We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:172 Hof van Discipline 's Gravenhage 250230

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:172
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 250230
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Bekrachtiging. Waarschuwing. In een familierechtelijke procedure tussen klager en zijn ex-partner was verweerder de advocaat van klagers ex-partner. Klager verwijt verweerder dat hij vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject tussen klager en zijn ex-partner naar de rechtbank heeft gestuurd. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard en daarvoor aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Het andere klachtonderdeel dat bij de raad aan de orde was, is door de raad ongegrond verklaard. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld.  Het hof stelt voorop dat verweerders cliënte en klager voorafgaand aan de mediation in de mediationovereenkomst geheimhouding zijn overeengekomen. Naar het oordeel van het hof valt de informatie in de producties bij het verweerschrift dat verweerder bij de rechtbank heeft ingediend onder de overeengekomen geheimhouding.  Verweerder heeft erop gewezen dat hij niet bij de gesprekken bij de mediator betrokken is geweest en de mediationovereenkomst niet heeft gezien en ondertekend. Het betaamt een advocaat echter niet om een rol te spelen bij de schending van een plicht waar zijn cliënt zich aan heeft verbonden. Dit klemt te meer nu de geheimhoudingsplicht waar het in deze zaak om gaat, is bedoeld om de belangen van alle bij de mediation betrokken personen te beschermen. Vertrouwelijkheid, in welk kader de geheimhoudingsverklaring wordt ondertekend, is gebruikelijk bij mediation en is bedoeld om mediation goed te laten functioneren. Door schending van de geheimhoudingsverplichting worden de belangen van alle bij de mediation betrokken personen geschaad, ook als de mediation uiteindelijk niet succesvol wordt afgerond. De geheimhouding blijft in de regel daarom na beëindiging van het traject van kracht. Door de producties toch aan de rechtbank te zenden heeft verweerder naar het oordeel van het hof afbreuk gedaan aan het instituut van mediation en in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Dat klager de geheimhoudingsverplichting zelf als eerste heeft geschonden door informatie uit het mediationtraject te delen, zoal verweerder heeft aangevoerd, maakt het oordeel van het hof niet anders. De geheimhouding staat voorop en dient te worden gerespecteerd en bij schending daarvan is het vervolgens zelf delen van vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject niet de aangewezen weg en kan dat ook niet rechtvaardigen.

Beslissing van 5 juni 2026

in de zaak 250230

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

1 INLEIDING

1.1 In een familierechtelijke procedure tussen klager en zijn ex-partner was verweerder de advocaat van klagers ex-partner. Klager verwijt verweerder dat hij vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject tussen klager en zijn ex-partner naar de rechtbank heeft gestuurd. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard en daarvoor aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Het andere klachtonderdeel dat bij de raad aan de orde was, is door de raad ongegrond verklaard. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld omdat hij het niet eens is met de gegrondverklaring en met de aan hem opgelegde waarschuwing. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad, zij het met een andersluidende motivering.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummer: 24-744/DH/DH) op 23 juni 2025 een beslissing genomen. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard en klachtonderdeel b) is ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.

2.2Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:119 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 28 juni 2025 door het hof ontvangen.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 maart 2026. Daar is verweerder verschenen. Klager is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld, nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Klager en zijn ex-partner zijn gescheiden. Zij hebben samen een zoon. 

3.3 Klager en zijn ex-partner hebben mediationgesprekken gevoerd. Daartoe is een mediationovereenkomst getekend, waarin als volgt onder meer geheimhouding is overeengekomen:
“7.1 De partijen doen aan derden – onder wie begrepen rechters of arbiters – geen mededelingen omtrent het verloop van de mediation, de daar door de bij de mediation betrokken personen ingenomen standpunten, gedane voorstellen en de daarbij mondeling of schriftelijk, direct of indirect, verstrekte informatie.”

3.4 Het is uiteindelijk gekomen tot een omgangs- en alimentatieprocedure tussen klager en zijn ex-partner. Verweerder heeft daarin de ex-partner van klager bijgestaan. 

3.5 Op 2 februari 2024 is namens klager een ‘repliek alimentatie en wijziging verzoek zorgregeling’ingediend. Als productie 15is een e-mail van klager aan zijn ex-partner bijgevoegd, waarin onder meer staat:
“Inmiddels is de mediatie afgesloten zonder dat wij als ouders op een constructieve manier over de belangen van [de zoon] hebben gesproken.”

3.6 Op 14 februari 2024 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 28 februari 2024 te reageren op de door klager ingediende ‘repliek alimentatie en wijziging verzoek zorgregeling’. Daarbij is vermeld dat klager na ontvangst van die reactie niet meer schriftelijk mag reageren.

