We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:176 Hof van Discipline 's Gravenhage 260049

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:176
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 260049
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond Het hof begrijpt dat klager voor twee procedures een advocaat toegewezen wenst te krijgen. In één van die twee zaken is een eindvonnis gewezen op 28 januari 2026. De deken heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat hij voor die procedure geen advocaat meer aanwijst omdat die procedure is geëindigd. Voor die procedure heeft klager geen belang meer bij aanwijzing. Voor de andere procedure is de deken ervan uitgegaan dat zich in die procedure een advocaat heeft gesteld. Dat is niet weersproken. Het enkele feit dat de betreffende advocaat naar zeggen van klager niet voldoet of heeft voldaan aan een opdracht van klager leidt er niet tot dat klager een beroep kan doen op artikel 13 Advocatenwet. Dat is mogelijk pas het geval als de advocaat zich heeft onttrokken en de opdracht van klager heeft neergelegd. Dat is echter niet gebleken. De deken had dan ook goede gronden om het verzoek van klager af te wijzen.

Beslissing van 5 juni 2026

in de zaak 260049

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mr. W.W.H. Timmermans

deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Gelderland

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 17 december 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 februari 2025.

Bij het Hof van Discipline

1.3 Klager heeft op 23 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • een e-mail van klager van 28 februari 2026;
  • het verweerschrift van de deken, met bijlagen, van 11 maart 2026;
  • de repliek van klager, bestaande uit de e-mails van klager van 21 en 27 maart 2026;
  • een e-mail van klager van 31 maart 2026;
  • een e-mail van de deken van 31 maart 2026, waarin de deken aangeeft geen behoefte te hebben aan een nadere reactie en verwijst naar het verweerschrift.

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2 Klager heeft op 17 december 2025 bij de deken via het daarvoor bestemde webformulier een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Op het webformulier heeft klager aangegeven dat hij een advocaat zoekt die hem kan bijstaan in een procedure met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid. In reactie daarop is klager eveneens op 17 december 2025 door het Bureau Orde van Advocaten Gelderland ter informatie de Richtlijn aanwijzing advocaat en het informatieblad over een verzoek om aanwijzing toegestuurd, met het verzoek dat goed door te lezen en de mededeling dat daarin – onder meer – de vereisten staan waaraan een aanwijzingsverzoek met voldoen.

2.3 Bij brief van 18 december 2025 is klager namens de deken nader geïnformeerd over de vereisten waar een verzoek om aanwijzing aan moet voldoen. In de brief is klager onder meer meegedeeld dat het de deken op basis van het webformulier niet duidelijk was wat de exacte stand van zaken was van de procedure waarvoor klager aanwijzing van een advocaat verzoekt en is klager om nadere uitleg en stukken ter onderbouwing van de zaak gevraagd. Verder is klager erover geïnformeerd dat het aan klager als verzoeker is om aan te tonen dat hij (recent) inspanning had geleverd om zelf een advocaat te vinden en is klager gevraagd correspondentie met zijn voormalige advocaat, [mr. H], te verstrekken waaruit blijkt dat [mr. H] klager niet langer bijstond. Klager heeft daarop gereageerd bij e-mail van 18 december 2025, met bijlagen.

2.4 Naar aanleiding van de reactie van klager van 18 december 2025, is klager namens de deken op 23 december 2025 nogmaals een brief gestuurd. Daarin is klager meegedeeld dat hij tot op dat moment onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij serieus heeft getracht een advocaat bereid te vinden om zijn zaak in behandeling te nemen. Verder is klager verzocht een nadere toelichting te verschaffen over eventuele bijstand door [mr. L], die in een e-mail aan klager had aangegeven dat klager de zaak aan hem kon voorleggen. Daarnaast is klager nogmaals verzocht om de procedure waarin hij bijstand van een advocaat wenste verder toe te lichten. Klager heeft daarop gereageerd bij e-mail van eveneens 23 december 2025, met bijlagen.

