ECLI:NL:TAHVD:2026:169 Hof van Discipline 's Gravenhage 250448
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:169 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250448 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij in een arbeidsgeschil. Klaagster komt geen beroep toe op gedragsregel 15 (belangenverstrengeling). Verweerster heeft geen onduidelijkheid laten ontstaan voor welke partij zij optrad. De civielrechtelijke veroordeling dat B&S jegens klaagster onrechtmatig heeft gehandeld leidt niet zonder meer tot gegrondverklaring van de klacht over verweerster. Verweerster was geen partij in die procedure en geen onderdeel van de onderzoekscommissie van B&S. De tuchtrechter is ook niet zonder meer aan een uitspraak van een civiele rechter gebonden omdat de tuchtrechter oordeelt vanuit een ander kader (artikel 46 Advocatenwet) dan de civiele rechter. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad die de klacht ongegrond heeft verklaard. |
Beslissing van 8 juni 2026
in de zaak 250448
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: M.G. H.
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te Den Haag
1 INLEIDING
1.1 Het gaat in deze zaak over een klacht over de advocaat van de wederpartij in een arbeidsgeschil. De raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster komt geen beroep toe op gedragsregel 15 (belangenverstrengeling). Verweerster heeft geen onduidelijkheid laten ontstaan voor welke partij zij optrad. Het onderzoek naar aanleiding van de door klaagster ingediende klachten is extern uitbesteed aan een onderzoeksbureau B&S. Dat bureau heeft bij de aanvaarding van de opdracht de uitgangspunten van het onderzoek geformuleerd, inclusief de bepaling van vertrouwelijkheid. De regie over het onderzoek is daarmee bij B&S komen te liggen. Om die reden en omdat B&S heeft toegezegd dat het zorg draagt voor het toepassen van hoor en wederhoor mocht verweerster daar op vertrouwen. De civielrechtelijke veroordeling dat B&S jegens klaagster onrechtmatig heeft gehandeld leidt niet zonder meer tot gegrondverklaring van de klacht over verweerster. Verweerster was geen partij in die procedure en geen onderdeel van de onderzoekscommissie van B&S. De tuchtrechter is ook niet zonder meer aan een uitspraak van een civiele rechter gebonden omdat de tuchtrechter oordeelt vanuit een ander kader (artikel 46 Advocatenwet) dan de civiele rechter. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en waarom het hof de beslissing bekrachtigt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 25-082/DB/OB) een beslissing genomen op 17 november 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:159 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 17 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster;
- nagekomen stukken van klaagster.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 april 2026. Daar zijn klaagster en haar gemachtigde, alsook verweerster met haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klaagster is werkzaam geweest in een ziekenhuis. Nadat klaagster zich had ziekgemeld, is er tussen haar leidinggevende mevrouw Van C en klaagsters partner, die werkzaam was bij hetzelfde ziekenhuis, een conflict ontstaan.
3.3 In november 2020 heeft klaagster zich tot de raad van bestuur van het ziekenhuis (hierna: raad van bestuur) gewend omdat zij zich onveilig voelde bij de leidinggevende. De raad van bestuur heeft klaagster geadviseerd om een melding van een misstand te doen of een klacht in te dienen bij de Klachtencommissie Medewerkers (hierna: de klachtencommissie).
3.4 In maart 2021 heeft klaagster een melding van een misstand gedaan, waarop in april 2021 is geoordeeld dat geen sprake was van een maatschappelijke misstand. Klaagster is daarop geadviseerd om een klacht in te dienen bij de klachtencommissie of aangifte te doen bij de politie.
3.5 Op 12 november 2021 heeft het ziekenhuis een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
3.6 Op 15 november 2021 heeft klaagster aangegeven een klacht te zullen indienen bij de klachtencommissie over de leidinggevende, de raad van bestuur en het lid van de raad van bestuur, de heer Z, over de onveiligheid, de afhandeling van klaagsters melding van twee aanrandingen en het beëindigingsvoorstel.
3.7 Op 16 december 2021 heeft verweerster namens het ziekenhuis voorgesteld om B&S als externe klachtencommissie in te schakelen. Op 23 december 2021 heeft klaagster daarmee onder diverse voorwaarden ingestemd, waaronder:
“− De opdracht wordt zo breed mogelijk geformuleerd zodat B&S binnen de grenzen van de wet en de 'Klachtenregeling Medewerkers [ziekenhuis]' (hierna: klachtenregeling) al het nuttige en nodige kan doen om de klachten te onderzoeken en beoordelen, daaronder begrepen het horen van (oud- )medewerkers van [het ziekenhuis];
− De communicatie tussen alle partijen en B&S blijft open, inhoudende dat partijen elkaar kennen in alle communicatie met B&S, waaronder begrepen de formulering van de opdracht aan B&S;
− De opdracht aan B&S dient onder meer in te houden dat dit bureau bij de behandeling van de klacht de klachtenregeling volgt. Verder dienen procedurele waarborgen als hoor en wederhoor en transparantie gewaarborgd te worden.”
3.8 Op 4 januari 2022 heeft verweerster ingestemd met de voorwaarden en is aan B&S de opdracht gegeven om op te treden als de externe klachtencommissie. Daarbij heeft verweerster onder meer geschreven:
“(…) Partijen (klager en beklaagden, althans hun gemachtigden) zullen elkaar kopieën verstrekken van berichten (schriftelijk en digitaal) aan de klachtencommissie, althans voor zover deze betrekking hebben op de inhoud van de door [klaagster] aanhangig te maken klachtenprocedure en/of de procesgang. (…)”
3.9 Op 10 januari 2022 heeft B&S de opdracht aanvaard en bevestigd zoveel mogelijk de klachtenprocedure van het ziekenhuis te zullen volgen.
