ECLI:NL:TAHVD:2025:227 Hof van Discipline 's Gravenhage 240268 240269

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2025:227
Datum uitspraak: 10-11-2025
Datum publicatie: 11-11-2025
Zaaknummer(s):
  • 240268
  • 240269
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door een klokkenluider tegen advocaat-onderzoekers die onderzoek hebben gedaan naar de melding van die klokkenluider. De Raad van Discipline heeft geoordeeld dat het door verweerders verrichte onderzoek en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het Hof van Discipline is van oordeel dat het door verweerders opgestelde onderzoeksprotocol op het punt van hoor en wederhoor onvoldoende duidelijk was en dat verweerders hadden moeten begrijpen dat zij – gegeven de onduidelijkheid – klager ook inzage hadden moeten geven in het (substantiële) deel van het rapport waarin conclusies en aanbevelingen waren opgenomen, gelet de juridische betekenis daarvan voor klager. Het hof verklaart de klacht dan ook alsnog deels gegrond en legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op.

Beslissing van 10 november 2025
in de zaken 240268 en 240269

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klager

gemachtigde: [naam]

tegen:

verweerster

en

verweerder

hierna gezamenlijk aangeduid als verweerders

1 INLEIDING

1.1 Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door een klokkenluider tegen advocaat-onderzoekers die onderzoek hebben gedaan naar de melding van die klokkenluider. De Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat het door verweerders verrichte onderzoek en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) is van oordeel dat het door verweerders opgestelde onderzoeksprotocol op het punt van hoor en wederhoor onvoldoende duidelijk was en dat verweerders hadden moeten begrijpen dat zij – gegeven de onduidelijkheid – klager ook inzage hadden moeten geven in het (substantiële) deel van het rapport waarin conclusies en aanbevelingen waren opgenomen, gelet de juridische betekenis daarvan voor klager. Het hof verklaart de klacht dan ook alsnog deels gegrond en legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.


2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad in het ressort ‘s-Gravenhage heeft in de zaak tussen klager en verweerders (zaaknummers: 24-022/DH/RO en 24-023/DH/RO) een beslissing genomen op 2 september 2024. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:151 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 27 september 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerders.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 12 september 2025. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerders verschenen. De gemachtigde van klager heeft klagers standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.


3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Klager heeft een melding gedaan van een vermoeden van een misstand en is in maart 2021 door het Huis van Klokkenluiders als klokkenluider erkend.

3.3 Op 6 oktober 2022 heeft het College van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Hollandse Delta (hierna: het college) een onderzoeksopdracht verstrekt aan verweerders. Hen is verzocht het naar aanleiding van de melding door klager doorlopen proces in kaart te brengen en daarbij aan een aantal aspecten bijzondere aandacht te besteden. In het door verweerders opgestelde onderzoeksprotocol is onder meer het volgende vermeld:

“Indien dat (mede in het licht van artikel 31 van het onderhavige onderzoeksprotocol) naar het oordeel van de advocaat-onderzoekers geboden is, zullen zij een of meer bij het onderzoek betrokken personen in de gelegenheid stellen kennis te nemen van een conceptversie van de onderzoeksrapportage of onderdelen hiervan, alsmede hierop te reageren. Een eventuele reactie van de betrokken personen zal aan de definitieve versie van de onderzoeksrapportage worden toegevoegd.”

3.4 Op 24 februari 2023 hebben verweerders het feitelijke deel van het rapport (hoofdstukken 1 t/m 4) naar klager gestuurd en is klager in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Dat heeft klager, althans zijn advocaat namens hem op 3 maart 2023 gedaan.