2.5 Op 2 januari 2026 heeft klager de deken laten weten dat hij een advocaat had gevonden ([mr. C]). In reactie daarop is klager er per brief van 5 januari 2026 over geïnformeerd dat de deken er zonder tegenbericht vanuit ging dat klager het verzoek om aanwijzing daarmee had ingetrokken. Bij e-mail van eveneens 5 januari 2026 heeft klager daarop aan de deken laten weten dat het verzoek om aanwijzing niet was ingetrokken, omdat [mr. C] hem alleen bijstaat in de zaak C05/460213, maar hij van [mr. C] nog geen bevestiging had dat [mr. C] hem – kort gezegd – ook in de handelszaak C/05/455789 (het hof begrijpt: de bestuurdersaansprakelijkheidszaak) wilde bijstaan. Op 7 januari 2026 heeft klager [mr. C] gevraagd of hij ook de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure wilde doen.

2.6 Bij e-mail van 21 januari 2026 is klager namens de deken gevraagd of het hem inmiddels bekend was of [mr. C] hem in zijn zaak (naar het hof begrijpt: in zijn zaken) kon bijstaan. Indien dat niet het geval zou zijn, is klager gevraagd alsnog de in de brieven van 18 en 23 december 2025 namens de deken gevraagde aanvullende stukken aan te leveren ter onderbouwing van het verzoek om aanwijzing. Bij e-mail van 21 januari 2026 heeft klager daarop aan de deken laten weten dat hij [mr. C] nogmaals zou vragen of hij hem - kort gezegd - in beide procedures bij kon staan.

2.7 Bij e-mail van 5 februari 2026 is klager namens de deken gevraagd de stand van zaken op dat moment in zijn zoektocht naar een advocaat aan te geven. Daarbij is klager meegedeeld dat mocht het hem nog niet gelukt zijn een advocaat te vinden, hij voor de laatste maal in de gelegenheid werd gesteld om zijn verzoek om aanwijzing aan te vullen, waarvoor de deken dan binnen twee weken een reactie op de brieven van 18 en 23 december 2025 wenste. Bij het uitblijven van een reactie ging de deken ervan uit dat klager geen verdere bemoeienis van de deken verlangde. Daarop heeft klager bij e-mail van 5 februari 2026 bij de deken aangegeven dat hij een advocaat heeft die de week daarop een incident tot aanhouding zou moeten indienen, en “als die dat ook niet heeft gedaan, dan weet ik het ook niet meer”. Daarbij heeft klager aangegeven dat hij de hulp van de deken zeker nodig heeft.

2.8 Op 10 februari 2026 heeft klager de deken gemaild met het verzoek een advocaat aan te wijzen in de zaak C/05/460213, nu hij [mr. C] opdracht had gegeven om een incident tot aanhouding in te dienen maar hij niet had gereageerd. Op 11 februari 2026 heeft klager het (verstek)vonnis in de handelszaak met zaaknummer C/05/455789 van 28 januari 2026 per e-mail naar de deken doorgestuurd. In die zaak was klager één van de gedaagden. De advocaten die zich achtereenvolgend voor klager hadden gesteld hebben zich ook weer onttrokken. Voor de andere gedaagde had niemand zich gesteld en tegen die andere gedaagde is verstek verleend.

2.9 De deken heeft het verzoek afgewezen met de beslissing van 18 februari 2025. Deze beslissing houdt onder meer het volgende in:

“Conclusie en besluit                                                                                                                                                     

De deken geeft geen gehoor aan uw verzoek en zal geen advocaat aanwijzen. Dit geldt zowel voor de procedure met zaaknummer C/05/460213 als voor de procedure met zaaknummer C/05/455789.

De deken heeft de volgende punten meegewogen bij de beoordeling van uw verzoek.

