ECLI:NL:TGZRZWO:2025:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/7995
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:119 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-10-2025 |
| Datum publicatie: | 09-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/7995 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige kennelijk ongegrond. In het kader van de aanvraag van een WIA-uitkering heeft verweerster klaagster onderzocht en een verzekeringsgeneeskundige beoordeling verricht. Met inachtneming van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn er voor klaagster diverse functies geduid en is aan klaagster een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De klacht heeft betrekking op, samengevat, het mede door verweerster uitgevoerde onderzoek en het mede door haar opgestelde rapport. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 3 oktober 2025 op de klacht van:
A, klaagster,
B, klager,
wonende in C,
gemachtigde: mr. M. Verstegen,
tegen
D,
verpleegkundige,
(destijds) werkzaam in G,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. I. Veldhuizen.
1. De zaak in het kort
1.1 In het kader van de aanvraag van een WIA-uitkering heeft verweerster klaagster
onderzocht en een verzekeringsgeneeskundige beoordeling verricht. Met inachtneming
van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn er voor klaagster diverse
functies geduid en is aan klaagster een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.
De klacht heeft betrekking op, samengevat, het mede door verweerster uitgevoerde onderzoek
en het mede door haar opgestelde rapport.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 januari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 5 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Klagers hebben gelijktijdig met deze klacht nog twee klachten ingediend tegen
betrokken verzekeringsartsen. Deze zaken zijn geregistreerd onder de zaaknummers Z2025/7996
en Z2025/7997. In alle zaken wordt gelijktijdig uitspraak gedaan.
2.4 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster was werkzaam als HR-medewerker/adviseur beleidsmedewerker voor 14,71
uur per week van 17 mei 2021 tot en met 31 juli 2022. Zij ontving vervolgens een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet (WW) en vanaf 28 september 2022 een uitkering op
grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Op 18 januari 2023 meldde zij zich arbeidsongeschikt
voor dit werk. Per einde wachttijd heeft door de verzekeringsarts (verweerder in zaaknummer
Z2025/7996) een verzekeringsgeneeskundige beoordeling plaatsgevonden in het kader
van de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen
(WIA).
3.2 Het eerste deel van het gesprek met klaagster op 12 november 2024 werd gevoerd
met verweerster als sociaal medisch verpleegkundige in het kader van taakdelegatie.
Zij stelde de arbeidsanamnese, sociale anamnese en een deel van de onderzoeksbevindingen
in de rapportage van 15 november 2024 op. Na het gesprek tussen klaagster en verweerster
wachtte klaagster ongeveer vijftien minuten in de wachtruimte en bespraken verweerster
en de verzekeringsarts de bevindingen. Daarna volgde een aanvullend gesprek met de
verzekeringsarts. Hij sprak klaagster, in aanwezigheid van verweerster, en deed (lichamelijk
en psychisch) onderzoek. Verder stelde hij de overige onderdelen in de rapportage
op. Klager was ten tijde van het gesprek en onderzoek op 12 november 2024 telefonisch
aanwezig.
3.3 Van dit onderzoek stelde de verzekeringsarts een medisch onderzoeksverslag en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, gedateerd op 15 november 2024.
3.4 Onder ‘psychisch onderzoek’ rapporteerde de verzekeringsarts (alle citaten letterlijk
weergegeven):
“Betrokkene reageert op adequate wijze. Zij vertelt open haar verhaal. Tijdens het
onderhoud zijn er geen stoornissen in de aandacht, concentratie en het geheugen. Zij
kan op een rustige en chronologische wijze haar verhaal vertellen. Zij heeft geen
woordvindstoornissen. Er zijn geen aanwijzingen voor psychische klachten. De intelligentie
wordt als gemiddeld ingeschat. Betrokkene maakt geen sombere indruk. Het affect moduleert
adequaat.”
3.5 De verzekeringsarts trok in zijn rapport de conclusie dat klaagster verminderde
functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de
FML. Er is, volgens de verzekeringsarts, een redelijke of goede verwachting dat verbetering
van de belastbaarheid zal optreden in het komende jaar of daarop volgende jaar. Verder
overwoog de verzekeringsarts in zijn rapport:
“Betrokkene claimt concentratie problemen. Zij is echter goed in staat activiteiten
te ondernemen als auto te rijden. Betrokkene is zelfstandig met de auto naar het spreekuur
gekomen. Er is daarom op dit vlak geen beperkingen volgens de CBBS criteria. Er zijn
bestaande belemmeringen t.a.v. haar hemiplegie links die worden meegenomen in de FML.