3.5 Het onderzoek is op 7 maart 2023 door verweerders afgerond en de bevindingen zijn door hen neergelegd in een onderzoeksrapportage, bestaande uit vijf hoofdstukken. Aan het einde van ieder hoofdstuk zijn zogenaamde beoordelingen opgenomen en in hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen vermeld. Het rapport is vervolgens besproken door de Verenigde Vergadering, het algemeen bestuur van het waterschap. Naar aanleiding daarvan is een van de conclusies van hoofdstuk 4 (opgenomen in hoofdstuk 5 onder aa) in het rapport gewijzigd van “Van een benadeling van melder als gevolg van zijn melding is onderzoekers niet gebleken.” naar “Een benadeling van melder als gevolg van zijn melding hebben onderzoekers niet kunnen vaststellen.” Daarvan is op 16 maart 2023 mededeling gedaan aan de toenmalige advocaat van klager.


4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover bij het hof nog van belang, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij in hun rol als onderzoekers niet correct jegens klager hebben gehandeld. Meer concreet verwijt klager verweerders het volgende:

a) (…)

b) (…)

c) (…)

d) schending van gedragsregels 8 en 12: onjuiste informatie verstrekken en onzorgvuldig handelen.
Volgens klager hebben verweerders zijn rechtspositie op ontoelaatbare wijze geschaad door in hun conclusies te vermelden dat de melding van klager naar behoren is gedaan en dat er sprake is van benadeling van klager, maar desondanks niet te vermelden dat tussen de melding en de benadeling een causaal verband bestaat. Daarmee is volgens klager onjuiste informatie verstrekt, althans is sprake van onzorgvuldigheid.

e) schending van de zorgplicht.
Volgens klager zijn in het onderzoek met name hoor en wederhoor achterwege gebleven.


5 BEOORDELING RAAD

5.1 Nadat de raad uitgebreid het toetsingskader voor een advocaat die feitenonderzoek doet uiteen heeft gezet (onder verwijzing naar HvD 2 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:59), heeft de raad voorop gesteld dat het advocatentuchtrecht van toepassing is, maar dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen slechts sprake is wanneer verweerders zich bij de vervulling van hun functie als onderzoeker zodanig hebben gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

5.2 Gelet op de hoedanigheid van verweerders van onafhankelijk onderzoeker golden voor hun optreden de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid niet en missen de gedragsregels 2 (partijdigheid) en 3 tweede en vijfde lid (vertrouwelijkheid) toepassing. De klachtonderdelen a) en b) heeft de raad dan ook ongegrond verklaard.