U heeft onvoldoende informatie verschaft over uw aanwijzingsverzoek en de procedures waarin u bijstand van een advocaat wilt. U heeft zich onvoldoende serieus tot advocaten gewend die werkzaam zijn op het rechtsgebied waar u verplichte rechtsbijstand voor nodig zou hebben, althans u heeft die zoektocht onvoldoende aangetoond. Hier bent u op gewezen in mijn brief aan u van 23 december jl. U heeft geen verdere correspondentie aangeleverd over eventuele bijstand van [mr. L]. Voor de deken is gedurende uw verzoek om aanwijzing niet duidelijk geworden wat de stand van zaken was in de procedures waarin u bijstand van een advocaat wenst. Inmiddels is in de procedure met zaaknummer C/05/455789 op 28 januari jl. vonnis gewezen, waardoor u ook geen belang meer hebt bij uw verzoek om aanwijzing in deze procedure. Uit uw stukken maak ik daarnaast op dat [mr. C] zich heeft gesteld in de zaak C/05/460213. Nu u voor deze procedure een advocaat heeft, zal de deken het verzoek om aanwijzing voor zover deze betrekking heeft op deze procedure, eveneens afwijzen.”

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Het beklagschrift van klager houdt in dat hij geen enkele advocaat heeft gevonden die zijn opdracht heeft uitgevoerd en dat zolang [mr. C] niet voldoet aan zijn in de ochtend van 23 februari 2026 uitgestuurde opdracht, hij nog steeds niet weet of [mr. C] zijn belangen behartigt. Verder schrijft klager in het beklagschrift: “In de zaak van Rabobank heeft hij tegen mijn opdrachten in uitstel aangevraagd en heb in die zaak ook nog steeds het roljournaal niet gezien of hij wel uitstel heeft.”

Verweer

3.2 De deken heeft erop gewezen dat het beklag van klager geen gronden bevat, maar uitsluitend een mededeling dat hij geen advocaat heeft gevonden, om welke reden de deken heeft verwezen naar de afwijzende beslissing van 18 februari 2026.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Het verzoek van klager

4.2 Het hof begrijpt dat klager voor twee procedures een advocaat toegewezen wenst te krijgen, te weten de procedure onder nummer C/05/460213 en de procedure onder nummer C/05/455789. In laatstgenoemde zaak is een eindvonnis gewezen op 28 januari 2026. De deken heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat hij voor die procedure geen advocaat meer aanwijst omdat die procedure is geëindigd. Voor die procedure heeft klager geen belang meer bij aanwijzing.

4.3 Voor de eerstgenoemde procedure is de deken ervan uitgegaan dat [mr. C] zich in die procedure heeft gesteld. Dat is niet weersproken. Het enkele feit dat [mr. C] naar zeggen van klager niet voldoet of heeft voldaan aan een opdracht van klager leidt er niet tot dat klager een beroep kan doen op artikel 13 Advocatenwet. Dat is mogelijk pas het geval als [mr. C] zich heeft onttrokken en de opdracht van klager heeft neergelegd. Dat is echter niet gebleken. De deken had dan ook goede gronden om het verzoek van klager af te wijzen. Het beklag slaagt dan ook niet.

4.4 Daarnaast heeft klager ondanks de uitdrukkelijke verzoeken van de deken daartoe zijn verzoek om aanwijzing (naar het hof begrijpt: in de procedure onder nummer C/05/460213) niet met de door de deken verzochte nadere informatie onderbouwd. Dat lag wel op de weg van klager. Hierdoor is het de deken niet duidelijk geworden wat de exacte stand van zaken was van die procedure  waarvoor klager aanwijzing van een advocaat verzocht en evenmin wat die procedure precies zou moeten inhouden en waarop dat was gebaseerd. Ook het hof is op basis van de stukken in het dossier niet duidelijk geworden waarover de procedure onder nummer C/05/460213 gaat.

4.5 De conclusie is dat de deken het verzoek van klager op goede gronden heeft afgewezen.

4.6 Het voorgaande betekent dat het hof het beklag ongegrond zal verklaren.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 18 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 5 juni 2026.