We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:175 Hof van Discipline 's Gravenhage 260039

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:175
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 260039
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat van een aan te wijzen advocaat in de resterende tijd tussen het moment dat het verzoek van klaagster in behandeling kon worden genomen en de datum waarop de cassatietermijn zou verstrijken, redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat deze het dossier zou opvragen, bestuderen, een cassatieadvies zou uitbrengen en - in geval van een positief advies - een verzoekschrift met cassatiemiddelen zou opstellen en indienen bij de Hoge Raad. Dit betekent dat klaagsters doel – een rechtsmiddel instellen – niet meer kon worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. Op die grond dient het beklag van klaagster al te worden afgewezen. Verder is het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut, maar mag dit aan beperkingen worden onderworpen. Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

Beslissing van 5 juni 2026

in de zaak 260039

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster

tegen:

mr. I. Aardoom-Fuchs

deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Den Haag

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft op 6 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Zij wil cassatieberoep instellen tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2025.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 10 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat door het late tijdstip waarop klaagster haar verzoek heeft ingediend de tijd te kort is om nog voor het verstrijken van de cassatietermijn een cassatieadvocaat aan te wijzen, en daarnaast heeft de deken overwogen dat klaagster met name cassatieberoep wil instellen tegen de door het hof vastgestelde feiten, waarover in cassatie niet kan worden geklaagd.

Bij het Hof van Discipline

1.3 Klaagster heeft op 11 februari 2026 een beklag, met bijlagen, tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Desgevraagd heeft de griffie van de deken de bestreden beslissing van 10 februari 2026 ontvangen.

1.4 Bij e-mail van 13 februari 2026 heeft het hof aan klaagster gevraagd of zij het beklag wil voortzetten, nu de termijn waarbinnen cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof van 12 november 2025 kon worden ingesteld inmiddels is verstreken.

1.5 Bij e-mail van 28 februari 2026 heeft klaagster laten weten het beklag te willen voortzetten.

1.6 Verder bevat het dossier:

  • het verweerschrift van de deken van 17 maart 2026, met bijlage;
  • een tweetal e-mails van klaagster van 23 maart 2026, met bijlagen, die door het hof zijn opgevat als de repliek van klaagster;
  • de dupliek van de deken van 31 maart 2026, waarin de deken heeft aangegeven geen aanleiding te zien nader inhoudelijk te reageren en heeft verwezen naar het verweerschrift.

1.7 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2 Op vrijdag 6 februari 2026 heeft klaagster het verzoek gedaan om voor haar een cassatieadvocaat aan te wijzen voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2025. De betreffende uitspraak was door klaagster niet bij haar verzoek meegestuurd. Op maandag 9 februari 2026 heeft de stafjurist van de deken de beschikking bij klaagster opgevraagd. Klaagster heeft de beschikking vervolgens direct toegezonden. In de beschikking is ten laste van de ex-genoot van klaagster een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vastgesteld ten behoeve van de twee kinderen van klaagster en haar ex-echtgenoot.    

2.3 De deken heeft het verzoek met de beslissing van 10 februari 2026 afgewezen. De deken heeft de afwijzing - voor zover in deze procedure van belang - als volgt toegelicht:

“Uw verzoek is bij ons binnengekomen op 6 februari 2026. De cassatietermijn verstrijkt op 12 februari 2026. Zoals reeds gemeld in de e-mail van de stafjurist is deze termijn te kort om een cassatieadvocaat aan te wijzen. Cassatie wordt ingesteld middels een procesinleiding die de middelen van cassatie moet bevatten. Het is niet mogelijk om “pro forma” cassatie in te stellen.

Van een aan te wijzen cassatieadvocaat kan niet worden verwacht dat deze in dit korte tijdsbestek het dossier bestudeert, advies uitbrengt en – indien deze kansen ziet – een procesinleiding opstelt en uitbrengt. Zoals u hebt gemerkt bij de matching via de Raad voor Rechtsbijstand is dit ook de reden geweest dat het niet mogelijk was om een match te vinden tussen u en een advocaat.

Het late tijdstip waarop u uw verzoek heeft ingediend vormt dan ook gegronde reden om uw verzoek af te wijzen.

Tot slot merk ik op dat mij de vraag doet voorkomen of uw procedure wel vatbaar voor cassatie is bij de Hoge Raad. In uw e-mail d.d. 9 februari jl. om 10:22 uur hebt u aangegeven om welke redenen u het niet eens bent met de uitspraak in hoger beroep. Het lijkt erop dat u zich enkel niet kunt verenigen met de vastgestelde feiten. Voor de volledigheid wil ik u erop attenderen dat de cassatierechter geen feiten vaststelt, maar uitgaat van de omstandigheden die zijn vastgesteld door de lagere rechter (de rechtbank of het gerechtshof). In de cassatieprocedure onderzoekt de Hoge Raad of de lagere rechter het recht op juiste wijze heeft uitgelegd en toegepast. Ook beoordeelt de Hoge Raad of de lagere rechter geen procedurele fouten heeft gemaakt en of de uitspraak van die rechter begrijpelijk is gemotiveerd. Op basis van de door u aangeleverde stukken kan niet worden vastgesteld dat u de Hoge Raad verzoekt om een oordeel over de hiervoor genoemde rechts- of procedurele aspecten. Indien u uitsluitend cassatie wenst in te stellen omdat u het oneens bent met de feitelijke beoordeling door de rechter, dient u rekening te houden met een negatief cassatieadvies.