3.10 Op 22 februari 2022 heeft klaagster aangifte gedaan van twee – vermeende - aanrandingen door een voormalig bestuurslid van het ziekenhuis. De aanrandingen zouden in 2015 hebben plaatsgevonden. De politie heeft daarop de leidinggevende Van C en enkele medewerkers van het ziekenhuis gehoord.
3.11 Op 11 maart 2022 heeft klaagster haar definitieve klacht ingediend bij de klachtencommissie.
3.12 Op 14 april 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie Van C en Z uitgenodigd voor afzonderlijke hoorgesprekken op 20 mei 2022.
3.13 Op 22 april 2022 is klaagster door de klachtencommissie gehoord.
3.14 Op 16 mei 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie aan verweerster geschreven:
"Op 28 april hadden wij telefonisch overleg over de gesprekken van uw cliënten met de onderzoekscommissie op vrijdag 20 mei. Dit in kader van het onderzoek naar de klachten van [klaagster]. Zoals ik eerder heb aangegeven worden uw cliënten tijdens het gesprek afzonderlijk in de gelegenheid gesteld om hun kant van het verhaal te vertellen ten aanzien van de klacht.
Enige tijd geleden kondigde u aan dat u voorafgaand aan het gesprek graag diverse procedurele vragen aan de voorzitter van de onderzoekscommissie zou willen stellen. Tot op heden mocht ik deze nog niet van u ontvangen. Mocht u alsnog vragen hebben, dan hoor ik het graag van u.
Graag spreken wij u en cliënten a.s. vrijdag 20 mei.”
3.15 Op 17 mei 2022 heeft verweerster namens de beklaagden schriftelijk gereageerd op de klachten. Daarbij heeft zij geschreven aan de klachtencommissie:
“Dank voor uw e-mailbericht van maandag 16 mei jl. Onder meer vanwege de omvang van het dossier en de aard van de door klaagster ingediende klachten, zend ik u namens cliënten, mevrouw [Van C] en de Raad van Bestuur, vertegenwoordigd door de heer [Z], voorafgaand aan het hoorgesprek van aanstaande vrijdag 20 mei, een eerste schriftelijke reactie op de klachten die zijn ingediend namens klaagster.
Door de Commissie is besloten is dat klaagster en beklaagden afzonderlijk worden gehoord. Aangezien vertrouwelijkheid geldt, zend ik in dit stadium van de klachtprocedure geen kopie van de bijgaande brief aan de advocaat van klaagster de heer [M], met het verzoek aan de Commissie deze vertrouwelijk te behandelen.
Mocht (de voorzitter van) de Commissie ten aanzien van vertrouwelijke stukken een ander standpunt innemen, dan hoor ik dat graag van u.”
3.16 Op 18 mei 2022 heeft de secretaris van de commissie aan verweerster geschreven:
“Dank voor uw mail. Over de inhoud daarvan had ik overleg met de onderzoekscommissie. Deze laat mij weten dat uw handelswijze ten aanzien van de verspreiding van uw schriftelijke reactie correct is. U behoeft geen actie te ondernemen in de richting van de advocaat van klaagster. De commissie zelf zal te zijner tijd de regie voeren over de inzage van stukken in het kader van wederhoor.”
3.17 Op 22 mei 2022 zijn de leidinggevende en het lid van de Raad van Bestuur door de klachtencommissie gehoord. De beklaagden zijn bijgestaan door verweerster.
3.18 Op 8 juli 2022 heeft de officier van justitie de aangifte tegen het voormalig bestuurslid geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
3.19 Op 15 juli 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie onder meer aan verweerster geschreven:
“Op verzoek van de commissie die de klachten van [klaagster] jegens uw cliënten [Van C] en [Z] onderzoekt, informeer ik u over de stand van zaken in het lopende onderzoek (…) Zodra wij de laatste akkoordverklaring ontvangen hebben, kunnen wij ons onderzoeksdossier samenstellen.
Het heeft daarbij onze sterke voorkeur om het onderzoeksdossier niet te spitsen in een gedeelte dat betrekking heeft op [Van C] en een gedeelte dat betrekking heeft op [Z]. Het is nagenoeg ondoenlijk om die splitsing te maken en voor zover überhaupt al mogelijk: het zal een zeer bewerkelijk en tijdrovend proces zijn. De commissie doet u in dit kader een praktisch voorstel, inhoudende dat u als advocaat van beide beklaagden in eerste instantie zelf kennis neemt van het onderzoeksdossier zodat u zich zelf kunt vergewissen van (het ontbreken van) de noodzaak om het dossier te splitsen. Wellicht kunt u na kennisneming van het onderzoeksdossier in overleg met uw cliënten ook besluiten over nut en/of noodzaak van door uw cliënten aan de commissie voor een hoorgesprek uit te nodigen personen.
(…) Een bericht met dezelfde strekking zal ik heden zenden aan de advocaat van klaagster en aan onze opdrachtgever.”
3.20 Op 4 augustus 2022 heeft verweerster aan klaagster aangekondigd dat het ziekenhuis een beëindiging van het dienstverband nastreeft.
3.21 Op 28 augustus 2022 heeft klaagsters advocaat aan de klachtencommissie geschreven:
“(…) Bij e-mail van 4 augustus 2022 heeft de advocaat van [het ziekenhuis] aan ondergetekende medegedeeld dat [het ziekenhuis] geen andere mogelijkheid ziet dan een beëindiging van het dienstverband van cliënte na te streven. (…) Deze e-mailwisseling is in de optiek van cliënte voor uw besluitvorming van belang, nu artikel 3.1 van de klachtenregeling van [het ziekenhuis] bepaalt dat: “Het feit dat een medewerker een beroep doet op de Klachtencommissie … geen invloed [heeft] op de positie van de medewerker binnen [het ziekenhuis].” In de e-mail van 21 augustus 2022 wordt namens cliënte gevraagd naar concrete redenen waarom [het ziekenhuis] het dienstverband wenst te beëindigen, waarbij wordt opgemerkt dat de door cliënte ingediende klacht daar op grond van voornoemde bepaling niet aan ten grondslag zou mogen liggen. Aangezien in de daaropvolgende e-mail van 24 augustus 2022 van de advocaat van [het ziekenhuis] geen redenen voor het voornemen van [het ziekenhuis] worden genoemd, kan cliënte niet anders dan sterk vermoeden dat de door haar ingediende klacht aan het voornemen van [het ziekenhuis] om het dienstverband te beëindigen ten grondslag ligt. Cliënte verzoekt de klachtencommissie om, in het kader van haar taak er zorg voor te dragen dat de klachtenregeling door de daarbij betrokken partijen wordt nageleefd, te onderzoeken of de onderhavige klachtenprocedure reden is voor het voornemen van [het ziekenhuis] tot beëindiging van het dienstverband van cliënte. In de optiek van cliënte heeft de Raad van Bestuur in strijd met de gedragsregels van [het ziekenhuis], en derhalve klachtwaardig, gehandeld door haar hiervoor omschreven handelen.”