Er is tevens sprake van een chronische bursitis rechter schouder waardoor werk boven
schouderniveau beperkt is. Wegens de energetische beperkingen en het feit dat betrokkene
overdag een slaapmoment heeft is een urenbeperkingen van 6 uur per dag, 30 uur per
week aan de orde. Verbetering van de belastbaarheid in de toekomst is nog te verwachten
als betrokkene adequaat behandeld gaat worden.”
3.6 Klagers reageerden vervolgens op het medisch onderzoeksverslag en rapport en op 20 november 2024 diende klager namens klaagster een interne klacht in bij het UWV. Een collega van de verzekeringsarts (verweerder in zaaknummer Z2025/7997) had in de hoedanigheid van districtsmanager Arbeid & Gezondheid/districtsadviseur medisch contact met klagers om de klachten te horen. De collega van de verzekeringsarts nam vervolgens contact op met verweerder en legde de reactie van klagers voor als een cliëntverzoek om correctie. De verzekeringsarts rapporteerde hierop aanvullend en paste de FML aan. De interne klacht is verder behandeld en werd op 31 december 2024 afgerond.
3.7 Bij besluit van 17 januari 2025 is aan klaagster een WIA-uitkering (loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend. In het kader van de WIA was sprake van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,71%. Klagers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Op 5 februari 2025 hadden klagers nog een gesprek met de collega van de verzekeringsarts met als doel dat hij uitleg zou geven over de beoordeling en beoordelingscriteria door de verzekeringsarts en te bespreken of er mogelijkheden waren om de beoordeling aan te passen. De verzekeringsarts kon vanwege privé omstandigheden niet aansluiten bij dit gesprek.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klagers verwijten de verpleegkundige:
- Onjuiste verslaglegging. Het verslag bevat onjuiste informatie en veel andere informatie is niet opgenomen in het verslag;
- Onheuse bejegening;
- Onprofessioneel handelen. Zo was de vraagstelling suggestief, werd klaagster veel
geholpen en ontstond een vertekend beeld van de medische situatie van klaagster. Ook
liet verweerster het gesprek te lang duren.
4.2 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
Op hetgeen de verpleegkundige heeft aangevoerd zal het college hieronder, voor zover
noodzakelijk voor de beoordeling, nader ingaan.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Daarnaast zijn er eisen die aan een rapportage worden gesteld: a) Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; b) Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; c) In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; d) Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; e) De rapporteur blijft bij het rapporteren binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
5.3 Het college toetst ten volle of het onderzoek door de verpleegkundige uit
het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan.
Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de verpleegkundige
in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.
5.4 Het college oordeelt dat de verpleegkundige niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Hieronder legt het college uit hoe het tot deze conclusie is gekomen.
Klachtonderdeel a) Onjuiste verslaglegging
5.5 Klagers stellen zich op het standpunt dat het gespreksverslag veel onjuiste
informatie bevat, en veel informatie uit het gesprek niet is opgenomen in het verslag.
Ook de correcties en aanvullingen zijn volgens klagers niet in een nieuw verslag verwerkt.
In de repliek verduidelijken klagers dit door, samengevat, te stellen dat verweerster
selectief informatie verzwegen heeft in haar verslaglegging om een positiever beeld
van het belastbaarheidsprofiel van klaagster te geven. Verweerster betoogt dat zij
bij de verslaglegging beoogde de feitelijke situatie weer te geven zoals deze tijdens
het gesprek met klaagster naar voren kwam en niet om een positiever beeld van klaagster
te schetsen. Van concrete, aantoonbare onjuistheden is geen sprake, aldus verweerster.
