1.5 Het hof heeft het beklag in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2 Op 14 december 2025 heeft klager de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat.

2.3 In reactie op het verzoek is bij e-mail van 16 december 2025 door een stafjurist van de deken aan klager meegedeeld dat klager in het verzoek heeft aangegeven dat zijn verzoek betrekking heeft op het rechtsgebied bestuursrecht/sociale zekerheidsrecht. Daarbij is aangegeven dat voordat het verzoek in behandeling kan worden genomen, de deken behoefte heeft aan nadere informatie. Klager is daarom gevraagd of hij het verzoek, dan wel de zaak waar het om gaat, nader kan toelichten.

2.4 Verzoeker heeft daarop bij e-mail van 21 december 2025, met bijlagen, gereageerd. 

2.5 De stafjurist van de deken heeft in reactie daarop klager op 23 december 2025 per e-mail onder meer het volgende bericht:

“Dank voor uw bericht en toezending van enkele stukken. Daaruit begrijp ik dat sprake is van een bestuursrechtelijke procedure.

Een advocaat kan op grond van artikel 13 Advocatenwet uitsluitend door de deken worden aangewezen voor een procedure waarbij vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is. Nu ik op basis van de toegezonden stukken moet aannemen dat sprake is van een bestuursrechtelijke procedure betekent dit dat de deken geen advocaat voor u kan aanwijzen.”

2.6 Omdat klager heeft aangegeven een formele afwijzing te willen ontvangen, heeft de deken het verzoek bij beslissing van 16 januari 2026 formeel afgewezen, onder verwijzing naar de e-mail van 23 december 2026. Daarbij is door de deken meegedeeld dat, anders dan klager had gesteld, op basis van het dossier niet wordt ingezien dat bijstand in de onderhavige kwestie uitsluitend door een advocaat zou kunnen geschieden.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, omdat de deken onmogelijk kan beoordelen of zijn verzoek onterecht is, ook al betreft het bestuursrecht. Klager wijst erop dat de deken niet bekend is met de nijpende situatie waarin de zaak van klager en klager zelf zich bevinden door het ontbreken van de inzet van een kundig advocaat. Volgens klager zijn de advocaten die hij op basis van een aan hem na advies door de stafjurist verstrekte lijst heeft benaderd niet gemotiveerd om zijn verzoek inhoudelijk te behandelen. Klager blijft erbij dat in zijn zaak bijstand alleen door een advocaat kan worden geboden.   

Verweer

3.2 Het standpunt van de deken is dat het aanwijzingsverzoek van klager in de beslissing van 16 januari 2026 op gegronde redenen is afgewezen. De deken verzoekt het hof beklag ongegrond te verklaren.

4 BEOOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Het verzoek van klager

4.2 Wat klager in deze procedure naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot het oordeel dat alsnog een advocaat voor klager moet worden aangewezen. De procedure waarvoor klager bijstand van een advocaat wenst is, zoals klager zelf ook aangeeft, een bestuursrechtelijke procedure en daarvoor is bijstand door een advocaat niet verplicht. De situatie waarvoor artikel 13 Advocatenwet is geschreven doet zich dan ook niet voor. De deken heeft haar afwijzende beslissing op juiste gronden genomen en het beklag kan dan ook niet slagen.

4.3 Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat wat hiervoor onder 4.2 is overwogen niet betekent dat bijstand door een advocaat niet (dringend) gewenst zou zijn, maar dat die rechtsbijstand niet langs de weg van artikel 13 Advocatenwet kan worden geboden.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 16 januari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 5 juni 2026.