ECLI:NL:TDIVTC:2025:44 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/44 2024/45
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:44 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2025 |
| Datum publicatie: | 04-06-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenartsen wordt verweten dat zij zijn tekortgeschoten in de aan een hond verleende zorg, met nodeloos en langdurig lijden als gevolg. [Klachten ongegrond]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
dhr. [naam klager], klager,
en
mw. [naam klaagster], klaagster,
gezamenlijk:klagers,
tegen
dierenarts mw. drs. [naam beklaagde sub 1], beklaagde sub 1(zaaknummer 2024/44),
en
dierenarts mw. drs. [naam beklaagde sub 2], beklaagde sub 2 (zaaknummer 2024/45),
gezamenlijk: beklaagden.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft in beide zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van beide zaken door het college heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 1 mei 2025. Daarbij waren klagers alsook beide beklaagden, bijgestaan door hun advocaat mr. I.E. Boissevain, aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagden wordt – naar de kern genomen – verweten dat zij zijn tekortgeschoten in de aan de hond van klagers verleende zorg in de periode van eind november 2023 tot begin januari 2024, met nodeloos en langdurig lijden van de hond als gevolg. Op de meer specifieke verwijten die klagers hebben geformuleerd, zal hierna worden ingegaan.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klagers, een Wetterhoun (reu) met de naam [naam hond] (hierna de hond), die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna acht jaar oud was.
3.2. Beklaagden zijn beiden als dierenarts werkzaam bij dezelfde praktijk (hierna: de praktijk), bij welke ook andere dierenartsen werkzaam zijn.
3.3. Op 23 november 2023 is klaagster met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 2, omdat de hond gedurende enige tijd misselijk was, braakte, was afgevallen en last van zijn maag leek te hebben. Beklaagde sub 2 heeft een anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek verricht en in overleg met klagers een symptomatische behandeling met medicatie ingezet. Daartoe heeft zij vier tabletten Cerenia (60 mg maropitant per tablet) alsook Omeprazol voorgeschreven. Voor het geval de behandeling niet zou helpen, heeft beklaagde sub 2 verder onderzoek – bloedonderzoek en een echoscopie van de buik – geadviseerd. Op 27 november 2023 heeft klaagster ter overbrugging naar het consult van 28 november 2023 nog twee tabletten Cerenia opgehaald op de praktijk.
3.4. Op 28 november 2023 is klaagster met de hond op consult geweest bij een dierenarts die een praktijkgenoot is van beklaagden. De symptomatische behandeling had niet geholpen: de hond had nauwelijks eetlust, had de vorige avond weer gebraakt en was verder afgevallen. Het afnemen van bloed voor een bloedonderzoek is niet gelukt tijdens dit consult. De collega-dierenarts heeft Gabapentine voorgeschreven en geadviseerd door te gaan met Cerenia en te stoppen met Omeprazol.
3.5. Op 29 november 2023 is klaagster met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 1. Uit de anamnese kwam naar voren dat de hond niet meer had gebraakt, maar ook niet had gegeten. Beklaagde sub 1 dacht aan nierproblemen, zo staat in het patiëntendossier. Ze heeft bloed afgenomen voor bloedonderzoek, waarvan de uitslag later op de dag door haar telefonisch is gemeld aan klaagster.
3.6. Op 5 december 2023 zijn klagers met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 2, omdat de hond niet meer at, veelvuldig braakte en verder was afgevallen. Beklaagde sub 2 dacht qua diagnose blijkens het patiëntendossier aan “CA/maag/gastritis/tumor”. Beklaagde sub 2 heeft de hond doorverwezen naar een kliniek in [locatie] (hierna: de kliniek) voor het uitvoeren van een echoscopie van de maag. Ze heeft twee tabletten Cerenia voorgeschreven voor de hond.
