ECLI:NL:TGZRZWO:2025:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7710
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:125 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-10-2025 |
| Datum publicatie: | 20-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2024/7710 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen neuroloog kennelijk ongegrond. Klaagster is door de huisarts verwezen naar de afdeling neurologie in het ziekenhuis waar verweerster als neuroloog werkzaam is. Hier is zij onderzocht door een arts-assistent onder supervisie van verweerster en eveneens door verweerster zelf. De klacht heeft betrekking op het door verweerster verrichte onderzoek en haarsupervisie en begeleiding van de arts-assistent. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 17 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde C, wonende te B,
tegen
E,
neuroloog,
(destijds) werkzaam in F,
verweerster, hierna ook, de neuroloog,
gemachtigde G, jurist werkzaam te F.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is door de huisarts verwezen naar de afdeling neurologie in het
ziekenhuis waar verweerster als neuroloog werkzaam is. Hier is zij onderzocht door
een arts-assistent onder supervisie van verweerster en eveneens door verweerster zelf.
-
- De klacht heeft betrekking op het door verweerster verrichte onderzoek en haar
supervisie en begeleiding van de arts-assistent.
-
- Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2024;
- het aanvullende klaagschrift, binnengekomen op 5 november 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, binnengekomen op 3 januari 2025;
- de repliek, binnengekomen op 14 februari 2025;
- de dupliek, binnengekomen op 18 maart 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 mei 2025;
- de brief namens verweerster, binnengekomen 2 juni 2025, die als bijlage aan het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek is gehecht.
2.2 Klaagster heeft tevensook een tuchtklacht ingediend tegen een collega neuroloog.
Deze zaak is bekend onder zaaknummer Z2024/7709. In die zaak wordt bij afzonderlijke
beslissing van dezelfde datum beslist.
2.3 Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster het klachtonderdeel dat
initieel klachtonderdeel 3 was, over een verwijsbrief aan de oogarts en de huisarts,
ingetrokken omdat de neuroloog daarvoor excuses heeft aangeboden en een nieuwe verwijsbrief
heeft gemaakt.
2.4 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 1948, is op 17 februari 2022 met diverse klachten door de huisarts voor verdere diagnostiek verwezen naar de afdeling neurologie van het H (hierna: het ziekenhuis) met daarbij de volgende toelichting (letterlijk overgenomen):
“Reden + context verwijzing diverse klachten die volgens pte en haar partner kunnen duiden op myasthenia Gravis. Graag uw oordeel en zn behandeling
Ingestelde behandeling S/ Al heel lang vermoeidheidsklachten. jaren geleden diverse ontstekingen aan handen. Toen door reumatoloog geduid als artrose maar betrof volgens partner artridien. Visuskalchten waarbij er dubbelbeelden waren. Volgens partner probleem in de motoriek van de ogen. Door de oogartsen behoudens milde staat gene afwijken gevonden. Mw heeft chronische buikklachten met wisselende ontlasting hard/zacht. mogelijk spastische darmen. Ook enorm ast van flatus wat zou kunnen passen bij verminderde sphincterspanning. Ook vaak bij inspanning erg moe. voelt niet als normaal moe.”
3.2 Op 28 maart 2022 is klaagster voor het eerst gezien op de afdeling neurologie door een arts-assistent neurologie onder supervisie van verweerster. De arts-assistent heeft een anamnese afgenomen en een neurologisch onderzoek verricht. Ook verweerster zelf heeft klaagster neurologisch onderzocht. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat sprake was van dubbelzien, met als differentiaal diagnose myasthenia gravis. Als beleid werd bepaald dat nader onderzoek verricht moest worden in de vorm van een single fiber EMG en aanvullend labonderzoek (Anti acetylcholine receptor).
3.3 De uitslagen van het onderzoek zijn op 11 april 2022 door de arts-assistent met klaagster besproken. Daarbij is aan klaagster meegedeeld dat zowel de EMG als het aanvullend bloedonderzoek geen aanwijzingen liet zien voor myasthenia gravis en dat er geen neurologische verklaring was voor haar klachten. Klaagster werd voor verder onderzoek verwezen naar oogheelkunde om subtiele oogbewegingsstoornissen of andere oculaire afwijkingen te objectiveren dan wel uit te sluiten.