5.3 De kernwaarde onafhankelijkheid gold voor verweerders in hun hoedanigheid van onderzoeker wel onverkort, maar de raad is van oordeel dat het door verweerders verrichte onderzoek en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapportage aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Dat klager het met één van verweerders bevindingen niet eens is, maakt dat niet anders. Verweerders hebben, ook voor klagers advocaat, hun hoedanigheid van onafhankelijk onderzoeker duidelijk in het rapport vastgelegd en zijn daarover ook steeds helder en transparant geweest in hun presentatie naar de betrokkenen bij het onderzoek. Verweerders hebben een op hun onderzoek van toepassing zijnd protocol opgesteld dat door/namens klager is goedgekeurd. Van alle verrichte onderzoekshandelingen is feitelijk verslag in de rapportage gedaan en blijkens die rapportage heeft ook hoor en wederhoor plaatsgevonden. Verweerders hebben zich van het geven van een oordeel op basis van hun constateringen onthouden en de door hen geconstateerde feiten ook niet (juridisch) geduid. Van een advocaat-client relatie tussen verweerders (of hun kantoorgenoten) en de opdrachtgever is geen sprake (geweest). Verweerders hebben met hun optreden als onderzoeker het vertrouwen in de advocatuur dan ook niet geschaad zodat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Ook de klachtonderdelen c), d) en e) heeft de raad dan ook ongegrond verklaard.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1 Klager stelt voorop dat de raad de klacht op zo’n manier heeft samengevat dat in de beslissing de belangrijkste klachtgrond onjuist is verwoord en ook onjuist is geadresseerd.
Verweerders hebben in hun eindrapport als conclusie opgenomen dat zij een benadeling van klager als gevolg van zijn melding niet hebben kunnen vaststellen. Klager stelt dat met het doen van die uitspraak verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Klager verwijst naar het schrijven van het hoofd PZ van januari 2021, waarin het causaal verband tussen de melding en de benadeling expliciet is vermeld. Verweerders hebben twee feitelijkheden wel aangevoerd en andere niet (waaronder voornoemd schrijven) en vervolgens geconcludeerd dat geen benadeling heeft plaatsgevonden. Die conclusie is onnavolgbaar. Klager is het niet oneens met de bevinding van verweerders (zoals de raad ten onrechte suggereert), maar oneens met de handelwijze van verweerders door het bij deze bevinding, te weten in de conclusies van hoofdstuk 4 (Bejegening melder) niet noemen van het stuk. De raad heeft deze aangevoerde essentiële argumentatie volledig weggelaten, gebagatelliseerd en onjuist beoordeeld in de beslissing door uitsluitend te stellen dat “klager het met één van verweerders bevindingen niet eens is”. Het hof stelt als vereisten (ECLI:NL:TAHVD:2023:59) dat – wat een onafhankelijke advocaat onderzoeker betreft – het rapport alle relevante feiten en omstandigheden moet bevatten en geen aanleiding mag geven tot misverstanden. De beslissing van de raad maakt deze door het hof gestelde vereisten illusoir. Het handelen van verweerders getuigt van een gebrek aan integriteit, zorgvuldigheid en objectiviteit. Daarnaast hebben zij niet voldaan aan hun zorgplicht, aldus klager. Met het expliciet stellen dat verweerders geen beoordeling en juridische duiding hebben gegeven, heeft de raad zich onjuist over het door verweerders opgestelde rapport uitgelaten.
Ook voert klager aan dat hoor en wederhoor niet naar behoren hebben plaatsgevonden.
Aan klager is enkel een feitenrelaas voorgelegd. In het finale rapport staan twee citaten die klager niet eerder zijn voorgehouden, te weten: “Of en zo ja, in welke mate die benadeling een rechtstreeks gevolg is van de melding in de zin van de Regeling die melder heeft gedaan, hebben onderzoekers op basis van de door hen verkregen informatie echter niet kunnen vaststellen.” (pagina 110) en “Een benadeling van melder als gevolg van zijn melding hebben onderzoekers niet kunnen vaststellen.” (pagina 114). Klager heeft hier niet op kunnen reageren, maar is pas - als een voldongen feit - in het finale rapport hiermee geconfronteerd. Ook stond dus niet in het feitenrelaas dat verweerders wel twee ‘aanwijzingen’ zagen voor het causaal verband, maar dat deze niet als bewijs konden gelden, waarbij verweerders de feitelijkheden die wél als bewijs gelden niét noemen. Het oordeel van de raad hierover in de beslissing (dat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden) is dus onjuist. Klager verzoekt het hof de klacht dan ook alsnog gegrond te verklaren en een passende maatregel op te leggen aan verweerders.