3.7 Op 27 februari 2024 heeft verweerder namens de ex-partner een verweerschrift ingediend, waarbij hij ingaat op de alimentatie en de zorgregeling. Als productie 3 bij het verweer is een reactie van de ex-partner opgenomen, die daarin onder meer schrijft:

“(kerst en Oud en Nieuw) terwijl [de zoon] bij mij hoorde te zijn met oud en nieuw. Helaas hield [klager] zich niet aan de gemaakte afspraken bij de mediation van de feestdagen Kerst en Oud en nieuw en heeft op kerstavond medegedeeld niet van plan te zijn zich te houden aan de gemaakte afspraken. Vanaf de middag van kerstavond, 1e kerstdag en van 30 december 11:00 t/m maandag 1 januari 19:00 uur was [tekst weggevallen]

X12. Mijn leven heb ik goed op de rails, ik ben gelukkig en tevreden hoe het met mij en [de zoon] gaat. Helaas is het juist [klager] die terugkijkt naar het verleden en kwetsende dingen over mij uit en de stap heeft gezet naar de rechtbank. Naar mijn mening heeft hij de mediation ook nooit een eerlijke kans gegeven. Helaas bleef hij mij labelen als leugenaar, manipulator en dat ik altijd vreemd ben gegaan. Ook bij de mediation. [Klager] kent geen grenzen in zijn woede en reageert altijd primair en heftig.


38.Mediator heeft het concept door midden geschuurd. Normaal gesprek was niet mogelijk. [Klager] bleef hangen op uitbreiding van de zorgregeling en daarom veel andere punten onbesproken. Uitte zich ook bij de mediation vijandig met de meest kwetsende beschuldigingen over mij (vreemdgaan), maar ook mijn moeder.


40. X [klager] zegt bij alles dat ik lieg. Daarom is er geen ruimte om constructief, openlijk en in harmonie te communiceren. Jammer, had dit graag anders willen zien. Het feit dat de mediation niet gelukt is en zelfs niet over de meest simpele en praktische punten beslissingen zijn genomen, vind ik beschamend.


41. Niet waar. Het contact is alles behalve harmonieus en dit is niet in het belang van [de zoon] dat hij mogelijk vijandigheid of spanningen voelt. Ook dit hele boekwerk laat eigenlijk zien hoe onmogelijk het contact is met [klager]. Het lijkt mij sws niet verstandig en zeker niet in het belang van [de zoon] om de zorgregeling uit te breiden. Dit heb ik op een normale manier proberen uit te leggen met argumenten. Ook voorgesteld om door te gaan naar andere praktische punten, zodat we die konden bespreken van het ouderschapsplan. Helaas niet mogelijk. Heeft tijdens de mediatie 2x opgestaan en uitgesproken te willen stoppen met de mediation (geen uitbreiding zorgregeling, geen mediation) waren zijn woorden. Heeft ook uitgesproken dat zowel ik als de mediator zelf niet te vertrouwen zijn. Beschuldigde mij ervan dat ik de gesprekken op zou nemen, terwijl dit niet waar is. De mediator wilde zowel mijn telefoon als zijn telefoon toen zien. Vervolgens heeft [klager] zelf kenbaar gemaakt bij de laatste mediationgesprek, dat hij mij verschillende keren heeft gefilmd/opgenomen. Zo maak je geen afspraken in vertrouwen voor de toekomst. Verbijsterd was ik en gaf aan dit ik dit helemaal niet wenselijk vind en niet van gediend ben en dat ik me heel onveilig voel. [Klager] reageert vanuit wantrouwen en dit is langer aan de gang. In de tijd van ons samenwonen heeft hij nooit een warme maaltijd (hapje) gekookt voor [de zoon], nog zijn bed verschoond, of het huishouden gedaan, sliep tot laat uit, ging weekenden naar vrienden, bij boos zijn/niet eens zijn wegelopen, verschrikkelijke communicatie en was niet aanspreekbaar. Deze periode wil ik echt achter mij laten, want in die periode heb ik mij ontzettend ongelukkig gevoeld en onbegrepen. [De zoon] heeft meerdere keren na een weekend bij zijn vader, flink gegeten. Na 18:30 uur ging hij flink en ik probeerde met goede intenties hierover te communiceren met [klager] Dat [tekst weggevallen]”


Als productie 4 bij het verweer is een overzicht ingediend met ‘bewijsstukken/foto’s met toelichting als reactie op (diverse aantijgingen van de man in) het door de man ingediende repliek’. Als bewijsstukken zijn onder meer bijgevoegd:


-    Een e-mail van de ex-partner aan klager van 6 december, waarin onder meer staat:


“Bij de mediation zeg je kwetsende dingen over mijn moeder en overleden vader. Mijn vader is 11 jaar geleden overleden en je hebt hem niet gekend.
De laatste 2 keren bij de mediation heb je aangegeven te willen stoppen met de mediation. Hopelijk kunnen we in gesprek blijven, voor [zoon] en uitsluitend over [zoon].”