3.22 Op 29 augustus 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie gereageerd:
“Uw bijgaande brief van 28 augustus 2022 besprak ik vandaag conform uw verzoek met de leden van de onderzoekscommissie. Zij hebben zich reeds vandaag op uw verzoek beraden en vragen mij u als volgt te antwoorden:
- De externe onderzoekscommissie heeft van de Raad van Bestuur van het [ziekenhuis] de gerichte opdracht ontvangen om onderzoek te doen naar de klachten zoals door u geformuleerd in uw klachtbrief van 11 maart 2022.
- Het staat de commissie niet vrij om zonder nieuwe of aanvullende opdracht van de opdrachtgever nieuwe klachten of klachtonderdelen in behandeling te nemen.
- Daarnaast merken de commissieleden op dat de [ziekenhuis]-klachtenprocedure een laagdrempelige interne procedure tussen klager en beklaagde voorschrijft die doorlopen dient te worden alvorens de klachtencommissie kan worden ingeschakeld. Het is de commissie niet duidelijk of die procedure in dit geval is doorlopen.
- De commissie ziet thans twee mogelijkheden:
o U verzoekt de Raad van Bestuur om de externe klachtencommissie opdracht te geven om ook de nieuwe klacht van [klaagster] te onderzoeken.
o U verzoekt de externe klachtencommissie om zich tot de Raad van Bestuur te wenden met de vraag – daarbij verwijzend naar uw brief van 28 augustus 2022 - naar de geëigende handelswijze inzake de nieuwe klacht van [klaagster].
Graag verneem ik op korte termijn welke optie uw voorkeur heeft.”
3.23 Op 29 augustus 2022 heeft de klachtencommissie een brief (hierna: de advocatenbrief) aan verweerster gestuurd, met daarop de vermelding “Vertrouwelijk/Persoonlijk” en luidend als volgt:
“Inzake het u bekende al enige tijd lopende onderzoek naar de klachten van [klaagster] jegens twee van uw cliënten, mevrouw [Van C] en de heer [Z], kwamen wij reeds eerder het volgende overeen: wij zenden aan u in uw hoedanigheid van advocaat van beide beklaagden voorafgaand aan de te houden inzage- en wederhoor gesprekken één onderzoeksdossier toe opdat u zich kunt beraden op de vraag of u het met ons eens bent dat het niet noodzakelijk – en daarnaast zeer tijdrovend en mogelijk zelfs onmogelijk is – om twee separate onderzoeksdossiers samen te stellen.
Inmiddels hebben wij alle akkoordbevindingen op de gehouden gesprekken ontvangen en is het onderzoeksdossier gereed. Het is in onze praktijk de standaard werkwijze dat wij uitsluitend inzage verschaffen in het fysieke onderzoeksdossier. Gezien uw status van advocaat en de specifieke aard van ons verzoek, is de commissie evenwel bereid om aan u het digitale dossier ter beschikking te stellen onder de volgende voorwaarden:
• U respecteert dat u het onderzoeksdossier in verband met de vertrouwelijkheid van het onderzoek en de ter zake geldende geheimhoudingsplicht uitsluitend ter inzage ontvangt;
• U hanteert het onderzoeksdossier in eerste instantie voor geen ander doel dan hierboven beschreven: het bepalen of het onderzoeksdossier al dan niet uitgesplist dient te worden naar twee separate dossiers. Met andere woorden: u geeft uw cliënten nog geen inzage. Inzage verleent u niet eerder dan dat wij daadwerkelijk hebben gereageerd op uw antwoord op onze vraag naar het aantal dossiers: één of twee.
• Het onderzoeksdossier dient met recht van substitutie onder uw (eind)beheer en verantwoordelijkheid te blijven;
• Het onderzoeksdossier mag uitsluitend gebruikt worden in het kader van het verweer en wederhoor c.q. de slotgesprekken in het onderhavige onderzoek;
• Behoudens in geval u over twee onderzoeksdossiers wenst te beschikken: slechts één set van het onderzoeksdossier mag geprint worden en deze mag verder niet vermenigvuldigd, gedigitaliseerd of gekopieerd worden;
• Het geprinte onderzoeksdossier mag te uwen kantore door uw cliënten onder uw toezicht en verantwoordelijkheid worden ingezien waarbij u instaat voor de vertrouwelijkheid zoals hierboven aangegeven, inclusief het verbod op enige vorm van vermenigvuldiging, daaronder inbegrepen het overschrijven of overtypen van citaten uit de gespreksverslagen;
• Het onderzoeksdossier mag niet aan derden ter inzage worden gegeven, het is uitsluitend voor u (met recht van substitutie) en uw cliënten;
• Er mogen geen aantekeningen op het onderzoeksdossier worden gemaakt;
• Het geprinte onderzoeksdossier dient aan het einde van de slotgesprekken aan de onderzoekers of de onderzoekssecretaris te worden geretourneerd en de digitale versie dient te worden gewist.