Verweer verweerders

6.2 Verweerders stellen voorop dat klager het door de raad gehanteerde toetsingskader niet heeft betwist. In totaal zijn in de rapportage 28 conclusies en 27 aanbevelingen geformuleerd. Klager baseert zich op één van de 55 conclusies/aanbevelingen en grondt daarop al zijn kritiek en verwijten. Hij miskent hiermee dat het overgrote deel van de conclusies/aanbevelingen (kennelijk) wel door hem als correct wordt beoordeeld.
Verweerders kennen het stuk van het hoofd PZ, maar zij hebben als onderzoekers daarnaast een enorme hoeveelheid documenten tot hun beschikking gekregen en informatie verkregen uit een groot aantal interviews (± 35). De door hen gebruikte bronnen waren (en zijn) geheim, in die zin dat die niet voor de openbaarheid bedoeld waren. Daardoor kunnen zij niet extensief reageren op de vraag of alle bronnen – in gezamenlijkheid – konden leiden tot de door de klager voorgestane conclusie. Een deel van die bronnen is in het geheime, niet openbare deel van de rapportage opgenomen. Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij naar eer en geweten – en daarmee ook integer en zorgvuldig – op basis van al het materiaal dat hen ter kennis is gekomen, geconcludeerd hebben dat de benadeling niet objectief en voldoende vaststaand kon worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van de melding. Voor de conclusie dat de benadeling een rechtstreeks gevolg van de melding was, boden de bronnen geen afdoende basis volgens verweerders. Tegelijkertijd hebben verweerders benoemd dat zij wel aanwijzingen hebben aangetroffen voor een dergelijk causaal verband. Er is uitgebreid met klager gesproken (alsook met meerdere personen die hem hebben gesteund) en hem is alle gelegenheid geboden zijn ideeën en zienswijzen naar voren te brengen. Verweerders hebben – geheel ten overvloede – na het definitief maken van de rapportage nog aan klager aangeboden met hem over de bevindingen te spreken. Daarvan heeft hij geen gebruik willen maken. Tot slot wordt nog opgemerkt dat klager zijn standpunt ook had kunnen voorleggen aan de burgerlijke rechter (in het kader van een procedure tegen zijn werkgever), maar daartoe heeft hij om hem moverende redenen kennelijk niet besloten.


7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Uitgangspunt is dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten dient te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en de kernwaarden van de advocatuur. Er zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, als een advocaat in een andere hoedanigheid of functie dan diens gebruikelijke handelt en hij zich zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Dan kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt (HvD 7 april 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:166). Voorts geldt dat een advocaat die in opdracht van een cliënt feitenonderzoek doet (dat bedoeld is voor intern en extern gebruik) en daarover rapporteert dit objectief (zo volledig mogelijk), zorgvuldig (toepassen van hoor en wederhoor) en deskundig dient te doen (vgl. HvD 2 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:59).

Overwegingen hof

7.2 De klacht van klager – die bij het hof nog voorligt – komt er in de kern op neer dat verweerders nadat het rapport gereed was geen hoor en wederhoor hebben toegepast. Verweerders hebben een conclusie in het rapport opgenomen die niet aan klager is voorgehouden, maar wel aan het college, waarna deze conclusie nog is aangepast. Klager is het niet eens met die gewijzigde conclusie, nu daarin niet is vermeld dat tussen de melding en de benadeling causaal verband bestaat.

7.3 Het hof constateert dat het onderzoeksprotocol dat verweerders hebben vastgesteld en dat is opgenomen in het rapport niet, althans onvoldoende voorziet in een duidelijke bepaling over hoor en wederhoor. Verweerders hebben enkel in het onderzoeksprotocol onder punt 32 vermeld dat als het naar het oordeel van verweerders geboden is zij een of meer bij het onderzoek betrokken personen in de gelegenheid zullen stellen kennis te nemen van een conceptversie van het rapport (of onderdelen hiervan) en dat zij daarop kunnen reageren. Een reactie zou volgens het protocol aan de definitieve versie van het rapport worden toegevoegd. Deze bepaling blinkt niet uit in helderheid. Mede hierdoor was voor klager op voorhand niet duidelijk of en in hoeverre hij in de gelegenheid zou worden gesteld om te reageren op de bevindingen en werd klager verrast door de conclusies in het eindrapport die hij niet eerder onder ogen had gekregen.

7.4 Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is pas na enig doorvragen duidelijk geworden dat verweerders op 24 februari 2023 slechts delen van de eerste vier hoofdstukken aan de toenmalige advocaat van klager hebben gestuurd. Klager heeft alleen kennis kunnen nemen van en kunnen reageren op de door verweerders vastgestelde feiten, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 4 (in totaal 73 pagina’s) terwijl het eindrapport 116 pagina’s omvat (exclusief onderzoeksprotocol) en daarmee dus ruim 30 pagina’s meer met onder meer conclusies en aanbevelingen. Dat rapport met vijf hoofdstukken dateert van 7 maart 2023 en is enkel aan het college voorgelegd, waarna verweerders één zin hebben gewijzigd in een van de conclusies van hoofdstuk 4 (opgenomen in hoofdstuk 5 onder aa). Geconstateerd kan dus worden dat er een fors aangevuld en gewijzigd eindrapport (beide met de datum 7 maart 2023) door verweerders is opgesteld, dat wel is voorgelegd aan het college maar niet aan klager – zonder duidelijk protocol of andere communicatie vooraf over wat klager wel en niet zou ontvangen.

