ECLI:NL:TAHVD:2026:10 Hof van Discipline 's Gravenhage 240335H
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 13-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240335H |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Herzieningsverzoek, niet-ontvankelijk. Artikel 1.3 herzieningsprotocol niet van toepassing. Verzoeker komt geen beroep toe op artikel 6 EVRM. De door verzoeker daarbuiten aangevoerde omstandigheden, wat daar verder ook van zij, en de door verzoeker aangehaalde uitspraken zijn ook geen reden om van het herzieningsprotocol af te wijken. |
Beslissing van 12 januari 2026
in de zaak 240335H
naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:
verzoeker
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 28 oktober 2024 van de Raad van Discipline
in het ressort Den Haag (hierna: de raad). De raad heeft met die beslissing (met zaaknummer
24-271/DH/RO) de klacht van klager over de advocaat die hem in een bestuursrechtelijk
geschil heeft bijgestaan, niet-ontvankelijk verklaard, omdat de klacht niet is ingediend
binnen de daarvoor gestelde termijn van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet.
Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:204 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Verzoeker heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Het hof heeft
bij beslissing
van 4 juli 2025 (met zaaknummer 240335) de beslissing van de raad bekrachtigd.
Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:119 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoeker heeft op 11 oktober 2025 een verzoek tot nietigverklaring dan wel hernieuwde behandeling bij het hof ingediend. Het hof begrijpt dat verzoeker hiermee om herziening van de beslissing van het hof van 4 juli 2025 verzoekt.
2.2 Verder bevat het herzieningsdossier:
- het verweerschrift van verweerder (de verwerend advocaat in de hoofdzaak) van
24 oktober 2025;
- een e-mail van verzoeker van 28 oktober 2025, met als bijlage een brief van
dezelfde datum, met bijlagen;
- de e-mail van het hof van 30 oktober 2025 als reactie op de e-mail van verzoeker
van 28 oktober 2025;
- de repliek van verzoeker van 5 november 2025.
2.3 Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld op grond van artikel 4 lid 2 van het herzieningsprotocol.
3 BEOORDELING
3.1 Tegen een beslissing van het hof is in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel
opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van
een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak
van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof een zodanig verzoek niet
in behandeling.
3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol
van het hof, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling
nemen. Er moet dan sprake zijn van de uitzonderingen die in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol
zijn opgenomen. Op die uitzonderingen kan op grond van artikel 1.3 van het herzieningsprotocol
alleen een beroep worden gedaan door een advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan
herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd.
Het herzieningsverzoek van klager
3.3 Verzoeker heeft aan zijn herzieningsverzoek het volgende - verkort en zakelijk
weergegeven - ten grondslag gelegd:
1. De samenstelling van het hof bij de mondelinge behandeling van de hoofdzaak
op 9 mei 2025 kwam niet overeen met de voorafgaand aan de zitting op de website van
het hof kenbaar gemaakte samenstelling. Verzoeker is niet vooraf over de wijziging
van de samenstelling geïnformeerd, waardoor hij niet heeft kunnen beoordelen of er
gronden voor wraking of bezwaar aanwezig waren. Hierdoor is inbreuk gemaakt op het
beginsel van hoor en wederhoor, en dit is strijdig met de vereisten van transparantie
en onafhankelijkheid zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM en de Leidraad onpartijdigheid
en integriteit van de tuchtrechtspraak.
2. De griffie van de Raad van Discipline Den Haag en die van het Hof van Discipline
zijn organisatorisch en fysiek met elkaar verweven. Deze situatie ondermijnt de institutionele
onafhankelijkheid van het hof en roept de objectieve schijn van partijdigheid op.
3. Tijdens de zitting van 9 mei 2025 is gebleken dat de nieuwe leden van het
hof onvoldoende waren ingelezen in het dossier. Dit duidt op een gebrek aan voorbereiding
en zorgvuldigheid en past niet bij de vereisten van een behoorlijke rechtspleging.
Daardoor is geen sprake van een gelijkwaardige en eerlijke behandeling zoals vereist
door artikel 6 EVRM.
4. Het proces-verbaal van de zitting van 9 mei 2025 bevat geen volledige en juiste
weergave van wat is besproken. Belangrijke opmerkingen en formele kanttekeningen van
verzoeker zijn daarin niet opgenomen, waardoor niet objectief kan worden vastgesteld
of verzoekers standpunten correct zijn gehoord en/of beoordeeld. Daardoor kan niet
worden getoetst of de behandeling heeft voldaan aan de eisen van een eerlijk proces.
Dit levert een vormverzuim op.
Verzoeker concludeert dat de combinatie van het hiervoor onder 1 tot en met 4 genoemde een ernstige schending van artikel 6 EVRM oplevert, waardoor van een eerlijk, onafhankelijk en onpartijdig proces geen sprake is geweest. Verzoeker verzoekt het hof daarom:
1. de eerdere behandeling nietig te verklaren wegens schending van de fundamentele
beginselen van procesrecht;
2. de zaak opnieuw te laten behandelen door een volledig onafhankelijk en vooraf
kenbaar samengesteld hof;
3. in afwachting daarvan een duidelijk protocol vast te stellen voor voorafgaande
kennisgeving van samenstellingen;
4. structureel te waarborgen dat de griffie van het Hof niet langer verweven
is met die van de Raad van Discipline;
5. te voorzien in maatregelen om te voorkomen dat leden zitting nemen zonder
zich aantoonbaar volledig te hebben verdiept in het dossier.
Het standpunt van verweerder
3.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker in het herzieningsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beoordeling van het herzieningsverzoek
3.5 Verzoeker is in de tuchtprocedure de klagende partij en geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Verzoeker kan dan ook geen beroep doen op de hiervoor genoemde en in het herzieningsprotocol opgenomen uitzonderingen. Daarom zal verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.6 Ten aanzien van het beroep dat verzoeker op artikel 6 EVRM doet, overweegt het hof dat klager in dit geval geen beroep toekomt op dat artikel. Het hof verwijst daarvoor naar zijn uitspraak van 3 juni 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:97. De door verzoeker daarbuiten aangevoerde omstandigheden, wat daar verder ook van zij, zijn ook geen reden om van het herzieningsprotocol af te wijken. In zijn repliek heeft verzoeker verder nog aangevoerd dat het hof in eerdere uitspraken heeft bevestigd dat ook derden in een verzoek om herziening ontvankelijk verklaard kunnen worden als sprake is van schending van een of meer fundamentele rechtsbeginselen. De uitspraken waar verzoeker naar verwijst zien daar echter niet op en betreffen bovendien geen herzieningsverzoeken. Ook deze door verzoeker aangehaalde uitspraken zijn dan ook geen reden om van het herzieningsprotocol af te wijken.
3.7 Het hof zal het verzoek op de voet van artikel 4.2 van het herzieningsprotocol zonder mondelinge behandeling niet-ontvankelijk verklaren.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn herzieningsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 12 januari 2026.