3.4 Op 16 januari 2023 heeft klaagster een klacht ingediend bij het afdelingshoofd van de afdeling Neurologie over het tot dan toe verrichte onderzoek en de begeleiding van de arts-assistent. Omdat klaagster geen nut zag in onderzoek door een oogarts, had zij die afspraak afgezegd. Klaagster wenste een vervolgonderzoek bij de neuroloog, met de kanttekening dat dit niet verricht zou worden door de eerder betrokken arts-assistent.
3.5 Hierna is klaagster op 2 maart 2023 opnieuw onderzocht, ditmaal door verweerster. Op basis van een (hetero)anamnese en neurologisch onderzoek heeft verweerster als volgt geconcludeerd:
“Conclusie
3. Dubbelzien bij kijken naar rechts en links, wisselend in ernst.
4. Pijnklachten in beide armen, met gevoel van branderigheid. Bij NO normale sensibiliteit, kracht en reflexen.
6. Mogelijk is er sprake van degeneratieve veranderingen van de cervicale wervelkolom, met in wisselende mate radiculaire compressie.
9. Ongerustheid over een structurele intracerebrale oorzaak van haar klachten (mede gezien familie anamnese).”
Verweerster heeft klaagster voor het dubbelzien alsnog verwezen naar de polikliniek oogheelkunde voor orthoptisch onderzoek. Verder werd een MRI CWK afgesproken en een MRI hersenen. Omdat verweerster op basis van de anamnese en het neurologisch onderzoek geen verdenking had op neuroborreliose, bleef een verwijzing naar de internist achterwege. Over de reeds eerder gemelde flatulentieproblemen van klaagster heeft verweerster geadviseerd dit met de huisarts te bespreken, waarbij zij als mogelijkheid heeft benoemd dat bekkenbodemfysiotherapie hierin enige verbetering zou kunnen geven. Op 29 maart 2023 heeft verweerster haar bevindingen teruggekoppeld aan de huisarts van klaagster.
3.6 Vanwege ingediende klachten van klaagster over onder meer het verloop van het consult van 2 maart 2023 is zij voor verder onderzoek gezien door een collega neuroloog.
4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1 Klaagster verwijt de neuroloog dat zij:
1. onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de klachten van klaagster;
2. ondermaatse supervisie heeft gegeven en onvoldoende begeleiding van de betrokken arts-assistent in maart en april 2022 en zich daarbij aan haar eigen verantwoordelijkheid heeft onttrokken;
3. de talloze aanwijzingen en de ongerustheid van klaagster niet serieus heeft genomen, waardoor vertraging is ontstaan;
4. de ondermaatse supervisie en begeleiding en het flatulentieprobleem van klaagster niet heeft besproken tijdens het consult in maart 2023, terwijl zij deze onderwerpen zonder overleg of ruggespraak wel heeft benoemd in haar brief aan de huisarts;
5. de oorzaken van de flatulentieproblemen onvoldoende heeft onderzocht en bekkenbodemtherapie
heeft voorgesteld zonder een daaraan ten grondslag liggende diagnose.
4.2 De neuroloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel 1. onvoldoende onderzoek
5.2 Volgens klaagster heeft de neuroloog onvoldoende onderzoek gedaan naar haar klachten.
5.3 Het college volgt klaagster hierin niet. Voor zover klaagster heeft aangevoerd dat de neuroloog op grond van het landelijke protocol anti-MuSK antistoffen had moeten bepalen, overweegt het college dat daarvoor in de situatie van klaagster geen aanleiding bestond. Volgens de op dat moment geldende ziekenhuisbrede richtlijn Myasthenia gravis hoefden alleen antistoffen bepaald te worden in het geval van gegeneraliseerde, bulbaire of respiratoire myasthenia gravis. De landelijke richtlijn waarnaar door klaagster wordt verwezen, was weliswaar in januari 2022 inwerkinggetreden, echter het proces van revisie van de lokale richtlijn op basis hiervan was in maart 2022 nog niet afgerond. Dit kan evenwel niet leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt. Ondanks de lage verdenking bij klaagster op MG is wel conform de lokale richtlijn een EMG en bloedonderzoek naar antistoffen aangevraagd. Verder is klaagster uitgebreid neurologisch onderzocht, waarbij verweerster als supervisor optrad en waarbij naar het oordeel van het college voldoende aandacht is geweest voor klaagsters gezondheidsklachten.