7.5 Het hof is van oordeel dat bij dit type onderzoek hoor en wederhoor van groot belang is. Het onderzoek was immers ingesteld nadat klager, die is aangemerkt als klokkenluider, een melding had gedaan van een misstand in de organisatie waar hij werkzaam was. De conclusies van het onderzoek hadden juridische consequenties voor de arbeidsrelatie van klager met zijn werkgever (het waterschap). Nu de belangen van klager groot waren, konden verweerders niet – en in ieder geval niet zonder duidelijk protocol of andere communicatie vooraf – volstaan met het enkel voorhouden van de feitelijkheden die zij hadden geconstateerd zonder de (uitgebreide) delen met conclusies en aanbevelingen, en zonder klager in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Het rapport is daarmee niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Dat verweerders na het definitief maken van de rapportage nog aan klager hebben aangeboden om met hem over de bevindingen te spreken, maakt het voorgaande niet anders. Het hof zal klachtonderdeel e) dan ook gegrond verklaren.

7.6 Dat geldt niet voor het klachtonderdeel d). Dat verweerders in hun rapport hebben opgenomen dat zij niet hebben kunnen vaststellen dat klager is benadeeld door het doen van de melding is een conclusie die verweerders hebben getrokken nadat zij uitvoerig onderzoek hadden gedaan. Deze conclusie is aan verweerders. Het is niet aan het hof om het rapport inhoudelijk te beoordelen op de (volledige) juistheid ervan. Dat het onbegrijpelijk was, is niet gebleken. Klager klaagt nog dat het bericht van het hoofd PZ niet is meegewogen bij het nemen van voornoemde conclusie. Het klopt dat dit bericht niet genoemd is bij de conclusies, maar verweerders hebben dit bericht wel meegenomen in hun bevindingen (zie onder meer hoofdstuk 2, pagina 31), tezamen met vele andere berichten en interviews die zij hebben gehouden. Het was aan verweerders om uit de vele feitelijkheden hun conclusies te trekken en aanbevelingen op te stellen. Niet gebleken is dat deze conclusies zodanig onbegrijpelijk zijn dat deze niet getrokken hadden kunnen worden. Het hof zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.

Slotsom

7.7 Het hof zal de beslissing van de raad deels vernietigen en de klacht deels gegrond verklaren.


8 MAATREGEL

Verweerders hebben ontoereikend gehandeld in hun communicatie naar klager toe en het rapport is daarmee onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het hof acht het opleggen van een waarschuwing dan ook op zijn plaats. Het hof heeft daarbij meegewogen dat het niet heeft kunnen vaststellen in hoeverre en op welke wijze klager in zijn belang is geschaad; onderzoekers behouden immers de vrijheid om hun eigen conclusies te trekken en aanbevelingen te formuleren.


9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moeten verweerders op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerders door.

9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerders daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:

a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klager;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3 Verweerders moeten op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerders door.

9.4 Verweerders moeten op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


10 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt de beslissing van 2 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage, gewezen onder nummer 24-022/DH/RO en 24-023/DH/RO, voor zover het klachtonderdeel e) betreft;

en doet opnieuw recht:

10.2 verklaart klachtonderdeel e) gegrond;

10.3 bekrachtigt de beslissing van 2 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage, gewezen onder nummer 24-022/DH/RO en 24-023/DH/RO, voor wat betreft klachtonderdeel d);

10.4 legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op;

10.5 veroordeelt verweerders tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

10.6 veroordeelt verweerders tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.7 veroordeelt verweerders tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. J.E. Soeharno en D. Wachter, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.


griffier voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 november 2025