3.7. Op 6 december 2023 heeft een dierenarts van de kliniek in [locatie] de echoscopie onder sedatie uitgevoerd, die een verdikking van de maagwand liet zien. De differentiaaldiagnose was ernstige gastritis of een tumor. Met het oog op behandeling tegen gastritis heeft de betrokken dierenarts Sucralfaat en Omeprazol voorgeschreven. de hond braakte niet langer, maar de hond at nog nauwelijks. Op 12 december 2023 heeft klaagster telefonisch gesproken met een (andere) dierenarts van de kliniek. Volgens het patiëntendossier heeft klaagster gemeld dat ze de hond geen Cerenia gaf en dat de hond misselijk werd bij het wandelen en nog steeds afviel. Er is besloten nog een week aan te zien met Sucralfaat en Omeprazol, alsmede Cerenia, welk middel klaagster bij de praktijk van beklaagden zou ophalen. Op zowel 13 december als 15 december 2023 heeft klaagster telkens vier tabletten Cerenia afgehaald op de praktijk van beklaagden.
3.8. Op 18 december 2023 heeft beklaagde sub 2 telefonisch gesproken met klaagster. In het patiëntendossier van de hond staat dat de hond geen eetlust had en niet meer heeft gebraakt sinds Cerenia is toegediend. Beklaagde sub 2 heeft het uitvoeren van een gastroscopie om de oorzaak van de klachten te vinden, ter sprake gebracht. Zij heeft in ieder geval haar vermoeden dat sprake was van een tumor als oorzaak van de honds klachten naar voren gebracht. Op verzoek van klaagster heeft zij een antibioticum tegen maagontsteking veroorzaakt door Helicobacter voorgeschreven. Beklaagde sub 2 heeft voor het geval de toestand van de hond zou verslechteren, de mogelijkheid van euthanasie van de hond met klaagster besproken.
3.9. Volgens klaagster knapte de hond vervolgens zienderogen op. Op 20 december 2023 heeft een dierenarts, die praktijkgenoot is van beklaagden, een tablet Cerenia voorgeschreven. Op 21 december 2023 heeft klaagster telefonisch gesproken met beklaagde sub 2. Er is afgesproken dat tot de dag na de kerstdagen zou worden doorgegaan met de medicatie – waaronder Cerenia (zes tabletten) en verlenging van de antibioticumkuur tot maximaal veertien dagen –, dat de hond daarna op consult zou komen en dat de hond eerder zou kunnen worden geëuthanaseerd indien verslechtering zou optreden.
3.10. Op 27 december 2023 hebben klaagster en een medewerker van de praktijk telefonisch overleg gehad over de medicatie van de hond. Volgens klaagster ging het langzaam beter met de hond en at de hond mondjesmaat. Het overleg heeft ertoe geleid dat klaagster medicatie voor de hond, waaronder twee tabletten Cerenia en antibiotica om de eerder voorgeschreven kuur te kunnen afmaken, zou mogen ophalen voor de periode tot en met 1 januari 2024.
3.11. Op 3 januari 2024 heeft klaagster twee tabletten Cerenia opgehaald, ter overbrugging naar een consult op 4 januari 2024 bij beide beklaagden gezamenlijk. Tijdens dat consult is bij het afnemen van de anamnese naar voren gekomen dat het wisselend ging met de hond. Rondom de kerstdagen heeft de hond dagelijks een halve tablet Cerenia toegediend gekregen en later, nadat de hond slijm had opgegeven, dagelijks een hele tablet. Uit lichamelijk onderzoek was naar voren gekomen dat de hond fors was afgevallen. Volgens het patiëntendossier hebben beklaagden de waarschijnlijkheidsdiagnose “tumor maag” gesteld, hebben zij lang met klagers gesproken over de kwaliteit van leven van de hond en geadviseerd de hond te euthanaseren of door te verwijzen naar een internist voor onderzoek. Klagers zijn hiermee niet akkoord gegaan. Zij hebben te kennen gegeven twee weken naar Oostenrijk te gaan en de hond mee te willen nemen. Beklaagden hebben Cerenia voor de hele periode voorgeschreven en met hen besproken dat als de toestand van de hond in Oostenrijk zou verslechteren, de hond aldaar zal kunnen worden geëuthanaseerd. Op 5 januari 2024 heeft klaagster zestien tabletten Cerenia opgehaald op de praktijk.
