ECLI:NL:TAHVD:2025:133 Hof van Discipline 's Gravenhage 240384
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:133 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-07-2025 |
| Datum publicatie: | 11-07-2025 |
| Zaaknummer(s): | 240384 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Artikel 13 beklag ongegrond. Voor een huurzaak bij de kantonrechter geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging. |
Beslissing van 11 juli 2025
in de zaak 240384
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat
als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 november 2024. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek van klager betrekking heeft op een huurkwestie en dat in deze zaak de bijstand van een advocaat niet verplicht is, zodat artikel 13 Advocatenwet haar niet de mogelijkheid biedt een advocaat aan te wijzen.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 26 december 2024 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier het verweer van de deken.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager woont sinds 2019 in een huurwoning. Hij is van mening dat reeds bij aanvang van de huur sprake was van gebreken, die tot op heden niet zijn verholpen. Ook heeft hij bezwaar tegen toegepaste huurverhogingen. Er zijn uitspraken gedaan door de Huurcommissie en door de kantonrechter.
2.2 Klager is in het geschil met zijn verhuurder van 2020 tot en met 2022 bijgestaan door een advocaat. Die advocaat heeft klager medegedeeld dat hij klager niet kon bijstaan bij de Huurcommissie en dat daarvoor ook geen toevoeging werd verleend. Voor het starten van een gerechtelijke procedure zag deze advocaat te weinig aanknopingspunten. Nadat klager tegen zijn advocaat een klacht had ingediend bij de deken, heeft de advocaat zijn bijstand aan klager gestaakt. De klacht is door de voorzitter van de raad van discipline kennelijk ongegrond verklaard. De raad heeft het verzet van klager tegen die beslissing ongegrond verklaard.
2.3 Klager heeft in 2024 meerdere advocaten voor rechtsbijstand benaderd. Een van die advocaten heeft klager op 22 oktober 2024 onder meer bericht:
“Ondanks uw uitvoerige mail en de nodige stukken is het mij -eerlijk gezegd- niet duidelijk wat u wil dat ik eventueel in juridisch opzicht voor u ga doen. Ik begrijp wel dat u stelt dat uw huidige woning gebreken heeft en dat er sprake zou zijn van overlast, maar dat wordt niet echt concreet door u gemaakt. Ik heb wel gezien dat alle uitspraken en vonnissen in deze kwestie al lang en breed onherroepelijk zijn, zodat dat geen punt van discussie meer kan opleveren.”
2.4 Een andere advocaat heeft klager op 2 december 2024 onder meer bericht:
“Ten overvloede merk ik op dat het vonnis dat de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 10 oktober 2023 heeft gewezen (…) reeds in kracht van gewijsde is gegaan (onherroepelijk is geworden). In het vonnis van 10 oktober 2023 heeft de kantonrechter bovendien geoordeeld dat de uitspraak van de Huurcommissie d.d. 25 november 2022 bindende kracht heeft.”
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Het hof
begrijpt dat klager inmiddels drie wederpartijen in deze kwestie ziet, te weten de
verhuurder, de Huurcommissie en zijn voormalig advocaat. Klager meent dat de zaak
is geëscaleerd doordat de deken de klachtzaak heeft ‘afgewimpeld’ en niet heeft bemiddeld
op basis van artikel 46d lid1 Advocatenwet.
3.2 De verhuurder heeft klager gedagvaard. Over die procedure stelt klager in zijn beklag:
“Onvoorzien van rechtsbijstand wordt huurder veroordeeld tot betaling de huursverhoging in omstandigheid van niet binnen 8 weken ingediend beroepschrift jegens uitspraak huurcommissie en tot hedendage nog immer aanwezige gebreken en opvolgend herhalende schendingen door verhuurder de overeengekomen huurvoorwaarden waaronder illegale renovatie en huurder tegen de wil gedwongen uitgeweken met tot heden onvergoede oinkosten vandien door verhuurder.”
3.3 Klager eindigt het beklagschrift als volgt:
“Met gegrondverklaring van beklag zodanig een rechtsbijstandsverlener middels gefin. rechtsbijstand kundig van huurzaken en aansprakelijkheid in samenwerking met huurder tot aanpak kan komen jegens de 3 wederpartijen resulterend alsnog oplevering van een zelfstandige woonruimte met "woongenot" en vergoeding van gederfd woongenot en verhuiskosten en een deel van de huur disciplinair onder protest betaald vanaf 01-05- 2020.”
Verweer
3.4 De deken heeft aangevoerd dat haar afwijzing van het verzoek van klager is
gebaseerd op de voorwaarde dat artikel 13 Advocatenwet alleen van toepassing is op
zaken waarin bijstand van een advocaat voorgeschreven is of waarin bijstand alleen
door een advocaat kan geschieden. Daarvan is bij een huurkwestie, zoals de kwestie
waarin klager zich bevindt, geen sprake. De deken heeft klager daar in de afwijzing
op gewezen. Zij heeft hem tevens verwezen naar advocaten die hem (zonder aanwijzing)
wellicht zouden kunnen bijstaan.
3.5 Volledigheidshalve verwijst de deken ook naar de bevindingen van de voormalig advocaat van klager. Die stelt dat er wegens onvoldoende dossieropbouw geen kans van slagen zou zijn bij een rechter en dat er voor procedures bij de Huurcommissie geen toevoeging zou worden verleend. Daarnaast verwijst zij naar hetgeen door klager benaderde advocaten hem hebben geschreven (hof: zie de citaten in 2.3 en 2.4 hiervoor). De deken is van mening dat de door klager gewenste bijstand geen redelijke kans van slagen heeft en dat zij het verzoek van klager ook om die reden had kunnen afwijzen.
3.6 De deken volgt klager ook niet in zijn stelling dat de zaak is geëscaleerd doordat zij in de klachtzaak niet heeft bemiddeld.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
Overwegingen van het hof
4.2 Voor zover het hof begrijpt, wenst klager (nog steeds) dat de door hem in
2019 geconstateerde gebreken aan het gehuurde in rechte worden vastgesteld. Daarnaast
wil hij de sedert 2020 doorgevoerde huurverhogingen ongedaan gemaakt zien en vergoeding
van (kennelijk) door hem gemaakte kosten ontvangen. Voor het voeren van een procedure
bij de kantonrechter in deze huurkwestie is geen verplichte procesvertegenwoordiging
voorgeschreven. Alleen al om die reden heeft de deken het verzoek tot aanwijzing van
een advocaat terecht afgewezen.
4.3 Dat klager nu ook de Huurcommissie en zijn voormalig advocaat als wederpartijen ziet, maakt het voorgaande niet anders. Hetzelfde geldt voor het verwijt van klager aan de deken dat zij in de klachtzaak tegen klagers voormalig advocaat niet heeft bemiddeld. Dit verwijt valt buiten het bestek van deze beklagprocedure.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 18 november 2024 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. T.H. Tanja-van
den Broek en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 11 juli 2025.