ECLI:NL:TAHVD:2026:174 Hof van Discipline 's Gravenhage 250303
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:174 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250303 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van een advocaat tegen de advocaat van de wederpartij. Klager verwijt verweerder dat hij zich met suggestieve argumenten heeft verzet tegen een verzoek tot uitstel bij het gerechtshof. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. |
Beslissing van 5 juni 2026
in de zaak 250303
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
gemachtigde: mr. J.G. Geertsma, advocaat te Amsterdam
1 INLEIDING
1.1 Het betreft hier een klacht van een advocaat tegen de advocaat van de wederpartij. Klager verwijt verweerder dat hij zich met suggestieve argumenten heeft verzet tegen een verzoek tot uitstel bij het gerechtshof. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is van de beslissing van de raad in beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-074/A/NH) een beslissing gewezen op 28 juli 2025. In deze beslissing is de klacht ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:129 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 27 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift;
- de e-mail met bijlagen van klager van 30 maart 2026.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 april 2026. Daar zijn klager en verweerder met zijn gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, klager aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
2.6 Het hof heeft partijen aan het slot van de zitting in de gelegenheid gesteld om een minnelijke regeling te treffen en zich daarover binnen een door het hof gestelde termijn uit te laten. Partijen hebben het hof bericht dat geen minnelijke regeling is getroffen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Klager staat sinds 16 januari 2023 een cliënte en haar zoon (verder: huurders) bij in verband met een huurrechtelijke procedure die in de kern draait om de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van huurders. Verweerder staat al geruime tijd de verhuurder bij in dit geschil.
3.3 Sinds 2016 zijn er diverse procedures gevoerd tussen huurders en verhuurder, omdat huurders naar de mening van de verhuurder structureel voor overlast zorgen. In 2016 heeft de eerste bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning plaatsgevonden. Die vorderingen zijn toen afgewezen. In 2018 is opnieuw een bodemprocedure gestart door de verhuurder. Nadat bij tussenvonnis een bewijsopdracht was gegeven, zijn de vorderingen van de verhuurder op 10 maart 2020 toegewezen: de huurovereenkomst is ontbonden en huurders zijn veroordeeld om de woning binnen zes maanden te ontruimen. In beide bodemprocedures werden huurders bijgestaan door een andere advocaat. Na het eindvonnis van 10 maart 2020 meldde zich een nieuwe advocaat namens huurders, niet zijnde klager, mr. S.
3.4 Tegen het vonnis van 10 maart 2020 is door mr. S namens huurders hoger beroep ingesteld. Daarnaast zijn vier executie kort gedingen gestart, met als doel de executie van het vonnis van 10 maart 2020 (gedeeltelijk) geschorst te krijgen en feitelijk het voortgezet gebruik van de woning te bewerkstelligen. In het hoger beroep zijn verder nog twee incidentele vorderingen ingesteld en is namens huurders verzocht om van het tussenarrest cassatie te kunnen instellen. Beide vorderingen en het verzoek om cassatie open te stellen, zijn afgewezen. Op 15 februari 2022 is bepaald dat de mondelinge behandeling bij het gerechtshof Amsterdam zou plaatsvinden op 24 januari 2023.
3.5 Op 13 januari 2023 heeft verweerder in het hoger beroep bij akte aanvullende producties ingediend namens de verhuurder. De termijn voor het indienen van nadere producties verstreek op 14 januari 2023.
