ECLI:NL:TGZRZWO:2025:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8213

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:106
Datum uitspraak: 12-09-2025
Datum publicatie: 18-09-2025
Zaaknummer(s): Z2025/8213
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychiater kennelijk ongegrond. Klager verblijft op basis van een opgelegde tbs met dwangverpleging in een tbs-kliniek. De psychiater is als behandelend psychiater betrokken bij de behandeling. Klager is het niet eens met het besluit over te gaan tot een gedwongen behandeling met medicatie (ook wel a-dwangbehandeling). Het college oordeelt dat de psychiater uitgebreid en zorgvuldig onderbouwd heeft waarom een dwangbehandeling volgens hem noodzakelijk was en waarom is voldaan aan de voorwaarden van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. De psychiater kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 12 september 2025 op de klacht van:

A,

verblijvende in B,

klager,

tegen

C,

psychiater,

werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de psychiater,

gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klager verblijft op basis van een opgelegde tbs met dwangverpleging sinds
6 februari 2024 in een tbs-kliniek. De psychiater is als behandelend psychiater betrokken bij de behandeling. Klager is het niet eens met het besluit over te gaan tot een gedwongen behandeling met medicatie (ook wel a-dwangbehandeling).
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, maar kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 februari 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 juni 2025.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     In 2021 werd aan klager voor de tweede keer tbs met dwangverpleging opgelegd.

Sinds 6 februari 2024 verblijft klager in het forensisch psychiatrisch centrum D in B.

Op 12 juli 2024 werd klager overgeplaatst van een opname- naar een behandelafdeling, waar de psychiater werkzaam is. Op 6 augustus 2024 vond er een kennismakingsgesprek plaats tussen klager en de psychiater.

3.2     Om de optie van medicatie te bespreken werd klager op 17 september en 4 oktober 2024 gezien door de psychiater. De psychiater maakte hierna een ’’aanvulling op Verplegings- en behandelplan m.b.t. a-behandeling of b-behandeling (dwangbehandeling)’’. In de aanvulling staat samengevat dat klager sinds de opname geen enkele vorm van behandeling – ook medicatie – aanging, omdat klager het oneens is met zijn diagnose en de rechtsgang. Daarbij werd veel opvliegendheid en boosheid gezien, met inperkende maatregelen als gevolg, die in het verleden (bij dwangbehandeling in 2008-2009) behandelbaar bleek met anti-psychotische medicatie. Ook gesprekken over een behandeltraject verliepen uiterst moeizaam. Door het weigeren van medewerking liep de behandeling van klager vast.
 

3.3     Op 5 november 2024 stelde de psychiater een first opinion (eerste mening) “verklaring noodzakelijkheid a-dwangbehandeling” op. Daarin concludeerde hij dat de beoogde a-dwangbehandeling met medicatie, voldeed aan de criteria van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit en er geen alternatief was.

3.4     Op 11 november 2024 stelde een niet bij de behandeling betrokken psychiater een

second opinion (tweede mening) op. Zij ondersteunde het voornemen van de psychiater om te starten met dwangbehandeling. Op 21 januari 2025 besloot het hoofd van de instelling dat klager werd verplicht tot het ondergaan van eerdergenoemde a-dwangbehandeling. Klager verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van de dwangbehandeling. Dit schorsingsverzoek werd door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) op 24 januari 2025 ongegrond verklaard.

4. De klacht en de reactie van de psychiater

4.1     Klager verwijt de psychiater dat hij op 18 februari en 20 februari 2025 zonder hem gesproken te hebben en ten onrechte dwangmedicatie heeft laten toedienen.

4.2     De psychiater heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de psychiater het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

Ontvankelijkheid

5.1     De psychiater heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van klager in zijn klacht. Volgens de psychiater gaat het bij de klachten van klager niet om handelen of nalaten dat betrekking heeft op de zorg die de beroepsbeoefenaar behoort te verlenen, noch op enig ander handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg. Het college komt tot het oordeel dat de klacht wel ontvankelijk is.

5.2     Het college overweegt als volgt. De Wet BIG spitst zich toe op de individuele gezondheidszorg. De individuele gezondheidszorg heeft onder meer betrekking op handelingen die rechtstreeks gericht zijn op een persoon en het doel hebben de gezondheid van die persoon te bevorderen of te bewaken. Het college is van oordeel dat de klachten van klager wel betrekking hebben op de individuele gezondheidszorg. De door klager gestelde feiten zeggen namelijk iets over de behandeling van klager en zijn gezondheidstoestand. Het optreden van de psychiater als behandelend psychiater ziet op (advies over) het medicatiebeleid binnen de behandeling van klager en is onderhevig aan het tuchtrechtelijke toetsingskader. Klager is daarom ontvankelijk. Het college komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling.

De criteria voor de beoordeling
5.3     De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.4     Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.5     Het college volgt klager niet in zijn standpunt dat de psychiater zonder hem
gesproken te hebben en ten onrechte dwangmedicatie heeft laten toedienen. Met betrekking tot het verwijt dat de psychiater nooit met klager heeft gesproken overweegt het college het volgende. Volgens de rapportages sprak de psychiater onder andere op 6 augustus, 17 september en 4 oktober 2024 met klager over het voornemen om over te gaan op dwangmedicatie. Het uitgangspunt is dat het (medisch) dossier, in dit geval de rapportages, een juiste weergave is van hetgeen omtrent de behandeling van klager is genoteerd, tenzij het tegendeel blijkt of aannemelijk is gemaakt. Daar is niet van gebleken en er zijn overigens ook geen aanknopingspunten om aan de juistheid van deze dossiernotities te twijfelen. Verder blijkt uit de stukken dat klager sinds zijn verblijf in de kliniek elke vorm van behandeling zoals psychotherapie of medicatie weigerde. Op de afdeling werden psychotische opvlammingen bij klager gezien, waarbij hij niet te begrenzen was. Om die reden is meerdere keren een inperkende maatregel opgelegd. Ondanks herhaalde pogingen bleek klager niet open te staan voor gesprekken met de behandelaren en kwam behandeling niet van de grond. Mede gelet op de hulpverleningsvoorgeschienis van klager zagen de behandelaren geen uitzicht op verbetering en stagneerde de behandeling. In de rapportage (dossieraantekeningen) over de Complexe Casuistiek bespreking op 1 oktober 2024 zijn de bevindingen en de conclusies van het team weergegeven. Op het moment van bespreking vreesde het behandelend team dat (weer) een behandelimpasse zou ontstaan, vergelijkbaar met de behandelimpasse tijdens de eerste tbs behandeling. Dwangmedicatie werd als enige resterende mogelijkheid gezien om de situatie te doorbreken, ook omdat bij een eerdere dwangbehandeling met antipsychotica een aanmerkelijke verbetering in het functioneren van klager optrad. De psychiater heeft in zijn aanvulling behandelplan en in zijn first opinion “verklaring noodzakelijkheid a-dwangbehandeling” uitgebreid en zorgvuldig onderbouwd waarom een dwangbehandeling volgens hem noodzakelijk was en waarom is voldaan aan de voorwaarden van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Een niet bij de behandeling betrokken psychiater heeft in het kader van een second opinion het starten van dwangbehandeling ondersteund.
Het college kan deze redenering volgen gezien de ernst van de problematiek en omdat het doel is dat betrokkene op enig moment uit de tbs moet komen. Het college kan in deze gang van zaken geen grond vinden voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de psychiater.


Slotsom

5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing

De klacht is kennelijk kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 12 septmeber 2025 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, T.S. van der Veer en J.M.C. van Dam, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.