ECLI:NL:TAHVD:2025:199 Hof van Discipline 's Gravenhage 250339
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:199 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-10-2025 |
| Datum publicatie: | 16-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 250339 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Afwijzing verzoek tot verwijzing. Klager is ontevreden is over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster waardoor volgens klager de behandeling van zijn klachten vertraging heeft opgelopen. De klachten die klager heeft over de wijze waarop verweerster zich jegens klager heeft opgesteld of heeft gehandeld, kan klager indienen bij de Orde van Advocaten te Amsterdam op basis van de interne klachtenregeling van die Orde. Het klachtrecht in de zin van de Advocatenwet is niet bedoeld om de werkwijze van de Amsterdamse Orde van Advocaten aan de orde te stellen. Verder is het klachtrecht niet bedoeld om een hernieuwde dekenvisie te krijgen. De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid tot verwijzing van een onwelgevallige klachtbehandeling naar een andere deken. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 16 oktober 2025
in de zaak 250339
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 HET VERZOEK
De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 6 oktober 2025 waarin klager een klacht indient over verweerster en het hof verzoekt de klacht te verwijzen naar een deken in een ander ressort voor onderzoek en verdere afhandeling van zijn klacht.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46aa lid 3 Advocatenwet en artikel 12 lid 1 Procesreglement van het Hof van Discipline dient een klacht over een stafjurist-advocaat van een ordebureau te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Klager is ontevreden over de behandeling van zijn klachten over twee advocaten
(de mrs. B en B) die hij op 30 juni 2025 heeft ingediend bij de deken van de Orde
van Advocaten Amsterdam.
Op 15 juli 2025 heeft verweerster namens de deken een voorlopige visie gegeven op
de klachten van klager. Eveneens op 15 juli 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden
tussen klager en verweerster, waarna klager diezelfde dag schriftelijk heeft bevestigd
dat hij zijn klachten over mrs.
B en B handhaaft en inhoudelijk wil laten behandelen. Op 23 september 2025 ontvangt
klager een e-mail van verweerster waarin klager wordt gevraagd of hij zijn klachten
wil voortzetten.
2.3 Klager vindt deze handelwijze van verweerster klachtwaardig vanwege de ontstane vertraging wat het vertrouwen in de deken (en in bredere zin de rechtsorde) ondermijnt. Verder schendt verweerster de kernplichten onafhankelijkheid, voortvarendheid alsook de plicht tot transparantie. Verder merkt klager op dat de door hem verzochte verwijzing tevens is bedoeld om zijn klachten tegen de mrs. B en B door een andere deken te laten beoordelen.
2.4 Uit de klachtomschrijving volgt dat klager ontevreden is over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster waardoor volgens klager de behandeling van zijn klachten vertraging heeft opgelopen. De klachten die klager heeft over de wijze waarop verweerster zich jegens klager heeft opgesteld of heeft gehandeld, kan klager indienen bij de Orde van Advocaten te Amsterdam op basis van de interne klachtenregeling van die Orde. Het klachtrecht in de zin van de Advocatenwet is niet bedoeld om de werkwijze van de Amsterdamse Orde van Advocaten aan de orde te stellen.
2.5 Verder is het klachtrecht niet bedoeld om een hernieuwde dekenvisie te krijgen.
De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid tot verwijzing van een onwelgevallige
klachtbehandeling naar een andere deken. Als klager het griffierecht voldoet, kan
hij zijn klachten over de mrs. B. en B. laten voorleggen aan de Raad van Discipline
Amsterdam en zo zijn klachten inhoudelijk laten toetsen door de tuchtrechter.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is gewezen op 16 oktober 2025 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend
voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 16 oktober 2025.