(…) U heeft aan de commissie gemeld dat u na kennisneming van het onderzoeksdossier zult besluiten of uw cliënten gebruik zullen maken van het zijn recht om personen aan de commissie voor te dragen voor een hoorgesprek. Indien zulks het geval zal zijn, zullen ook van deze gesprekken verslagen worden gemaakt die zullen worden toegevoegd aan ons onderzoeksdossier. En zullen zowel klaagster als uw cliënten het recht hebben ook die verslagen in te zien en van zij wederhoor te voorzien. (…)”
3.24 Op 1 september 2022 heeft verweerster namens het ziekenhuis aan de klachtencommissie geschreven:
"(…) De redenen voor beëindiging van het dienstverband zijn bij klaagster bekend.
Voor zover relevant geldt dat het indienen van de klachten bij uw commissie op geen enkele manier aan het voornemen van cliënte tot beëindiging van het dienstverband ten grondslag ligt.
Cliënte verzoekt, voor zover nodig, de klachtencommissie om zich te beperken tot de opdracht die door de RvB van [het ziekenhuis] bij brief d.d. 4 januari 2022 aan de commissie is verstrekt.
De brief (met bijlagen) van [klaagsters advocaat], kan naar de mening van cliënte dan ook géén onderdeel uitmaken van het onderzoeksdossier.”
3.25 Op 2 september 2022 heeft de advocaat van klaagster een aanvullende klacht ingediend bij verweerster, met het verzoek deze door te zenden aan de secretaris van de klachtencommissie.
3.26 Op 2 september 2022 om 16.27 uur heeft verweerster ingestemd met de voorwaarden van de advocatenbrief en heeft zij deze ondertekend retour gestuurd aan de secretaris van de klachtencommissie.
3.27 Op 2 september 2022 om 16.57 heeft de secretaris van de klachtencommissie aan verweerster geschreven:
“Zojuist stuurde ik u via We transfer het onderzoeksdossier [naam ziekenhuis], deze is versleuteld met het bij u bekende wachtwoord. Met het oog op de voortgang van ons onderzoek, verzoeken wij u vriendelijk om zo mogelijk op korte termijn op onze vragen te reageren gesteld in de advocatenbrief.”
3.28 Op 6 september 2022 heeft verweerster de klachtencommissie medegedeeld dat de dossiers niet hoeven te worden gesplitst, waarbij zij om een ontvangstbevestiging heeft gevraagd zodat zij het onderzoeksdossier kon delen met haar cliënten.
3.29 Op 8 september 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie aan klaagsters advocaat geschreven:
“De externe commissie die onderzoek doet naar de klachten van uw cliënte [klaagster], heeft conform de strekking van onderstaande mailwisseling contact gehad met de Raad van Bestuur van het [ziekenhuis] over de positie die de commissie dient in te nemen ten aanzien van de nieuwe klachten van [klaagster] zoals door u beschreven in uw mailbericht van zondag 28 aug met drie bijlagen. De Raad van Bestuur laat de commissie weten geen toestemming aan de commissie te geven om de nieuwe klacht van [klaagster] te onderzoeken. Met andere woorden, de Raad van Bestuur ziet in de nieuwe klacht geen aanleiding om de aanvankelijk op 4 januari 2022 aan de commissie verleende gerichte opdracht uit te breiden. Dit betekent dat de commissie geen actie zal ondernemen in vervolg op uw mailbericht van 28 augustus 2022.”
3.30 Daarop heeft de advocaat van klaagster aan verweerster geschreven:
“Ik heb van u nog geen reactie ontvangen op mijn e-mail van 2 september jl. te 15.24 uur. Wel informeerde de secretaris van de externe klachtencommissie mij vandaag per e-mail dat uw cliënte geen opdracht aan [B&S] geeft om de nieuwe klacht te onderzoeken. Dit verneemt cliënte nu uit een externe bron terwijl zij dit rechtstreeks (via u) van haar werkgever had kunnen en moeten horen. Ik verzoek u mij uiterlijk morgen, 9 september, voor 17.00 uur aan te geven op welke wijze uw cliënte de nieuwe klacht wel zal behandelen.”
3.31 Op 9 september 2022 heeft verweerster aan de advocaat van klaagster geschreven:
“Naar aanleiding van uw e-mailbericht van vrijdag 2 september 2022, waarin u verzoekt om een klacht door te zenden naar de secretaris van de klachtencommissie, en naar aanleiding van uw e-mail van 8 september 2022, bericht ik u als volgt.
Cliënte heeft al aangegeven dat het indienen van de klachten niet de aanleiding is voor het voornemen tot beëindiging van het dienstverband. De redenen voor het voornemen tot beëindiging van het dienstverband zijn uw cliënte bekend. Deze worden door u in uw e-mail expliciet genoemd. Het is aan de rechter om de door cliënte aan te voeren grondslagen (waaronder de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding), en de door uw cliënte aan te voeren verweren, te toetsen.
Uw e-mailbericht geeft geen aanleiding tot opschorting van uitvoering van het besluit tot het starten van een ontbindingsprocedure.
Cliënte is van mening dat uw cliënte thans misbruik maakt van de klachtenregeling. De klacht zal om die reden niet worden doorgezonden.”
3.32 Op eveneens 9 september 2022 heeft verweerster namens het ziekenhuis een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de rechtbank Rotterdam. Daarin is onder meer opgenomen:
“3.29. [Klaagster] kondigt in de brief van 16 november 2021 aan dat zij voornemens is klachten in te dienen jegens [Van C] en de RvB en/of [Z]. [Klaagster] heeft haar klacht ingediend in maart 2022. De RvB van [het ziekenhuis] heeft een extern bureau, [B&S], opdracht gegeven om als externe klachtencommissie de klachten te onderzoeken. De commissie zal oordelen of de klachten gegrond zijn en zal de RvB van [het ziekenhuis] adviseren, na afronding onderzoek. De klachtenprocedure is nog niet afgerond. Afhandeling van de klachten zal naar verwachting nog maanden, in ieder geval weken duren.