3.12. Op 5 januari 2024 zijn klagers met de hond naar Oostenrijk gegaan en op 9 januari 2024 zijn zij daar met de hond naar een dierenkliniek in [locatie buitenland] gegaan voor een second opinion. In het kader van het onderzoek van de hond is, zonder daartoe eerst onder narcose te zijn gebracht, een röntgenfoto van de hond gemaakt. Volgens klagers hebben twee dierenartsen van die dierenkliniek een grote, vergevorderde tumor in de maag van de hond – vlakbij de maagklep – gezien, waardoor de maag niet kon functioneren. In samenspraak met klagers is toen besloten de hond niet te behandelen met het oog op de maagtumor, anders dan met pijnstillende medicatie, en is Omeprazol nader afgebouwd. Op 12 januari 2024 is de hond op basis van overleg tussen klagers en een dierenarts van de Oostenrijkse kliniek geëuthanaseerd.
3.13. Op 5 februari 2024 hebben klagers aan beklaagden schriftelijk vragen gesteld over de wijze waarop zij de hond hebben behandeld, mede naar aanleiding van de daaropvolgende behandeling van de hond door dierenartsen van de Oostenrijkse kliniek. Beklaagden hebben hierop gereageerd, waarop verdere correspondentie tussen partijen is gevolgd, die niet tot een oplossing van hun geschil over de behandeling van de hond heeft geleid.
3.14. Op enig moment hierna zijn klagers de onderhavige tuchtprocedure tegen beklaagden gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins zijn tekortgeschoten in de uitoefening van hun beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagden beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zijn opgetreden.
5.2. Klagers hebben aan hun klacht het volgende ten grondslag gelegd. Beklaagden hebben volgens hen te lang op basis van slechts een waarschijnlijkheidsdiagnose een symptomatische behandeling van de hond met Cerenia voortgezet. Ten onrechte hebben zij aanvullende en relatief eenvoudige onderzoeken, zoals een ontlastingsonderzoek of het maken van röntgenfoto’s zonder dat de hond met het oog daarop onder narcose zou moeten worden gebracht, overgeslagen; in plaats daarvan hebben zij aangestuurd op een echoscopie en nadien een gastroscopie met biopsie, beide uit te voeren onder narcose. Ook zijn klagers meermaals foutief geïnformeerd over de toepassing en werking van Omeprazol. de hond heeft door dit alles onnodig pijn geleden, terwijl beklaagden de hond telkens pijnstilling hebben onthouden. Volgens klagers zijn beklaagden tekortgeschoten door hen niet de gelegenheid te hebben geboden om op basis van adequate informatie over verschillende mogelijkheden, een afgewogen keuze te kunnen maken voor vervolgonderzoek of behandeling van de hond. Het optreden van ieder van beklaagden gedurende het behandeltraject getuigt er niet van dat zij de verantwoordelijkheid hebben genomen die van een professioneel dierenarts mocht worden verwacht en dat zij de regie in voldoende mate op zich te hebben genomen, aldus klagers.
5.3. Het college zal de diverse door klagers geformuleerde klachtonderdelen voor ieder van beklaagden hieronder bespreken. Over het vijfde klachtonderdeel heeft het college reeds tijdens de mondelinge behandeling aan partijen voorgehouden dat dit buiten beschouwing moet worden gelaten. In dat onderdeel hadden klagers het college verzocht om die elementen van het veterinair handelen van beklaagden te beoordelen die zij als leken niet uitdrukkelijk hebben kunnen onderkennen en daarom niet expliciet als klacht hebben kunnen formuleren. Het college kan daartoe niet overgaan, nu het als taak heeft om te beslissen op aan hem voorgelegde klachten (van hen die tot het indienen daarvan gerechtigd zijn) en het niet aan het college is om zelf klachten aan te brengen.
5.4. Het eerste klachtonderdeel gaat over het volgens klagers te lang voortzetten van een symptomatische behandeling van de hond met Cerenia op basis van slechts een waarschijnlijkheidsdiagnose. Cerenia is een geneesmiddel voor onder meer de preventie en behandeling van braken en de bijsluiter vermeldt voor Cerenia-tabletten met dit doel een maximale toedieningstermijn tot veertien dagen achtereen.