-    Een WhatsApp-bericht van de ex-partner aan klager van 24 december, waarin onder meer staat: 


“Daarom hebben we meerdere keren bij mediation besproken dat [zoon] bij jou is met kerstavond en 1e en 2e kerstdag. Bij mij het weekend van oud en nieuw. Ik heb je zelfs daarover gemaild op 15 december aangezien je de afspraak bij de mediation van 18 december hebt geannuleerd.  (…) De laatste keer bij mediation mocht je van mij kiezen en heb je besloten dat [zoon] bij jou zou zijn met Kerst (…).”

3.8 Op 1 maart 2024 heeft de advocaat van klager aan verweerder geschreven:
“Ik ontving kopie van de door u aan de rechtbank Den Haag verstuurde brief d.d. 27 februari 2024. Als productie 3 legt u een verklaring van uw cliënte over met daarbij het verzoek aan de rechtbank de inhoud van die verklaring als ingelast te beschouwen. In de verklaring klapt uw cliënte zeer uitgebreid uit de school over hetgeen -volgens haar- in mediation tussen partijen zou zijn besproken. Door zulks te doen schendt uw cliënte de op haar uit mediation overeenkomst rustende verplichting om geheimhouding te betrachten over al hetgeen tijdens mediation is besproken.


Ik vertrouw u ermee bekend dat partijen een mediation overeenkomst zijn aangegaan waar geheimhouding onderdeel van uitmaakt. Desondanks heeft u dit stuk van de hand van uw cliënte bij de rechtbank overgelegd. Ik acht uw handelswijze in strijd met de gedragsregels en wijs u in dit verband op jurisprudentie van de Raad van Discipline op dit punt (o.a. ECLI:NL:TADRARL:2023:170 en ECLI:NL:TADRAMS:2023:131.


Ik stel u in de gelegenheid om voor maandag 09:00 uur de rechtbank te berichten dat u productie 3 intrekt”
 

3.9 Op 4 maart 2024 heeft verweerder aan de rechtbank geschreven:
“Op 1 maart 2024 heeft [de advocaat van klager] mij bericht dat productie 3 strijdig zou zijn met geheimhouding die in het kader van mediation is afgesproken. Hij heeft mij daarbij de gelegenheid gegeven om een bericht met intrekking tot productie 3 naar u te zenden. Naar aanleiding hiervan bericht ik u (met een F9-formulier) als volgt.


Mijn cliënte is van mening dat zij niet strijdig met de afgesproken geheimhouding heeft gehandeld. Zo heeft mijn cliënte het in productie 3 niet over de inhoud van voorstellen of het concept ouderschapsplan. Om verdere discussies hierover te voorkomen trekt mijn cliënte hierbij de op 27 februari 2024 ingediende productie 3 in voor zover daarbij (mogelijk) verwezen wordt naar mediation of de mediator. Volledigheidshalve treft u hierbij een aangepaste productie 3 aan. Ik verzoek u dan ook de eerder ingediende productie 3 buiten beschouwing te laten en alleen uit te gaan van deze nieuwe productie 3.”


Verweerder heeft zijn bericht aan de rechtbank ter kennisname aan klagers advocaat gestuurd.
 

3.10 Op 17 april 2024 heeft de advocaat van klager aan verweerder geschreven:

“Tot mijn verbazing zag ik bij het doornemen van de stukken dat door uw cliënte ook in productie 4 -uitgebreid- inhoudelijk wordt verhaald over het mediation traject. 


Voor zover ik kan nagaan hebt u productie 4 niet ingetrokken. Ik verzoek u zulks onverwijld te doen.”
 

3.11 Op 23 april 2024 heeft verweerder aan de rechtbank geschreven:
“Op 17 april 2024 heeft [de advocaat van klager] mij bericht dat ook in productie 4 – uitgebreid – inhoudelijk zou worden verhaald over het mediation traject. Mijn cliënte is van mening dat zij niet strijdig met de afgesproken geheimhouding heeft gehandeld. Zo heeft mijn cliënte het ook in productie 4 niet over de inhoud van voorstellen, onderhandelingen of het concept ouderschapsplan maar over afspraken die zijn gemaakt.