3.30. De stukken uit deze klachtenprocedure worden niet overgelegd in deze procedure. Dit ontbindingsverzoek houdt geen enkel verband met de lopende klachtenprocedure. De gronden voor beëindiging van het dienstverband zijn gelegen in de gebeurtenissen die zich voor en na de brief van 16 november 2021 en/of indiening klacht hebben afgespeeld. Met andere woorden, [het ziekenhuis] dient onderhavig verzoekschrift niet in omdat [klaagster] klachten heeft ingediend. [Het ziekenhuis] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat de relatie tussen partijen ernstig en duurzaam en derhalve onherstelbaar is verstoord, wat het gevolg is van (ernstig) verwijtbaar handelen van de zijde van [klaagster]. Een zinvolle invulling van de arbeidsrelatie is niet meer mogelijk. De klachtenprocedure staat (anders dan [klaagster] stelt) niet in de weg aan het starten van een ontbindingsprocedure. De klachtprocedure laat de mogelijkheid van geschillenbeslechting door een rechter onverlet.”
3.33 Op 7 oktober 2022 hebben separate wederhoorgesprekken plaatsgevonden bij de klachtencommissie. Klaagster mocht twee uur voorafgaand aan het hoorgesprek het onderzoeksdossier bekijken.
3.34 Op 8 november 2022 heeft klaagster een verweerschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam.
3.35 Op 9 november 2022 heeft de klachtencommissie het onderzoeksrapport, gedateerd 4 november 2022, verstrekt aan klaagster en verweerster. De klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard.
3.36 Bij beschikking van 16 december 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:11027) heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2023 ontbonden.
3.37 Op 28 februari 2023 heeft klaagster hoger beroep ingesteld tegen de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
3.38 Op 25 augustus 2023 heeft klaagster B&S gedagvaard, waarin zij heeft gevraagd voor recht te verklaren dat B&S door de wijze van het onderzoek en het opstellen van het onderzoeksrapport onrechtmatig jegens klaagster heeft gehandeld. Ook heeft klaagster een schadevergoeding gevorderd en intrekking van (delen van) het onderzoeksrapport.
3.39 Op 19 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de zaak tegen B&S. Bij tussenvonnis van 17 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:4445) is onder meer geoordeeld dat B&S onzorgvuldig heeft gehandeld door, in afwijking van het klachtreglement, klaagster en de beklaagden niet gelijktijdig te horen en dat:
“4.16. Gelet op de relatief forse omvang van het onderzoeksdossier en in aanmerking genomen de grote belangen die voor haar op het spel stonden, was het niet realistisch om van [eiseres] te verwachten dat zij op 7 oktober 2022 het (volgens [gedaagde] volledige) onderzoeksdossier gedurende enkele uren kwam inzien, om direct daarna mondeling adequaat en volledig te reageren op dat dossier. (…)
4.17. [eiseres] voert verder, eveneens terecht, aan dat het uitgangspunt van de klachtenregeling is dat alle stukken uit het dossier aan de betrokkenen worden verstrekt (artikel 3.9 lid 2). De advocaat van [naam 1] en [naam 2] heeft de advocaat van [eiseres] hier ook expliciet op gewezen (zie 2.8), maar volgens [eiseres] heeft deze advocaat zelf geen kopie van de schriftelijke reacties op de klachten aan [eiseres] verstrekt. Dat kan - indien feitelijk juist - [gedaagde] niet worden verweten, maar op grond van artikel 3.9 lid 2 van de klachtenregelingwas [gedaagde], dat (ook) het secretariaat van de klachtencommissie voerde, gehouden om ervoor te zorgen dat partijen over en weer over dezelfde stukken konden beschikken, Dat heeft zij kennelijk niet gedaan, want [eiseres] stelt onweersproken dat de schriftelijke reacties op haar klachten door [gedaagde] niet aan haar zijn toegezonden. (…).
4.18. Ernstiger nog is het door [eiseres] terecht benadrukte gegeven dat de secretaris van de onderzoekscommissie, een medewerker van [gedaagde], de advocaat van [naam 1] en [naam 2] op 15 juli 2O22 heeft aangeschreven om te overleggen of één of twee onderzoeksrapporten zouden worden opgemaakt (zie 2.13). Daarbij is (zelfs) aangeboden om het onderzoeksdossier te verstrekken, zodat deze advocaat kon beoordelen of het wenselijk was om één of twee rapporten op te stellen. De advocaat van [eiseres] is niet bij deze discussie betrokken, laat staan dat (ook) hem is aangeboden kennis te nemen van het onderzoeksdossier, Weliswaar is in de betreffende e-mail gesteld dat een vergelijkbaar bericht aan de advocaat van [eiseres] wordt verzonden, maar uit het door [gedaagde] (naar eigen zeggen volledig) overgelegde onderzoeksdossier blijkt dat niet en (de advocaat van) [eiseres] betwist dat dit is gebeurd. Hierbij verdient opmerking dat de e-mail van 15 juli 2022 uitdrukkelijk is gericht aan de advocaat in haar hoedanigheid van raadsvrouw van [naam 1] en [naam 2] en niet (ook) in haar hoedanigheid van raadsvrouw van [naam ziekenhuis], de opdrachtgever van het onderzoek.