Klachtonderdeel 1. is hiermee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 2. onvoldoende supervisie en begeleiding in maart-april 2022
5.4 Op grond van de ervaring van de arts-assistent neurologie mocht zij zelfstandig
consulten uitvoeren en aansluitend heeft supervisie plaatsgevonden. Het consult is
ook met verweerster voorbesproken. Verweerster heeft klaagster ook zelf gezien toen
zij een deel van het neurologisch onderzoek heeft herhaald, namelijk het onderzoek
van de oogvolgbewegingen. In het medische dossier staat in het voortgangsverslag van
28 maart 2022 genoteerd: “Sv J”. Dat in één specialistenbrief ten onrechte is terechtgekomen:
“smartphrase supervisor niet gedefinieerd” kan niet leiden tot een ander oordeel.
Dit is naar alle waarschijnlijkheid een administratieve vergissing en kan niet leiden
tot de conclusie dat onvoldoende supervisie en begeleiding heeft plaatsgevonden door
verweerster in maart en april 2022.
Dit betekent dat ook klachtonderdeel 2. kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel 3. niet serieus nemen van aanwijzingen en ongerustheid van patiënte
5.5 Na de eerdere contacten van klaagster met een collega neuroloog heeft verweerster
in het gesprek op 2 maart 2023 geprobeerd op alle vragen van klaagster en haar echtgenoot
rondom de diagnose in te gaan. Ook is een volledig nieuwe anamnese afgenomen. Verweerster
heeft een driedeling aangebracht in de klachten en in het beleid. Er is expliciet
gevraagd naar de zorgen van klaagster. Dit blijkt ook uit het voortgangsverslag onder
het kopje ‘cognitie’. Ook is aanvullend onderzoek uitgezet. Op grond van het voorgaande
is het college van oordeel dat er geen grond is voor het verwijt dat verweerster klaagsters
klachten en ongerustheid niet serieus heeft genomen. Klachtonderdeel 3. is hiermee
eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 4. Het niet bespreken van de ondermaatse supervisie en begeleiding
en het flatulentieprobleem tijdens het consult van 2 maart 2023
5.6 Het consult van 2 maart 2023 betrof een gecombineerd consult waarbij ook de
klachtenfunctionaris aanwezig was. Uit het voortgangsverslag naar aanleiding van dit
consult blijkt dat de eerdere consulten en de klachten daarover van klaagster en haar
echtgenoot zijn besproken. Zoals klaagster tijdens het mondeling vooronderzoek heeft
verklaard, was zij het eens met de uitleg van verweerster over de supervisie van arts-assistenten.
Het flatulentieprobleem is blijkensvolgens het voortgangsverslag kort aan de orde
geweest. Het college ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat het niet zou
zijn besproken en zonder overleg wel in het verslag is genoteerd, kan het college
dan ook niet vaststellen. Verder is het college van oordeel dat verweerster terecht
heeft kunnen concluderen dat er geen aanleiding was te veronderstellen dat de flatulentieklachten
in relatie stonden met de klachten van diplopie, klachten aan beide armen, of dat
deze klachten een structurele intracerebrale oorzaak hadden. Dat klaagster en haar
echtgenoot het niet eens zijn met de uitleg van verweerster, maakt niet dat hiervoor
onvoldoende aandacht is geweest. Dit betekent dat klachtonderdeel 4. kennelijk ongegrond
is.
Klachtonderdeel 5. onvoldoende onderzoek naar flatulentieproblemen en bekkenbodemtherapie
voorgeschreven zonder diagnose
5.7 Hiervoor geldt deels hetzelfde als hiervoor onder 4.5 is overwogen. Zoals
blijkt uit het verslag van het consult op 2 maart 2023 is tijdens dat consult gesproken
over bekkenbodemtherapie voor de flatulentieproblemen en heeft de neuroloog aan klaagster
gevraagd of dit al geprobeerd was. Verweerster is neuroloog en van haar kan niet verwacht
worden dat zij daar zelf verder onderzoek naar doet. Dat ligt meer op het terrein
van bijvoorbeeld een maag-darm-leverarts. Verweerster heeft klaagster dan ook terecht
terugverwezen naar de huisarts om de klachten daar te bespreken. Dat zij daarbij in
de specialistenbrief aan de huisarts heeft opgenomen dat de mogelijkheid van bekkenbodemoefeningen
bestaat is niet een door verweerster voorgeschreven behandeling, maar enkel een geste
van de neuroloog richting de huisarts. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 17 oktober 2025 door W.P. Claus, voorzitter,
M. Beudel en S.T.F.M. Frequin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke,
secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.