5.5. Ten aanzien van beklaagde sub 1 overweegt het college allereerst dat haar betrokkenheid bij het behandeltraject zeer beperkt was. Op 29 november heeft zij bloed afgenomen bij de hond voor onderzoek en later op de dag heeft zij de uitslag – die goed was – telefonisch gemeld aan klaagster. Klaagster heeft toen kenbaar gemaakt dat de hond anderhalf tartaartje had gegeten en volgens het patiëntendossier is afgesproken dat er zou worden bezien of de hond goed zou blijven eten en zo nee, het uitvoeren van nader onderzoek zal worden overwogen. Beklaagde sub 1 heeft toen geen medicatie voorgeschreven. De enige andere keer dat beklaagde sub 1 bij de behandeling van de hond betrokken is geweest, was toen zij samen met beklaagde sub 2 deelnam aan het laatste consult met de hond op de praktijk op 4 januari. Wat betreft de zestien tabletten Cerenia die tijdens dat consult zijn voorgeschreven, verwijst het college naar hetgeen hierna in 5.10 wordt overwogen.
5.6. Wat de betrokkenheid van beklaagde sub 2 betreft, overweegt het college als volgt. Cerenia is voor het eerst voorgeschreven tijdens het consult op 23 november bij beklaagde sub 2 in het kader van de toen in overleg met klagers ingezette symptomatische behandeling van de hond. Het advies op 28 november om de hond verder te onderzoeken en door te gaan met Cerenia, is afkomstig van een dierenarts die een praktijkgenoot is van beklaagden. Op 5 december heeft beklaagde sub 2, toen ze de hond heeft doorverwezen naar een kliniek voor het uitvoeren van een echoscopie van de maag, nog twee tabletten Cerenia voorgeschreven. Vervolgens is er diverse malen Cerenia voorgeschreven voor de hond, telkens zonder dat beklaagde sub 2 daarbij betrokken was. Beklaagde sub 2 heeft naar aanleiding van het telefoongesprek dat zij op 18 december met klaagster heeft gevoerd, geen Cerenia voorgeschreven. Wel heeft zij zes tabletten Cerenia voorgeschreven naar aanleiding van het telefoongesprek met klaagster op 21 december. Nadat op 28 december en 3 januari telkens twee tabletten Cerenia zijn voorgeschreven door praktijkgenoten van beklaagde sub 2, zijn er – zoals hiervoor reeds is overwogen – tijdens het consult bij beide beklaagden op 4 januari zestien tabletten Cerenia voorgeschreven.
5.7. Uitgangspunt is dat een dierenarts alleen voor haar/zijn eigen veterinair handelen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit leidt ertoe dat de keren dat Cerenia door praktijkgenoten van beklaagden dan wel door dierenartsen van de andere kliniek is voorgeschreven, in deze procedure buiten de beoordeling dienen te blijven. Gelet op de termijn van veertien dagen waarbinnen Cerenia achtereenvolgens mag worden toegediend, spitst de beoordeling van dit klachtonderdeel zich toe op de zes op 21 december voorgeschreven tabletten en de zestien op 4 januari voorgeschreven tabletten. Duidelijk is dat de op 28 november en op 5 december door beklaagde sub 2 voorgeschreven tabletten binnen deze termijn zijn voorgeschreven in het kader van een symptomatische behandeling dan wel in aanloop naar uit te voeren onderzoek om tot een diagnose te kunnen komen.
5.8. Weliswaar komt het het college voor dat bij het voorschrijven van Cerenia op 21 december en 4 januari de in de bijsluiter van dit middel genoemde veertiendagentermijn is overschreden, maar het rekent dit onder de gegeven omstandigheden beklaagden niet aan. Het college licht dit hieronder ten aanzien van beide data achtereenvolgens toe.