Hieruit volgt dat [gedaagde], zonder [eiseres] of haar advocaat daarin te kennen, met de advocaat van [naam 1] en [naam 2] heeft overlegd over de vormgeving van de rapportage en zelfs heeft aangeboden om het onderzoeksdossier te verstrekken. [Naam 3] ontkent met klem dat dit laatste daadwerkelijk is gebeurd. Gezien het feit dat de advocaat van [naam 1] en [naam 2] in haar e-mail van 6 september 2O22 expliciet om toestemming heeft gevraagd om het onderzoeksdossier met haar cliënten te delen (zie 2.15), heeft [gedaagde] op dit punt echter de schijn tegen, in ieder geval wat betreft het verstrekken van het onderzoeksdossier aan de advocaat van [naam 1] en [naam 2]. (…)
4.19. Uit het voorgaande volgt dat de door [gedaagde] geboden inzagemogelijkheid op 7 oktober 2022 niet toereikend was (zie 4.16), dat [gedaagde] in strijd met artikel 3.9 lid 2 van de klachtenregeling niet heeft gewaarborgd dat alle relevante stukken aan (in ieder geval de advocaat van) [eiseres] werden verstrekt (zie 4.17) en (zelfs) dat achter de rug van [eiseres] om met de advocaat van de beklaagden is gecorrespondeerd over de vorm van de rapportage, waarbij het onderzoeksdossier aan die advocaat is aangeboden (en mogelijk ook is verstrekt; zie 4.18). Hiermee heeft [gedaagde] het essentiële vereiste van hoor en wederhoor in ernstige mate geschonden en de bij het onderzoek betrokken partijen evident niet gelijk behandeld. Dit is onzorgvuldig en ook onrechtmatig jegens [eiseres], omdat haar hierdoor mogelijkheden zijn ontnomen om haar standpunt meer onderbouwd naar voren te brengen en adequater te reageren op de verklaringen en stellingen van anderen. (…).
3.40 Op 6 juni 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
3.41 Op 4 maart 2026 heeft de rechtbank Rotterdam eindvonnis gewezen in de procedure tussen klaagster en B&S (ECLI:NL: RBROT:2026:3501). De rechtbank heeft voor recht verklaard dat B&S onrechtmatig heeft gehandeld jegens klaagster en B&S veroordeeld tot voldoening van een schadevergoeding en tot intrekking van het onderzoeksrapport. B&S heeft op 17 maart 2026 het onderzoeksrapport formeel ingetrokken.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:
1. Verweerster heeft gedragsregel 9 geschonden door er onvoldoende zorg voor te dragen dat er geen misverstand kon bestaan over haar hoedanigheid in haar contacten met partijen waaronder B&S;
2. Verweerster heeft gedragsregel 15 geschonden door op te treden voor partijen die tegengestelde belangen hadden in de klachtprocedure en de procedure bij de kantonrechter over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
3. Verweerster heeft in strijd met de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid, gedragsregels 20, 21 en 26, en de goede procesorde gehandeld door misbruik te maken van haar positie als advocaat van het ziekenhuis, zijnde de opdrachtgever aan B&S, door heimelijke afspraken te maken met de klachtencommissie over het opzettelijk verborgen houden van processtukken en door in het kader van de beoordeling over het al dan niet splitsen van de dossiers eerder en daarmee langduriger te beschikken over het onderzoeksdossier.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel 1
5.1 Verweerster heeft opgetreden als advocaat van het ziekenhuis en als advocaat van de twee beklaagden. De raad heeft geoordeeld dat verweerster geen onduidelijkheid heeft laten bestaan over haar hoedanigheid. Van belang is dat uit haar berichten steeds voldoende duidelijk blijkt of zij sprak namens het ziekenhuis of namens de twee beklaagden. Dat verweerster afwisselend heeft gereageerd namens het ziekenhuis en de beklaagden, maakt dit niet anders. Waar zij namens de twee beklaagden sprak, heeft verweerster dit in haar berichten duidelijk gemaakt, net zoals zij dat deed als zij namens (de raad van bestuur van) het ziekenhuis sprak. Klachtonderdeel 1 is op grond van het voorgaande ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.2 De raad heeft overwogen dat gedragsregel 15 beoogt (voormalige) cliënten van een advocaat te beschermen en niet een wederpartij. Klaagster is geen cliënte van verweerster (geweest) en kan daarom geen beroep doen op gedragsregel 15. Een cliënt behoort geheel vrij te zijn in de keuze van zijn advocaat, zonder inmenging van de wederpartij daarin. Voor zover sprake zou zijn van belangenverstrengeling omdat verweerster zowel het ziekenhuis als de beklaagden bijstaat, is het aan die partijen om daarover als cliënten van verweerster te klagen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen jegens klaagster is hier geen sprake. Ook klachtonderdeel 2 is derhalve ongegrond.
Klachtonderdeel 3
5.3 De raad heeft vastgesteld dat het uitgangspunt van de klachtprocedure was dat partijen gelijktijdig konden beschikken over de dossiers. Dat volgt niet alleen uit de klachtregeling zelf, maar ook uit de aanvullende voorwaarden die klaagster heeft gesteld en waarmee verweerster namens het ziekenhuis heeft ingestemd. Ofschoon verweerster op grond van gedragsregel 21 in beginsel ook in deze procedure gehouden was om haar processtukken gelijktijdig aan de advocaat van klaagster te sturen, heeft verweerster naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de reactie op de klacht van 17 mei 2022 niet gelijktijdig te verstrekken aan de advocaat van klaagster. Uit de e-mail van verweerster van 17 mei 2022 maakt de raad namelijk op dat het uitgangspunt was dat partijen vertrouwelijk hun standpunt konden toelichten en dat zij ook niet in elkaars bijzijn zijn gehoord. Verweerster heeft aan de klachtencommissie gevraagd of zij correct handelde door haar reactie niet aan klaagsters advocaat te sturen. Die vraag is door de klachtencommissie bevestigend beantwoord met de mededeling dat zij regie zal voeren over de inzage in stukken. Onder deze omstandigheden kon verweerster volstaan met het geven van uitvoering aan de procedure zoals de klachtencommissie die had vormgegeven. Dat de werkwijze van de klachtencommissie nadien als onzorgvuldig is bestempeld door de rechter maakt dit niet anders. De raad is overigens niet gebleken dat verweerster heimelijke afspraken heeft gemaakt met de klachtencommissie teneinde klaagster te benadelen, noch dat verweerster haar positie heeft misbruikt.