3.6 Op 16 januari 2023 heeft mr. S zich onttrokken en om die reden uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Verweerder heeft zich namens de verhuurder op 17 januari 2023 tegen het verzochte uitstel verzet. Daarbij heeft verweerder onder meer geschreven:
“(...) Daarbij komt dat de mondelinge behandeling van 24 januari a.s. al sinds 15 februari 2022 staat gepland. [Huurders] heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad om afscheid te nemen van [mr. S] en op zoek te gaan naar een andere advocaat. Naar ik van u heb begrepen heeft [huurders] echter pas vandaag via een mailbericht aan [mr. S] (met u in de cc) laten weten dat zij niet langer wenst dat [mr. S] haar in deze zaak bijstaat. Naar de mening van cliënten kan deze gang van zaken niet los worden gezien van de aanvullende stukken die ik afgelopen vrijdag tijdig namens cliënten bij uw hof heb ingediend ten behoeve van de mondelinge behandeling van dinsdag 24 januari a.s., die deels verband houden met een schending door [huurders] van art. 21 Rv. De termijn voor het indienen van aanvullende stukken ten behoeve van de mondelinge behandeling is inmiddels ruimschoots verstreken. Cliënten kunnen zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de onttrekking van [mr. S] en het gedane verzoek om de zitting uit te stellen er alleen maar op is gericht om [huurders] in de gelegenheid te stellen om alsnog stukken in het geding te brengen in reactie op de dezerzijds ingediende stukken. Dat kan en mag naar de mening van mijn cliënten echter geen reden zijn om de zitting van 24 januari a.s. nu opeens uit te stellen en de procedure – die als gezegd al ernstig is vertraagd door toedoen van [huurders] – nog verder te vertragen.”
3.7 Op 17 januari 2023 heeft klager zich namens huurders als opvolgend advocaat gesteld en gereageerd op het door verweerder ingediende bezwaar tegen het uitstelverzoek. Verder heeft klager het gerechtshof (ook) verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen om medische redenen zijnerzijds.
3.8 Het gerechtshof heeft vervolgens de mondelinge behandeling uitgesteld tot 28 februari 2023, uitdrukkelijk niet op grond van de advocatenwissel, maar op grond van de door klager opgevoerde medische gronden.
3.9 Op 15 februari 2023 heeft klager namens huurders een akte met aanvullende stukken ingediend, welke stukken onder meer een reactie vormden op de stukken van de verhuurder van 13 januari 2023.
3.10 Op 11 april 2023 heeft het gerechtshof arrest gewezen en is het vonnis in eerste aanleg in stand gebleven.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij zich met suggestieve argumenten heeft verzet tegen een verzoek tot uitstel.
4.2 Volgens klager heeft verweerder met zijn bericht van 17 januari 2023 op vergaande en zeer kwalijke wijze gesuggereerd dat het ontslag van mr. S als advocaat in scene zou zijn gezet met geen ander doel dan het alsnog verkrijgen van een termijn om te kunnen reageren op de door verweerder op 13 januari 2023 aan het gerechtshof toegezonden producties. Een geheel verzonnen, maar ondertussen zeer lasterlijke grievende suggestie, die niet alleen laster oplevert jegens huurders, maar ook jegens klager en mr. S. Door verweerder wordt zelfs geen begin van bewijs geleverd voor het mogen wekken van deze suggestie. Sterker nog: huurders wisten op het moment dat zij overgingen tot het ontslag van mr. S nog niet eens van het bestaan van de door verweerder als ‘argument’ ingeroepen aanvullende stukken, zoals door hem op 13 januari 2023 ingediend. Mr. S bracht zijn cliënten daarvan pas op 16 januari 2023 op de hoogte. Verweerder heeft op geen enkele wijze zijn lasterlijke uitlatingen rechtgezet of daarvoor excuses gemaakt, en heeft dus geen enkel inzicht getoond in zijn kwalijke handelen, aldus klager.
4.3 Klager heeft verder verzocht om de zaak te verwijzen naar een andere raad en bovendien bezwaargemaakt tegen gevoegde behandeling van de onderhavige zaak en de zaak 24-888/A/NH (zaaknummer bij het hof 250302).
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft geen aanleiding gezien om het (herhaalde) verzoek van klager om de zaak naar een andere raad te verwijzen, te honoreren. Dat een van de tuchtrechters van de Amsterdamse raad niet onafhankelijk zou hebben geoordeeld in een eerdere door de cliënten van klager aangebrachte tuchtzaak, kan - wat daar verder van zij - niet de conclusie dragen dat verwijzing van deze zaak naar een andere raad moet volgen.
5.2 De raad is voorbijgegaan aan het bezwaar van klager tegen gevoegde behandeling van deze zaak en de zaak 24-888/A/NH, omdat de zaken niet zijn gevoegd, maar slechts gezamenlijk op zitting zijn behandeld.