Om verdere discussies hierover te voorkomen trekt mijn cliënte hierbij de omschrijving van IMG_5791 t/m IMG_5792 op het overzicht van producties 4 en de betreffende onderdelen/screenshots IMG_5791 t/m IMG_5792 (van productie 4) in voor zover daarbij (mogelijk) verwezen wordt naar mediation. Ik verzoek u dan ook de omschrijving van IMG_5791 t/m IMG_5792 (van productie 4) buiten beschouwing te laten.”

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, het volgende:

a) Verweerder heeft vertrouwelijke informatie omtrent de mediation naar de rechtbank gestuurd

b (…)

4.2 Klager stelt dat verweerder op aandringen van klagers advocaat productie 3 gedeeltelijk heeft ingetrokken. Toen was het leed echter al geschied: de rechtbank heeft kennis kunnen nemen van de beweerdelijke inhoud van het mediationtraject zonder dat klager daarop kan reageren, gelet op de ook voor klager geldende geheimhoudingsplicht. Ook in productie 4 zijn mediationgeheimen opgenomen. Verweerder heeft klager geschaad door gebruik te maken van informatie welke niet in de procedure mocht worden gebruikt.

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft aan de gegrondverklaring van klachtonderdeel a) het volgende ten grondslag gelegd.

5.2 De raad heeft geoordeeld dat verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van zijn cliënt heeft overschreden door informatie uit c.q. over de mediation op te nemen in (de producties bij) zijn processtuk. De raad heeft overwogen dat, anders dan verweerder stelt, de geheimhouding niet alleen geldt voor tijdens de mediation gedane voorstellen en opgestelde concepten, maar verder voert dan dat: alle informatie die tijdens de mediation (zowel mondeling als schriftelijk) wordt gewisseld als ook alles wat tijdens de mediation voorvalt, valt onder die geheimhouding, waaronder ook (maar niet uitsluitend) de gang van zaken tijdens de mediation, over en weer geuite verwijten en de houding en emoties van partijen. De achtergrond hiervan is dat partijen die deelnemen aan mediation erop moeten kunnen vertrouwen dat zij tijdens de mediation geheel vrij zijn in hun doen en laten zonder dat zij daar later, buiten de context van de mediation, bijvoorbeeld in rechte, mee kunnen worden geconfronteerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van deze geheimhoudingsplicht worden afgeweken. Van dergelijke omstandigheden is de raad niet gebleken.

5.3 De raad heeft geoordeeld dat verweerder meerdere malen met informatie uit de producties 3 en 4 de geheimhouding heeft geschonden. Dat verweerder (delen van) de producties op verzoek van klagers advocaat direct heeft ingetrokken, maakt dat niet anders. Op dat moment was de geheimhouding immers al geschonden, aldus de raad. De raad heeft dan ook geconcludeerd dat klachtonderdeel a) gegrond is. 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de informatie die hij in de familierechtelijke procedure tussen klager en de ex-partner van klager heeft verstrekt niet onder de geheimhoudingsverplichting uit de mediation valt. Volgens verweerder ging het niet om vertrouwelijke informatie uit de mediationprocedure, omdat de informatie geen betrekking heeft op de onderhandelingen tussen klager en zijn ex-partner of voorstellen van partijen, dan wel een concept ouderschapsplan. Klager is door de verstrekte informatie niet benadeeld, aldus verweerder. Verder wijst verweerder erop dat hij niet bij de gesprekken bij de mediator betrokken is geweest en de mediationovereenkomst niet heeft gezien en ondertekend.  

6.2 Subsidiair, voor het geval het hof mocht oordelen dat er wel sprake is van strijd met de geheimhoudingsplicht, is het standpunt van verweerder dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de geheimhoudingsplicht kan worden afgeweken. Verweerder herhaalt dat het niet gaat om informatie die volgens hem de kern van de geheimhouding betreft, namelijk met betrekking tot onderhandelingen of voorstellen van partijen. Daarbij wijst verweerder erop dat de informatie voor de familierechtelijke procedure van belang was, en dat klager de geheimhoudingsverplichting zelf als eerste heeft geschonden door informatie uit het mediationtraject te delen en dat de ex-partner van klager daarop mocht reageren. De stukken van klager waren scherp richting zijn ex-partner, wat gevolgen heeft voor vrijheid om te reageren. Verweerder vindt het onredelijk dat dit vervolgens tot een gegronde klacht jegens hem leidt. Verder wijst verweerder erop dat hij de stukken heeft ingetrokken ver voordat de rechter zich daarover zou beraden, en dat de rechter alleen kennis heeft genomen van de op verzoek van de advocaat van klager door verweerder aangepaste producties.