5.9. Reeds op 6 december werd in de kliniek in [locatie] na het uitvoeren van een echoscopie qua differentiaaldiagnose uitgegaan van ernstige gastritis of een tumor. Het college kan beklaagde sub 2 volgen waar zij stelt dat om een maagtumor te kunnen diagnosticeren, een gastroscopie met eventueel biopten de eerst aangewezen wijze van onderzoek is om een sluitende diagnose te kunnen stellen. Een dierenarts van de kliniek in [locatie kliniek] heeft het uitvoeren van dit onderzoek besproken met klagers, maar zij hebben er de voorkeur aan gegeven de hond in de eerste plaats te behandelen met het oog op gastritis, hetgeen vervolgens is gebeurd. Toen op 12 december gebleken was dat de hond nog steeds nauwelijks at, heeft klaagster aan een dierenarts van die kliniek haar besluit kenbaar gemaakt af te zien van een gastroscopie. Onduidelijk is gebleven of tijdens het telefoongesprek van 18 december, toen naar voren is gekomen dat de hond geen eetlust had, door beklaagde sub 2 is gemeld dat een tumor ‘bovenaan haar lijstje’ stond – zoals ook in het patiëntendossier staat –, of dat een tumor als één van de mogelijke oorzaken is genoemd, zoals klaagster stelt. Hoewel beklaagde sub 2 wederom het uitvoeren van een gastroscopie ter sprake heeft gebracht, heeft zij op verzoek van klaagster een antibioticum tegen maagontsteking veroorzaakt door Helicobacter voorgeschreven, hoewel beklaagde sub 2 het niet waarschijnlijk achtte dat de hond daarvan last had. Op 21 december was de situatie aldus dat het vermoeden van een tumor aanwezig was, dat de behandeling met het oog op het vermoeden van gastritis niet tot een oplossing had geleid, dat klagers het onderzoek om de tumor vast te kunnen stellen weigerden en de hond werd behandeld met een antibioticumkuur. De hond had toen al geruime tijd niet of nauwelijks gegeten en was behoorlijk afgevallen en volgens beklaagde sub 2 was het welzijn van de hond hierdoor in het gedrang gekomen, zodanig dat euthanasie volgens haar diende te worden overwogen. Reeds op 12 december was door de andere kliniek geadviseerd de hond te euthanaseren als hij niet zou opknappen en op 18 december had beklaagde sub 2 geadviseerd om de hond in geval van verslechtering op korte termijn te euthanaseren. Euthanasie was geen optie voor klagers, die de hond nog te goed daarvoor vonden, zo ook op 21 december toen klaagster kenbaar had gemaakt dat het beter leek te gaan met de hond en dat de hond wat recoveryvoer at; ze wilde het graag nog aanzien tot na de kerstdagen, zo staat vermeld in het patiëntendossier. Beklaagde sub 2 heeft toegestaan met de medicatie – waaronder Cerenia – door te gaan, uiterlijk tot na Kerstmis, mits de hond dan op consult zou komen en er in geval van verslechtering eerder tot euthanasie zou worden overgegaan. Deze beslissing valt voor het college, gelet op de situatie zoals die hierboven is beschreven te billijken. Weliswaar is er hiermee sprake van overschrijding van de veertiendagentermijn die voor toediening van Cerenia geldt, maar het middel is telkens in overleg met klagers voorgeschreven en gebleken is dat het hielp tegen de braakklachten. Dat beklaagde sub 2 hiermee binnen de beperkte bewegingsruimte die er voor haar resteerde bij de behandeling van de hond, indachtig de toestand van de hond heeft gekozen voor het bevorderen van het welzijn van het dier, maakt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar optreden door haar geen sprake is.
5.10. Op 27 december is er geen consult op de praktijk geweest, maar hebben klaagster en een praktijkgenoot van beklaagden elkaar telefonisch gesproken. Volgens klaagster, zo staat in het patiëntendossier, ging het langzaam beter met de hond; ze heeft verzocht om genoeg antibiotica om een kuur van veertien dagen te kunnen afmaken. De praktijkgenoot heeft het verzoek ingewilligd, maar heeft daarbij opgemerkt dat de hond daarna op de praktijk moet worden gezien, omdat antibiotica niet helpt bij een tumor en de hond nog steeds afviel. Volgens klagers was de hond dankzij de antibiotica opgeknapt tijdens de kerstdagen, maar liet de hond een terugval zien rond de jaarwisseling. Tijdens het consult bij beklaagden gezamenlijk op 4 januari kwam uit lichamelijk onderzoek naar voren dat de hond erg mager was geworden en in korte tijd in totaal elf kilogram was afgevallen. Zij hebben de waarschijnlijkheidsdiagnose “tumor maag” gesteld en lang gesproken met klagers over de honds kwaliteit van leven. Beklaagden hebben geadviseerd de hond te euthanaseren, omdat de hond er heel slecht aan toe was, of de hond door te verwijzen naar een internist om met het oog op een tumor te onderzoeken, mocht dit behulpzaam zijn voor het nemen van de euthanasiebeslissing. Klagers hebben dit advies niet willen opvolgen en hebben kenbaar gemaakt van plan te zijn twee weken met de hond naar Oostenrijk te gaan. Beklaagden hebben in overleg met klagers in verband met deze periode zestien tabletten Cerenia voorgeschreven. Het college overweegt dat ook deze beslissing onder de gegeven omstandigheden te rechtvaardigen valt. Het kan beklaagden erin volgen waar zij stellen dat zij zich klemgezet voelden voor wat betreft de verdere behandelmogelijkheden van de hond en dat zij in de gegeven situatie doorslaggevend belang hebben toegekend aan het welzijn van de hond, die duidelijk in een erg slechte toestand verkeerde.
