ECLI:NL:TADRAMS:2026:83 Raad van Discipline Amsterdam 25-678/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:83 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-04-2026 |
| Datum publicatie: | 24-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-678/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 april 2026
in de zaak 25-678/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 17 november 2025 op de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. C.W. Noorduyn
over:
verweerder
gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 23 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 6 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2435892/JS/AS
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 17 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht met toepassing van artikel 46g lid
1, aanhef en onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare
termijnoverschrijding. Deze beslissing is op 17 november 2025 verzonden aan partijen.
1.4 Op 16 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij
waren klager en verweerder met hun gemachtigden aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de namens verweerder
op 20 februari 2026 nagezonden stukken en de namens klager op 23 februari 2026 nagezonden
stukken.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
a) de voorzitter is uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige feiten;
b) de voorzitter is uitgegaan van een onjuiste en/of onvolledige klachtomschrijving;
c) de voorzitter heeft ten onrechte overwogen dat geen sprake zou zijn van (zeer)
bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding van de initieel
ingediende klachten verschoonbaar zou kunnen worden geacht.
3 BEOORDELING
3.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
3.2 Klager heeft allereerst gesteld dat de voorzitter een aantal feiten niet
juist heeft weergegeven in haar beslissing (verzetgrond a). De raad overweegt dat
wat er ook zij van de juistheid hiervan, dit niet kan leiden tot gegrondverklaring
van het verzet. De betreffende feiten zijn immers niet van belang voor de beoordeling
van de klacht. De voorzitter heeft namelijk de klacht niet-ontvankelijk verklaard
vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding van drie jaar, waardoor een inhoudelijke
beoordeling van de klacht (en van de feiten) achterwege is gebleven.
3.3 Klager heeft verder gesteld dat de voorzitter is uitgegaan van een onjuiste
en/of onvolledige klachtomschrijving (verzetgrond b). Klager heeft namelijk in september
2025 aanvullende klachten ingediend bij de deken, maar de deken heeft geweigerd deze
in behandeling te nemen. Volgens klager heeft de voorzitter ten onrechte geen kennis
genomen van deze aanvulling. De raad volgt klager niet in dit betoog. Het toetsingskader
in verzet - weergegeven in rechtsoverweging 3.1 - biedt de raad geen ruimte voor beoordeling
van nieuwe klachten. Ook de voorzitter had gelet op artikel 46c lid 1 Advocatenwet
niet kunnen oordelen over nieuwe aanvullende klachten die niet eerst zijn onderzocht
door de deken. Dat de deken volgens klager heeft geweigerd de aanvullende klacht te
onderzoeken, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verzetgrond slaagt dan ook evenmin.
3.4 Ook verzetgrond c) faalt. Het is de raad niet gebleken dat de voorzitter
bij haar beoordeling dat geen sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond
waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht toepassing heeft
gegeven aan een onjuiste maatstaf of is uitgegaan van onjuiste of onvolledige feiten.
3.5 De raad komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat in redelijkheid niet
hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het
verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten
oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet
daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. M. Kemmers en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026