5.3 De raad heeft overwogen dat hij geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder ziet in de wijze waarop hij zich op 17 januari 2023 namens zijn cliënt tegen het verzochte uitstel heeft verzet. Verweerder is, zoals hij heeft toegelicht, opgekomen voor de belangen van zijn cliënt die ermee gediend was dat de zaak niet nog meer vertraging zou oplopen. Niet valt in te zien dat hij daarbij de belangen van de wederpartij onnodig heeft geschaad. Klager leest in de woorden van verweerder allerlei - in zijn optiek - kwalijke suggesties, maar daarin wordt klager niet gevolgd. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.
5.4 Verder heeft de raad overwogen dat uit het door verweerder gegeven overzicht blijkt dat klager sinds eind 2021 geregeld (namens zijn cliënten) klachten heeft ingediend tegen verweerder en zijn gemachtigde. Uit de gegeven toelichting van verweerder leidt de raad af dat klager het advocatentuchtrecht gebruikt om zijn ongenoegen te uiten over het civielrechtelijke geschil dat heeft gespeeld tussen de cliënten van partijen. Geen van de door klager ingediende klachten heeft tot gegrondverklaring van enig klachtonderdeel geleid. Klager moet er dan ook rekening mee houden dat een volgende klacht over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen niet meer in behandeling zal worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager voert aan dat hij op 16 januari 2023 een verzoek kreeg van huurders om de behartiging van hun belangen in de huurrechtelijke procedure over te nemen van mr. S, nadat zij hadden besloten om hem te ontslaan. Klager heeft daarmee ingestemd onder de voorwaarde dat het gerechtshof uitstel zou verlenen van een voor 24 januari 2023 vastgestelde mondelinge behandeling, omdat klager kort daarvoor was getroffen door een hartaanval. Huurders hadden vergeefse pogingen ondernomen om in contact te komen met mr. S en hebben in wanhoop op 12 januari 2023 telefonisch contact gezocht met de griffie van het gerechtshof. Het dossier bleek niet op de juiste plek te liggen en er was zelfs een brief van mr. S van een jaar ervoor zoek (met verzoeken om meer spreektijd, ter zitting tonen van een film en horen getuigen). Van die brief is vervolgens een kopie opgevraagd bij verweerder. Mr. S heeft in de avond van 16 januari 2023 eindelijk wel gereageerd en bevestigd dat hij zich zou onttrekken. Daarbij liet hij huurders ook weten nog een uitgebreide ‘akte overlegging producties’ van verweerder te hebben ontvangen, die hij huurders zou toesturen. De dag erna benaderde verweerder, zonder enig onderzoek, het gerechtshof om zich met klem te verzetten tegen uitstel op een wijze die niet alleen mr. S en huurders in diskrediet bracht, maar ook klager persoonlijk als voorwaardelijk opvolgend advocaat. Verweerder suggereerde expliciet richting het gerechtshof dat er sprake zou zijn van een gefingeerd ontslag en een gefingeerde onttrekking van mr. S met het doel om zo alsnog uitstel met een nieuwe termijn te kunnen verkrijgen om te kunnen reageren op door verweerder op de laatste dag van de termijn nog ingediende producties. Nadat klager verweerder het schriftelijke bewijs van zijn complotdenken en de onjuistheid van zijn voor uitstel gehanteerde argumentatie had voorgehouden, volhardde hij in zijn grievende uitlatingen, waarna klager een klacht heeft ingediend.
6.2 Klager voert verder aan dat hij bij de Amsterdamse raad geen eerlijke behandeling van de klacht heeft gehad. Klager heeft de raad verzocht om de zaak naar een andere raad te verwijzen, omdat de gemachtigde van verweerder (die lid is van de Amsterdamse Raad van de Orde) inmiddels een tuchtklacht tegen zichzelf had lopen in een ander gerelateerd dossier. Ook is tegen de deken die deze zaak onderzocht heeft een serieuze tuchtklacht lopende.