5.11. Anders dan klagers hebben betoogd, had het behandeltraject zoals dat in deze procedure aan het college ter beoordeling voorligt, al gauw niet langer het karakter van een symptomatische behandeling, doordat is ingezet op verder onderzoek naar de onderliggende oorzaak van de honds klachten. Dat ook toen Cerenia is ingezet om de braakklachten te verminderen en de hond zich beter te laten voelen, maakt dit niet anders. Al met al komt het college tot het oordeel dat het eerste klachtonderdeel niet tot gegrondverklaring van de klacht kan leiden.
5.12. In hun tweede klachtonderdeel stellen klagers dat zij om een ingrijpende beslissing over de behandeling van de hond te kunnen nemen, behoefte hadden aan zekerheid over de oorzaak van de klachten en niet aan een waarschijnlijkheidsdiagnose. Daartoe diende de hond op een reguliere, proportionele wijze te worden onderzocht, zonder de hond nodeloos te belasten. Klagers verwijten beklaagden in het bijzonder dat zij zijn blijven aandringen op een – onder narcose uit te voeren – gastroscopie met eventueel biopten, terwijl zij relatief eenvoudige onderzoeksmethodes zoals een ontlastingsonderzoek of het maken van een röntgenfoto zonder de hond daartoe onder narcose te brengen, hebben overgeslagen.
5.13. Beklaagde sub 2 is verder gegaan met het behandelen van de hond nadat op basis van de in de andere kliniek uitgevoerde echoscopie de differentiaaldiagnose ernstige gastritis of een tumor was gesteld, terwijl een behandeling tegen gastritis geen soelaas had geboden. Zoals ook hierboven al is overwogen (zie 5.9) kan het college beklaagde sub 2 volgen waar zij stelt dat om er zekerheid over te kunnen krijgen of een maagtumor de oorzaak was van de honds klachten, een – onder narcose uit te voeren – gastroscopie met eventueel biopten het meest aangewezen onderzoek is. Met behulp van een röntgenfoto of een ontlastingsonderzoek kan niet het door klagers verlangde uitsluitsel worden verkregen. Met een röntgenfoto kan wel worden gezien of er iets zit – waarvan al gebleken was door de echoscopie –, maar deze zou (de door klagers verlangde) zekerheid over de oorzaak van de klachten niet kunnen bieden.
5.14. Klagers hebben er nog op gewezen dat op 9 januari in de Oostenrijkse dierenkliniek met behulp van een röntgenfoto een grote, vergevorderde maagtumor is geconstateerd, zodat beklaagden deze in ieder geval enkele dagen ervoor tijdens het consult op 4 januari met een röntgenonderzoek – eveneens zonder de hond met het oog daarop onder narcose te brengen – hadden moeten kunnen vaststellen. Beklaagden stellen dat zij het er op 4 januari voor hielden dat de honds klachten het gevolg waren van een tumor, die – samen met de slechte toestand waarin de hond verkeerde – aanleiding vormde om met klagers te spreken over de kwaliteit van leven van de hond. Hierom was de tijdens het consult genoemde mogelijkheid om de hond te onderzoeken, niet zozeer gericht op het stellen van een diagnose om de oorzaak van de klachten van de hond te identificeren; het onderzoeken van de tumor diende er toen voornamelijk toe klagers ervan te doordringen dat het welzijn van de hond gediend zou zijn met euthanasie en het zou behulpzaam kunnen zijn bij het nemen van een beslissing hierover, zoals ook in het patiëntendossier staat. Het college rekent het beklaagden dan ook niet tuchtrechtelijk aan dat zij op 4 januari niet hebben geadviseerd een röntgenfoto te (laten) maken om te diagnosticeren of sprake is van een tumor.