5.4 Verder volgt uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat de klachtencommissie zelf het initiatief heeft genomen om verweerster, als advocaat van de twee beklaagden, te vragen naar haar visie op de noodzaak tot het splitsen van de onderzoeksdossiers. Dat verweerster op die vraag is ingegaan valt binnen de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid om de belangen van haar cliënten te behartigen op een wijze die haar passend voorkomt. Niet gebleken is dat verweerster de voorwaarden voor het verkrijgen van die dossiers vervolgens heeft overtreden. Het bericht van 6 september 2022 bevestigt juist dat verweerster zich daaraan heeft gehouden. Dat verweerster daardoor eerder en langduriger beschikte over het dossier dan klaagster, kan verweerster niet in tuchtrechtelijke zin worden verweten. Ook hier geldt dat verweerster als advocaat van de opdrachtgever niet de (eind)verantwoordelijkheid had voor het verloop van de procedure.
5.5 De raad heeft geoordeeld dat, voor zover klaagster meent dat met het voorgaande de goede procesorde en haar recht op een eerlijk proces zijn geschaad, dit verweerster niet tuchtrechtelijk kan worden verweten. Niet verweerster, maar de klachtencommissie voerde immers de regie over de procedure. Dat verweerster als advocaat van het ziekenhuis opdracht heeft gegeven aan B&S om een klachtencommissie samen te stellen, betekent niet dat zij daarmee de (eind)verantwoordelijkheid heeft gehad voor die procedure.
5.6 Met betrekking tot het verwijt van klaagster dat verweerster in strijd met gedragsregel 26 heeft gehandeld, heeft de raad overwogen dat gedragsregel 26 ziet op het doen van vertrouwelijke mededelingen door de ene advocaat aan de andere advocaat. Omdat een situatie als bedoeld in gedragsregel 26 zich in deze kwestie niet heeft voorgedaan, valt niet in te zien dat verweerster in strijd met deze gedragsregel heeft gehandeld. Klachtonderdeel 3 is dan ook eveneens ongegrond verklaard.
5.7 De raad heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 K laagster stelt dat de beslissing in strijd is met het landelijk procesreglement voor klachten bij de raden van discipline, is gebaseerd op een onjuiste en onvolledige vaststelling van de feiten, onvoldoende is gemotiveerd, in strijd is met fundamentele beginselen van hoor en wederhoor en de eigen verantwoordelijkheid van verweerster als advocaat miskent.
6.2 Ter onderbouwing voert klaagster – samengevat – de volgende beroepsgronden aan:
1) ten onrechte heeft de raad op grond van artikel 1.4 procesreglement toegestaan dat verweerster – nadat haar verzoek om uitstel van de zitting was gehonoreerd – stukken heeft ingediend voorafgaand aan de nieuwe zittingsdatum. Door dit wel toe te staan aan verweerster maar niet aan klaagster is er sprake van ongelijkheid van procespositie, schending artikel 6 EVRM en schending van hoor en wederhoor;
2) de raad heeft de volgende feiten onjuist en onvolledig vastgesteld: uitstel van de zitting op verzoek van klaagster, expliciete vermelding in de advocatenbrief dat er “reeds eerder” afspraken waren gemaakt tussen verweerster en de commissie, de civiele rechter heeft vastgesteld dat het onderzoeksbureau zonder klaagster overlegde met verweerster over dossierverstrekking en verweerster heeft de advocatenbrief ondertekend en daarmee bewust afweek van de overeengekomen procedure;
3) de raad heeft volgens klaagster de beslissing onvoldoende gemotiveerd door niet de advocaten-brief, de afwijkende afspraken en de civielrechtelijke bevindingen te bespreken en niet te motiveren waarom verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Ook stelt klaagster dat de raad de eigen verantwoordelijkheid van verweerster heeft miskend;
4) volgens klaagster heeft de raad de navolgende civielrechtelijke bevindingen van de rechtbank onjuist gewaardeerd: het onderzoeksbureau overlegde zonder klaagster met verweerster, verweerster kreeg eerder toegang tot het dossier, klaagster werd ongelijk behandeld en de inzagemogelijkheid voor klaagster was ontoereikend;
5) de raad heeft volgens klaagster hoor en wederhoor geschonden tijdens de zitting omdat uit het proces-verbaal blijkt dat klaagster geen gelegenheid kreeg haar pleitnota in de eerste termijn voor te dragen, de raad heeft geweigerd op het formele bezwaar in te gaan (nagekomen stukken, beroepsgrond 1) en de raad aandrong op een inhoudelijke behandeling terwijl volgens klaagster de procedurele basis ontbrak. Dit is volgens klaagster in strijd met een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).
Verweer verweerster
6.3 Door verweerster is gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
7.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
geen schending procesreglement en/of procesbeginselen
7.3 De beroepsgronden 1 en 5 gaan over de behandeling ter zitting bij de raad en de beslissing van de raad om twee nagezonden stukken van de zijde van verweerster, ingediend op 12 september 2025, toe te laten en aan het dossier toe te voegen. Deze beroepsgronden slagen niet wat het hof hierna zal toelichten.
7.4 Op basis van artikel 1.4 van het procesreglement van de raden van discipline mag de raad, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van de daarin opgenomen bepalingen. Om die reden mocht de raad, ondanks het bepaalde in artikel 2.5.4 van het procesreglement (waarin is bepaald dat wanneer binnen 14 dagen voor een geplande zitting wordt verzocht om uitstel en dit uitstel is ingewilligd, geen stukken meer mogen worden ingediend), beslissen dat de op 12 september 2025 door verweerster ingediende stukken werden toegelaten tot het dossier. De raad heeft die beslissing ook toegelicht: één document maakte reeds deel uit van het klachtdossier (en de inhoud was daarmee bij klaagster bekend) en verweerder beschikte niet eerder dan 28 augustus 2025 over het andere document en dat was ná de eerder geplande zittingsdatum (16 juni 2025).