6.3 Dat klager geen zorgvuldige en eerlijke beoordeling van de klacht heeft gehad, blijkt ook uit de overwegingen 5.5 en 5.6 van de uitspraak van de raad. Met een bizarre en evident onhoudbare feitelijke ‘onderbouwing’ is de suggestie gewekt alsof klager zich schuldig zou maken aan misbruik van het advocatentuchtrecht. De stelling van de raad dat klager sinds eind 2021 geregeld (namens zijn cliënt) klachten heeft ingediend tegen verweerder en zijn gemachtigde, raakt kant noch wal. De uitspraak van de raad ziet op de eerste en enige tuchtrechtelijke klacht die klager heeft ingediend tegen verweerder. In deze uitspraak wordt stemming gemaakt tegen klager, terwijl geheel onbesproken is gelaten dat mr. S vanwege zijn bijstand aan huurders door de cliënten van verweerder en zijn gemachtigde geïntimideerd is met meerdere ongegrond gebleken klachten.
6.4 Verder is de raad in gebreke gebleven om op deugdelijke wijze zelfstandig het verzoek tot verwijzing te toetsen. De griffier van de raad liet al op 22 januari 2025 blijken dat er contact was geweest met de voorzitter. Op voorhand werd het beeld gewekt dat de uitkomst de uitspraak zou volgen, die op 27 januari 2025 nog gedaan moest worden in een verzetzaak van huurster. Eén van de tuchtrechters in die verzetzaak had de ambitie om deken in Amsterdam te worden. Vanwege de positie van de gemachtigde van verweerder had die tuchtrechter nooit aan de behandeling van die verzetzaak mogen deelnemen. Die tuchtrechter is daarover aangeschreven en zijn verweer daarop overtuigt niet. De stukken maken deel uit van het dossier.
6.5 Deze expliciete schending van een fundamenteel rechtsbeginsel is de raad expliciet voorgehouden op de zitting van 26 juni 2025, waarbij aan klager bij aanvang slechts 2/3 minuten spreektijd werd toegestaan ter aanvullende onderbouwing van het verzoek om verwijzing op grondslag van artikel 6 EVRM. Hierop is in de uitspraak op geen enkele wijze inhoudelijk ingegaan. Klager verzoekt het hof om te beslissen dat de bestreden uitspraak geen stand kan houden, en om te bepalen dat de zaak in dit speciale geval alsnog in eerste instantie door een andere raad beoordeeld behoort te worden, dan wel om de klacht alsnog toe te wijzen en om in ieder geval te bepalen dat de overwegingen over misbruik van procesrecht geen stand kunnen houden.
Verweer
6.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
7.2 Voor zover klager beroepsgronden heeft gericht tegen de behandeling van de klacht door de raad en de wijze waarop dat is gebeurd, kunnen die beroepsgronden niet slagen. Wat verweerder heeft gesteld over partijdigheid van raad betreft (deels) andere zaken en ook andere leden van de raad (die in de onderhavige kwestie niet deelgenomen hebben aan de behandeling door de raad). De behandeling in hoger beroep bij het hof heeft bovendien mede ten doel om eventuele onjuistheden en omissies bij de behandeling door de raad recht te zetten.
7.3 Inhoudelijk ziet het hof op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de beroepsgronden van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
7.4 Anders dan de raad heeft overwogen, is niet gebleken dat klager naast de onderhavige klacht, al dan niet namens zijn cliënten, nog andere klachten tegen verweerder heeft ingediend, zodat de raad ten onrechte een overweging in zijn beslissing heeft opgenomen over (mogelijk) misbruik van advocatentuchtrecht door klager. Omdat deze overweging van de raad op zich staat en niet in het dictum is opgenomen, leidt de constatering dat de overweging van de raad onjuist is niet tot een vernietiging van de beslissing van de raad. Overigens heeft het hof wel vastgesteld dat in vervolg op de inmiddels definitief geëindigde civiele procedure over het oorspronkelijke huurgeschil, nog diverse (klacht- en andere) procedures door de cliënten van klager zijn gestart en/of aangekondigd, waarin klager al dan niet als hun gemachtigde optreedt. Het hof wijst klager er in dat kader op dat het mede op de weg van klager als advocaat ligt om de-escalerend op te treden en geen (klacht)procedures te doorlopen zonder redelijk doel.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 28 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-074/A/NH.
Deze beslissing is gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, K. Teuben, J.M. Frons en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 5 juni 2026 .