5.15. Het tweede klachtonderdeel zal dus evenmin tot gegrondverklaring van de klacht kunnen leiden.
5.16. Het derde klachtonderdeel houdt in dat beklaagden de hond ten onrechte pijnstilling hebben onthouden. Klagers stellen dat zij in alle stadia van de behandeling van de hond om pijnstillers hebben gevraagd, maar dat beklaagden dit verzoek telkens van de hand hebben gewezen. Beklaagden hebben dit betwist. Volgens beklaagde sub 2 is er tijdens het behandeltraject wel met klagers over gesproken of de hond pijn had, maar hebben klagers niet om pijnstilling gevraagd en hebben beklaagden verder ook geen signalen bereikt dat de hond pijn zou hebben. Volgens beklaagde sub 1 is er tijdens het consult op 4 januari wel gesproken over pijnstilling, maar is er toen bewust voor gekozen om geen NSAID voor te schrijven voor de hond. Gezien de lange autorit naar Oostenrijk die de hond voor de boeg had, achtten beklaagden het niet verantwoord om een NSAID mee te geven, omdat niet duidelijk was hoe de hond daarop zou reageren, terwijl duidelijk was dat de hond maagproblemen had en het risico dat NSAID’s een maagbloeding kunnen veroorzaken diende te worden vermeden. Het college kan zich tegen de achtergrond van deze toelichting vinden in de op 4 januari genomen beslissing om geen NSAID voor te schrijven. Verder constateert het college dat partijen elkaar erover tegenspreken of voorafgaand aan dit consult pijn bij de hond en eventuele pijnstilling aan de orde zijn geweest gedurende het behandeltraject bij de praktijk. Het patiëntendossier bevat geen enkele aanwijzing dat klagers om pijnstilling hebben verzocht of dat beklaagden een verzoek daartoe hebben geweigerd in te willigen, zoals door klagers aan hun klacht ten grondslag is gelegd. Zij hebben betoogd meermaals om een soort van ‘hondenparacetamol’ te hebben gevraagd, maar beklaagden hebben dit bestreden, terwijl het dossier voor het betoog van klagers geen steun biedt. Hierom is er naar het oordeel van het college op basis van het derde klachtonderdeel geen sprake van enig tekortschieten door beklaagden dat hen tuchtrechtelijk kan worden aangerekend.
5.17. Klagers stellen in het vierde onderdeel van hun klacht dat beklaagde sub 1 hen tweemaal foutief heeft geïnformeerd over de toepassing en werking van Omeprazol. Omeprazol is een maagzuurremmer en is door beklaagde sub 2 op 23 november voorgeschreven. Het college constateert dat het patiëntendossier een juiste dosering en wijze van toediening van het middel vermeldt. Volgens klagers heeft beklaagde sub 1 door op 28 november te adviseren te stoppen met Omeprazol, verzuimd hen te informeren over het risico op een rebound effect dat kan optreden als wordt gestopt met dit middel zonder de toediening ervan eerst af te bouwen. Gebleken is, zo overweegt het college, dat op 28 november niet beklaagde sub 1, maar een collega-dierenarts van de praktijk over het stoppen met Omeprazol heeft geadviseerd. Voor zover het verwijt van klagers daarop ziet, kan dit beklaagde sub 1 dus niet aangaan. Op 29 november heeft beklaagde sub 1, in het kader van het bloedonderzoek dat zij toen heeft verricht, niet gesproken met klaagster over de medicatie voor de hond en was daar ook geen aanleiding toe. Vervolgens is Omeprazol met betrekking tot beklaagden aan de orde gekomen tijdens hun gezamenlijke consult met klagers op 4 januari. Volgens het patiëntendossier is toen aanbevolen om de Omeprazol te gaan afbouwen, waarmee naar het oordeel van het college het risico op een rebound effect in voldoende mate is geadresseerd. Daaraan doet niet af dat, zoals door klagers naar voren is gebracht, het op hun initiatief is geweest dat het toedienen van Omeprazol toen ter sprake is gekomen. Verder stellen klagers dat beklaagde sub 1 hen verkeerd heeft geïnstrueerd door te zeggen dat Omeprazol alleen ’s avonds zou moeten worden toegediend, terwijl dit rondom eetmomenten behoort te gebeuren. Het college constateert dat volgens het patiëntendossier tijdens het consult op 4 januari tegen klagers is gezegd dat Omeprazol bij voorkeur ’s avonds wordt toegediend. Voor zover had moeten worden geadviseerd om dit middel toe te dienen rondom eetmomenten, ziet het college onvoldoende aanleiding dit beklaagde sub 1 in deze procedure aan te rekenen, nu sprake was van een hond die niet tot nauwelijks at. Het vierde klachtonderdeel zal dus evenmin kunnen bijdragen aan gegrondverklaring van de klacht.