Bovengenoemde reden vormt eveneens een gegronde reden om uw verzoek af te wijzen.”

2.4 De termijn voor het indienen van cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2025 verliep op 12 februari 2026.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster stelt dat de beslissing van de deken onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd. Klaagster wijst erop dat zij de beschikking van 12 november 2025 niet onmiddellijk na de uitspraak heeft ontvangen, maar enige tijd later. Vervolgens was er tijd nodig om advocaten te benaderen met de vraag of zij beroep in cassatie tegen de uitspraak wilden instellen. Hierdoor is kostbare tijd van de cassatietermijn verloren gegaan. Klaagster benadrukt dat dit buiten haar invloedsfeer lag en dat dit niet het gevolg is van passiviteit of nalatigheid aan haar kant. In het beklagschrift heeft klaagster verder haar privésituatie en de volgens klaagster werkelijke financiële situatie van haar ex-echtgenoot uiteengezet. Klaagster wijst erop dat zij zich samen met haar kinderen inzet om een normaal bestaan in Nederland op te bouwen. Zij wil dat de volledige inkomsten, uitgaven, bankrekeningen, bedrijfshouderaccounts en andere eigendommen van haar ex-echtgenoot worden onderzocht, zodat een partneralimentatie en schadevergoeding kunnen worden vastgesteld op basis van de werkelijke financiële situatie van haar ex-partner. Het is haar doel deze informatie aan de Hoge Raad voor te leggen, zodat in cassatie:

  • de door haar ex-partner veroorzaakte materiële en immateriële schade volledig wordt erkend en (door hem) vergoed;
  • haar wettelijke rechten volledig worden toegepast;
  • een duidelijk protocol wordt opgesteld met betrekking tot de kinderen en hun verzorging.

Ten slotte voert klaagster aan dat een afwijzing van het aanwijzingsverzoek onder de door haar uiteengezette omstandigheden ertoe leidt dat zij feitelijk verstoken blijft van toegang tot de cassatierechter, wat strijdig is met het recht op effectieve toegang tot de rechter en rechtsbijstand, wat een fundamenteel beginsel is binnen het Nederlandse rechtssysteem en tevens voortvloeit uit artikel 6 EVRM.

Verweer

3.2 De deken heeft er allereerst op gewezen dat aanwijzing van een advocaat inmiddels zinloos is geworden, omdat de cassatietermijn op 12 februari 2026 is verstreken. Primair verzoekt de deken het beklag reeds op die grond ongegrond te verklaren. Subsidiair is de deken van mening dat het aanwijzingsverzoek van klaagster op gegronde redenen is afgewezen. De deken verwijst daarbij naar de beslissing van 10 februari 2026. De deken schrijft dat zij daarin heeft aangegeven dat de termijn waarbinnen klaagster om een advocaat heeft verzocht te kort was om van een aan te wijzen advocaat te verwachten dat deze het dossier zou opvragen, bestuderen, een cassatieadvies zou uitbrengen en - in geval van een positief advies - een verzoekschrift met cassatiemiddelen zou opstellen en indienen bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft de deken herhaald dat de cassatierechter geen feiten vaststelt maar uitgaat van de omstandigheden die zijn vastgesteld door de lagere rechter, en dat uit de door klaagster aangeleverde stukken niet blijkt dat zij de Hoge Raad verzoekt een oordeel te geven over rechts- en procedurele aspecten waar de Hoge Raad over gaat. De deken concludeert dan ook tot afwijzing van het beklag.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Het verzoek van klaagster

4.2 Klaagster wenst aanwijzing van een advocaat om cassatieberoep in te stellen tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2025. Dit verzoek is op maandag 9 februari 2026 in behandeling genomen, nadat klaagster op verzoek van een stafjurist van de deken alsnog de genoemde beschikking had toegezonden. Het verzoek van klaagster is vervolgens afgewezen omdat de termijn om een advocaat aan te wijzen te kort was. De termijn om cassatie in te stellen is verstreken op 12 februari 2026. Dat die termijn wellicht buiten het handelen van klaagster om zo kort was, doet hier niet aan af.

4.3 Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat van een aan te wijzen advocaat in de op dat moment nog resterende tijd tussen 9 en 12 februari redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat deze het dossier zou opvragen, bestuderen, een cassatieadvies zou uitbrengen en - in geval van een positief advies - een verzoekschrift met cassatiemiddelen zou opstellen en indienen bij de Hoge Raad. Dit betekent dat klaagsters doel – een rechtsmiddel instellen – niet meer kon worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. Op die grond dient het beklag van klaagster al te worden afgewezen (zie HvD 22 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:88) Hetgeen de deken daarnaast aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, heeft betrekking op de kans van slagen van de door klaagster gewenste procedure in cassatie. Dit behoeft bij gebrek aan enig belang geen nadere bespreking meer. Ten overvloede overweegt het hof echter dat klaagster, al dan niet na tussenkomst van het Juridisch Loket, bij een advocaat advies kan inwinnen over een eventueel verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie of vaststelling van partneralimentatie en over de mogelijkheid tot vaststelling van een (gewijzigde) zorgregeling.

4.4 Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

Conclusie

4.5 Op grond van wat hiervoor staat verklaart het hof het beklag van klaagster ongegrond.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 10 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

griffier                                                                                                                                               voorzitter

De beslissing is verzonden op 5 juni 2026.