6.3 Ten slotte gaat verweerder in op de motivering van de maatregel door de raad. Verweerder betwist dat hij de producties onvoldoende heeft gecontroleerd. Verweerder geeft aan dat hij de stukken wel degelijk uitvoerig heeft bekeken en uitdrukkelijk heeft getoetst op informatie over onderhandelingen of voorstellen, naar aanleiding waarvan hij bepaalde delen heeft aangepast, omdat alleen informatie daarover naar verweerder meent onder de vertrouwelijkheid van de mediation valt.

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad

7.3 Bij de beoordeling van de klacht stelt het hof voorop dat verweerders cliënte, die klagers ex-partner is, en klager voorafgaand aan de mediation in de mediationovereenkomst geheimhouding zijn overeengekomen. Geheimhouding is gebruikelijk bij mediation: het is een gangbare voorwaarde die partijen in staat stelt vrijuit te kunnen spreken, onderhandelen en constructief naar een oplossing te kunnen zoeken, zonder te hoeven vrezen dat informatie uit het traject later in een gerechtelijke procedure tegen één van de partijen gebruikt zal worden. De inhoud en reikwijdte van de geheimhoudingsverplichting wordt bepaald door wat partijen overeengekomen zijn. In dit geval geldt de geheimhouding voor mededelingen omtrent het verloop van de mediation, de in het mediationtraject door de betrokken personen ingenomen standpunten, gedane voorstellen en de gedurende het mediationtraject mondeling of schriftelijk, direct of indirect, verstrekte informatie.

7.4 Naar het oordeel van het hof valt de informatie in de producties 3 en 4 bij het verweerschrift dat verweerder op 27 februari 2024 namens de ex-partner van klager bij de rechtbank heeft ingediend onder de overeengekomen geheimhouding, aangezien het informatie betreft die gaat over het verloop van de mediation en tijdens de mediation gedane voorstellen. Verweerder heeft erop gewezen dat hij niet bij de gesprekken bij de mediator betrokken is geweest en de mediationovereenkomst niet heeft gezien en ondertekend. Het betaamt een advocaat echter niet om een rol te spelen bij de schending van een plicht waar zijn cliënt zich aan heeft verbonden. Dit klemt te meer nu de geheimhoudingsplicht waar het in deze zaak om gaat, is bedoeld om de belangen van alle bij de mediation betrokken personen te beschermen, dus van verweerders cliënte en van klager. Vertrouwelijkheid, in welk kader de geheimhoudingsverklaring wordt ondertekend, is zoals hiervoor overwogen gebruikelijk bij mediation en is bedoeld om mediation goed te laten functioneren. Door schending van de geheimhoudingsverplichting worden de belangen van alle bij de mediation betrokken personen geschaad, ook als de mediation uiteindelijk niet succesvol wordt afgerond. De geheimhouding blijft in de regel daarom na beëindiging van het traject van kracht.

7.5 Gelet op de voor verweerders cliënte geldende geheimhoudingsplicht, had het naar het oordeel van het hof op de weg van verweerder gelegen om zijn cliënte erop te wijzen dat het hem niet vrij stond de producties 3 en 4 bij het verweerschrift aan de rechtbank te zenden, ook niet na toetsing en aanpassing daarvan zoals door verweerder aangegeven. Door deze producties toch aan de rechtbank te zenden heeft verweerder naar het oordeel van het hof afbreuk gedaan aan het instituut van mediation en in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Dat klager de geheimhoudingsverplichting zelf als eerste heeft geschonden door informatie uit het mediationtraject te delen, zoal verweerder heeft aangevoerd, maakt het oordeel van het hof niet anders. De geheimhouding staat voorop en dient te worden gerespecteerd en bij schending daarvan is het vervolgens zelf delen van vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject niet de aangewezen weg en kan dat ook niet rechtvaardigen.

7.6 Verweerder heeft op grond van het vorenstaande gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt door te handelen in strijd met de kernwaarde integriteit, wat hem tuchtrechtelijk te verwijten is. Het hof is dan ook, met de raad, van oordeel dat klachtonderdeel a) gegrond is.

8 MAATREGEL

Het hof ziet geen aanleiding een andere maatregel op te leggen dan de door de raad opgelegde maatregel van waarschuwing en zal de beslissing van de raad daarom ook ten aanzien van de maatregel bekrachtigen.

9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof de beslissing van de raad waarbij een maatregel is opgelegd bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                

a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

b) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 bekrachtigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 23 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 24-744/DH/DH;

10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J.E. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

griffier                                                                                                           voorzitter            

De beslissing is verzonden op 5 juni 2026.