5.6 Het college stelt vast dat het rapport van 15 november 2024 voldoet aan de onder 5.2 genoemde criteria. Naar het oordeel van het college is er sprake van een zorgvuldig onderzoek. Verweerster heeft dossierstudie verricht en klaagster onderzocht. Hierin is door haar alle beschikbare relevante medische informatie betrokken, waaronder de eerdere informatie die beschikbaar was ten tijde van de Ziektewetbeoordeling van 16 oktober 2024. Op basis van dit onderzoek heeft (mede) verweerster in haar rapport op inzichtelijke wijze gerapporteerd. Voor zover klagers zich er niet in kunnen vinden dat in de rapportage niet woordelijk staat vermeld wat tijdens het spreekuur naar voren is gebracht, wordt opgemerkt dat de verslaglegging op gangbare en geaccepteerde wijze heeft plaatsgevonden. Een letterlijke weergave is niet gebruikelijk en kan ook niet van de verpleegkundige worden verlangd. Van bewuste verdraaiingen of onjuistheden is niet gebleken. Verder was verweerster niet gehouden de door klagers opgestuurde correcties en aanvullingen in een nieuw verslag te verwerken. Uit de door klagers opgestelde lijst met vermeende onjuistheden, blijkt dat zij een andere visie hebben op de medische beoordeling door verweerster. Dit maakt echter niet dat de door verweerster uitgevoerde beoordeling of verslaglegging onjuist is. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) Bejegening
5.7 Volgens klagers werd klaagster afgesnauwd als verweerster haar mening niet deelde. Verweerster betwist dat zij klaagster zou hebben afgesnauwd tijdens het spreekuur. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk objectief op hun juistheid laten beoordelen door derden – in dit geval het college – die van die communicatie geen getuige zijn geweest. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren.
5.8 Voor het geval waarin tussen betrokkenen over het feitelijk verloop van de communicatie verschil van mening bestaat, betekent het voorgaande dat de derde van wie wordt gevraagd verwijten als door klaagster gedaan te beoordelen, bij die beoordeling met betrekking tot de aanname van feiten terughoudendheid in acht moet nemen. Dat geldt zeker als het gaat om een tuchtrechtelijke beoordeling zoals in dit geval.
5.9 Die terughoudendheid brengt dan in dit geval met zich dat niet is komen vast te staan dat verweerster zich onprofessioneel heeft uitgelaten en dat haar derhalve ter zake geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel kan dan ook niet gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel c) Onprofessioneel handelen
5.10 Verweerster ontkent ten aanzien van dit klachtonderdeel dat zij suggestieve vragen
heeft gesteld. Wel stelde zij controlevragen om te conctroleren of zij het verhaal
van klaagster goed had begrepen en vroeg zij door wanneer zij dit nodig achtte. Dat
het spreekuur in totaal mogelijk anderhalf uur heeft geduurd, heeft als voordeel dat
klaagster maar één keer hoefde te verschijnen en dat zij de mogelijkheid had om eerst
uitgebreid haar verhaal bij de verpleegkundige te doen voordat zij met de verzekeringsarts
sprak. Zowel klaagster als klager, die telefonisch aanwezig was, hebben niet verzocht
het gesprek te beëindigen vanwege de lange duur.
5.11 Het college is van oordeel dat uit het rapport en onderliggende stukken
niet is gebleken dat verweerster onprofessioneel heeft gehandeld of dat zij onvoldoende
rekening heeft gehouden met de klachten van klaagster. Verweerster heeft op de gebruikelijke
wijze de te beantwoorden vragen doorgelopen die van belang zijn voor een objectieve
verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Dat zij hierbij niet één op één overneemt wat
klaagster heeft gezegd of af en toe moest controleren of zij klaagster goed begrepen
had, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar en getuigt eerder van zorgvuldige gespreksvoering.
Tot slot overweegt het college dat het feit dat het gesprek langer dan een uur (zoals
aanvankelijk aangekondigd) duurde, niet maakt dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Uit het rapport blijkt niet dat klaagster of klager, die telefonisch
aanwezig was, verweerster attendeerde op het feit dat het gesprek te lang duurde.
Uit praktische overwegingen vonden de gesprekken met verweerster en de verzekeringsarts
achter elkaar plaats. Voor het college is niet vast te stellen dat klaagster aan het
einde van het gesprek te moe was om nog adequaat te reageren. De verwijten zijn niet
objectiveerbaar. Ook dit klachtonderdeel is, gelet op het voorgaande, kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn. Nu de klacht ongegrond is, wordt het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond;
- wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze beslissing is gegeven op 3 oktober 2025 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, L.H. Kruze en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.