5.18. De onderdelen zes en zeven die als aanvullende klacht naar voren zijn gebracht, gaan over de wijze waarop binnen de praktijk de behandeling van de hond is georganiseerd. Volgens klagers is er ten onrechte geen hoofdbehandelaar aangesteld die de eindverantwoordelijkheid voor de behandeling droeg, maar hebben diverse dierenartsen zich afwisselend daarmee beziggehouden. Daar komt bij dat in het patiëntendossier van de hond consequent verzuimd is te vermelden door welke dierenarts een consult is uitgevoerd. Hierdoor is de continuïteit en de kwaliteit van de behandeling van de hond op de praktijk onvoldoende geborgd gebleven, waardoor deze niet het vereiste niveau van zorgvuldigheid heeft gehaald, aldus klagers.
5.19. Het college overweegt hierover als volgt. Het is niet ongebruikelijk dat in een omvangrijkere eerstelijnspraktijk gedurende een behandeltraject verscheidene dierenartsen achtereenvolgens bij de behandeling van een patiënt betrokken zijn. Volgens de Richtlijn Verslaglegging van de KNMvD verdient het aanbeveling om duidelijk te maken wie in een team van dierenartsen dat een dier behandelt, hoofdbehandelaar / eindverantwoordelijk is. Het enkele niet-opvolgen van deze aanbeveling, levert niet zonder meer tuchtrechtelijke verwijtbaarheid op. Wel is bij betrokkenheid van meerdere dierenartsen bij het behandeltraject van een dier van belang dat helder is welke dierenarts voor welk veterinair optreden verantwoordelijk is. Klagers hebben erop gewezen dat in de door de praktijk aan hen verstrekte uitdraai van de honds patiëntendossier niet de namen of afkortingen van de behandelende dierenartsen staan vermeld. Het college is ambtshalve bekend met het programma waarin het patiëntendossier wordt bijgehouden, waarin wel is vermeld – en daarmee binnen de dierenartsenpraktijk duidelijk is – welke dierenarts een bepaalde behandeling heeft verricht. Daarmee is dit laatste in ieder geval binnen de dierenartsenpraktijk duidelijk en daar gaat het hier om. In ieder geval kunnen het zesde noch het zevende klachtonderdeel aan gegrondverklaring van de klacht tegen beklaagden bijdragen.
5.20. Klagers hebben nog naar voren gebracht dat beklaagden hebben verzuimd vooraf voldoende inzicht te bieden in de verschillende mogelijke behandelmethodes en de prijzen daarvan. Naar het oordeel van het college volgt uit al het vorenoverwogene reeds dat beklaagden in voldoende mate inzicht in de behandelmethodes hebben geboden. Het doen van prijsopgave over de behandelmogelijkheden is niet een onderwerp dat onder de tuchtrechtelijke beoordeling door het college valt. Dit geldt evenzeer voor de door klagers genoemde omstandigheid dat zij zich misleid voelen doordat de praktijk waarvoor beklaagden werkzaam zijn, in hun ogen onvoldoende duidelijk heeft gemaakt aan een keten van dierenartsenpraktijken verbonden te zijn.
5.21. Nu geen van de klachtonderdelen tot gegrondverklaring van de klacht tegen beklaagden kan leiden, zal het college als volgt beslissen.
6. DE BESLISSING
Het college:
in beide zaken:
verklaart de klachten tegen beide beklaagden ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de
leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats
en drs. M.J. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.