7.5 Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad leidt het hof verder af dat de raad de zitting kort heeft geschorst voor beraad, alvorens te beslissen over de (on)toelaatbaarheid van de door verweerster nagezonden stukken. Vervolgens heeft klaagster – na hervatting van de zitting en nadat de raad zijn procedurele beslissing had toegelicht – de gelegenheid gehad om op de toegelaten stukken te reageren. Dit maakt volgens het hof dat de raad op zorgvuldige wijze tot zijn procedurele beslissing over de toelaatbaarheid van deze stukken is gekomen. Dat klaagster vervolgens aanvankelijk geen gebruik wilde maken van de mogelijkheid op deze stukken te reageren (en ook overigens haar standpunt nader toe te lichten) maar – zo volgt uit het proces-verbaal – in plaats daarvan aanstalten maakte om de zitting te verlaten, komt voor risico van klaagster. Het hof voegt daar nog aan toe dat de stukken die de raad op de zitting heeft toegelaten voor klaagster niet nieuw waren, zodat klaagster door deze procedurele beslissing van de raad ook niet kan zijn overvallen.
vaststelling van de feiten
7.6 Het beroep van klaagster tegen de door de raad vastgestelde feiten (beroepsgrond 2) slaagt niet. Het hof stelt zelfstandig de feiten vast en is niet gebonden aan wat de raad heeft vastgesteld. Daarbij neemt het hof uitsluitend die feiten in de beslissing op die als niet betwist vaststaan en voor het hof relevant zijn voor de te nemen beslissing.
inhoudelijke toetsing van de klacht
7.7 De beroepsgronden 3 en 4 van klaagster zien op de inhoudelijke beoordeling door de raad van de klacht van klaagster. Tijdens de behandeling ter zitting heeft klaagster desgevraagd toegelicht dat zij met haar brief van 29 maart 2026 niet beoogd heeft om de klacht over verweerster uit te breiden. De brief was volgens klaagster alleen bedoeld als een aanvullende toelichting op de klacht zoals deze thans in beroep voorligt bij het hof.
7.8 Het hof ziet op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om tot een andere beoordeling dan de raad te komen. Klaagster heeft ter zitting toegelicht dat zij tijdens haar dienstverband bij het ziekenhuis te maken had met verweerster en wel eens met haar samenwerkte. Het hof begrijpt het hierdoor ontstane ongemak bij klaagster, maar dit betekent niet dat er om die reden sprake is van het behartigen van tegengestelde belangen door verweerster. Klaagster heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat verweerster ook niet de indruk heeft gewekt dat zij in haar contacten met B&S ook optrad voor klaagster. Verweerster trad op voor het ziekenhuis en voor de twee (oud)werknemers over wie klaagster een klacht had ingediend (die door B&S werden onderzocht). In zoverre er dienaangaande sprake zou kunnen zijn van een tegengesteld belang, kunnen uitsluitend de cliënten van verweerster daarover tuchtrechtelijk klagen. Daarbij heeft klaagster – als wederpartij – geen eigen rechtstreeks belang. Daarom komt haar geen beroep toe op gedragsregel 15 (HvD 20 april 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:114 en de daarin genoemde uitspraak van HvD 11 april 2016 ECLI:NL:TAHVD:2016:77). Ook overigens is het hof niet gebleken dat verweerster onduidelijkheid heeft laten ontstaan in de communicatie met B&S en/of klaagster of zij voor het ziekenhuis optrad dan wel voor de twee (oud) werknemers.
7.9 Het ziekenhuis (de cliënt van verweerster) heeft – met instemming van klaagster – het onderzoek naar aanleiding van de door klaagster ingediende klachten extern uitbesteed aan B&S omdat het ziekenhuis niet kon voorzien in een interne klachtencommissie. De regie over het onderzoek is daarmee komen te liggen bij B&S en niet bij (de cliënt van) verweerster. Die heeft uitsluitend het doen van onderzoek door B&S gefaciliteerd. B&S heeft bij de aanvaarding van de opdracht de uitgangspunten van het onderzoek geformuleerd, inclusief de bepaling van vertrouwelijkheid. Gelet hierop en de uitdrukkelijke toezegging van B&S dat zij regie voerde over het toepassen van hoor en wederhoor mocht verweerster daar op vertrouwen. Daarom kunnen (procedurele) beslissingen die B&S tijdens het onderzoek heeft genomen, niet aan verweerster worden tegengeworpen. Het hof is verder uit het dossier niet gebleken dat verweerster heimelijk afspraken heeft gemaakt met B&S buiten (de advocaat van) klaagster om dan wel anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.
7.10 Het feit dat de rechtbank Rotterdam in zijn eindvonnis van 4 maart 2026 voor recht heeft verklaard dat B&S jegens klaagster onrechtmatig heeft gehandeld is een oordeel in een civielrechtelijke procedure. Verweerster is geen partij in deze procedure (geweest). Ook maakte zij geen deel uit van de onderzoekscommissie van B&S. Verweerster heeft, als advocaat van het ziekenhuis, uitsluitend gefaciliteerd dat B&S het onderzoek kon uitvoeren. Reeds hierom kan klaagster haar klacht over verweerster niet (mede) doen steunen op de inhoud van deze uitspraak van de rechtbank. Daar voegt het hof nog aan toe dat de tuchtrechter ook niet zonder meer aan een uitspraak van een civiele rechter gebonden is omdat de tuchtrechter oordeelt vanuit een ander kader dan de civiele rechter (of de strafrechter). De tuchtrechter beoordeelt niet de toewijsbaarheid van een vordering maar beoordeelt of een advocaat heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt (artikel 46 Advocatenwet / Hof van Discipline 19 januari 2026 ECLI:NL:TAHVD:2026:13). Dit betekent dat ook deze beroepsgronden geen doel treffen.
Slotsom
7.11 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
– bekrachtigt de beslissing van 17 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, genomen onder nummer 25-082/DB/OB.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. J. Steenbrink en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 juni 2026 .