Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORARL:2021:30 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/382937 / KL RK 21-16

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2021:30
Datum uitspraak: 30-06-2021
Datum publicatie: 26-07-2021
Zaaknummer(s): C/05/382937 / KL RK 21-16
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Registergoed
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Niet is vast komen te staan dat klager door de vertraging in de afwikkeling van de doorhalingskwestie bewijsrechtelijk in een slechtere positie is komen te verkeren. Causaal verband tussen de vertraging in de afhandeling enerzijds en de verslechtering van de bewijspositie niet aannemelijk geworden. Klacht ook op overige onderdelen ongegrond..

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:        C/05/382937 / KL RK 21-16

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

[K.]

wonende te […],

tegen

[N.],

notaris te […].

Partijen worden hierna respectievelijk klager en de notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit

-          de klacht, met bijlagen, van 19 januari 2021

-          het verweer van de notaris van 9 maart 2021

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 28 mei 2021 behandeld, waarbij zijn verschenen klager enerzijds en de notaris anderzijds.

2. De feiten

2.1 Midden 1976 heeft de vader van klager aan [S.] een lening verstrekt van fl. 25.000,00. Tot zekerheid van terugbetaling van deze lening heeft [S.] de vader van klager een recht van hypotheek gegeven op zijn woning.

2.2 In 2016 is bij toeval ontdekt dat de inschrijving van deze hypotheek bij het kadaster niet was doorgehaald terwijl volgens [S.] de lening al lange tijd geleden was afgelost. [S.] heeft de notaris verzocht de doorhaling van de hypotheek te bewerkstelligen.

2.3 Bij brief van 16 oktober 2018 heeft de notaris aan klager en de zus van klager, als erfgenamen in de nalatenschap van hun ouders [1] , gevraagd of zij bereid zijn hun medewerking te verlenen aan de doorhaling van de hypotheek. Hierna hebben klager en de notaris diverse keren telefonisch dan wel via de e-mail contact gehad over de kwestie.

2.4 Bij e-mail van 5 november 2020 heeft de notaris klager de gang van zaken toegelicht en daarbij onder meer het volgende opgemerkt:

 “ (…) In verband met het vorenstaande is het, als u van mening bent dat u niet hoeft mee te werken aan het verzoek tot doorhaling, aan u om aan te tonen dat het het meest waarschijnlijk is dat nog wel sprake zou zijn van een schuld aan [S.]. U zou dat kunnen aantonen aan de hand van bijvoorbeeld de aangifte Erfbelasting betreffende de nalatenschap van uw moeder of aangiften Inkomstenbelasting van uw moeder.[S.] beschikt niet over die stukken. U misschien wel. Het is aan u om daarmee iets te doen.

Daartoe bent u echter kennelijk niet bereid. U heeft tot nu toe geen bewijsstukken aangeleverd over het eventueel nog bestaan van de vordering op [S.] en heeft laten weten dat u ook geen poging zult doen om dat aan te tonen.

Daarmee komt u de verplichtingen die uw vader in dit verband op zich heeft genomen (en die ten gevolge van vererving bij u en uw zus terecht zijn gekomen) niet na.

Zoals eerder al is opgemerkt is het ongemakkelijk dat de communicatie tot nu toe niet goed is verlopen, waarvoor aan u meer dan eens verontschuldigingen zijn aangeboden.

Het gegeven dat de communicatie tot nu toe ongelukkig was, is juridisch gezien in de gegeven omstandigheden echter geen reden om het standpunt in te nemen dat u ‘achterover zou kunnen leunen en niets zou hoeven doen’ en alleen genoegen zou hoeven nemen met een door [S.] te leveren onomstotelijk bewijs.

(…)

Als de hiervoor bedoelde conclusie juist is, betekent dat (…) het kennelijk noodzakelijk is dat aan de rechter wordt verzocht een bevel af te geven om het hypotheekrecht door te halen.

Alsdan zal de rechter, op basis van de door [S.] aangeleverde stukken en het gegeven dat u geen stukken heeft aangeleverd en/of wilt aanleveren waaruit zo blijken dat de vordering zeer waarschijnlijk nog wel bestaat, bezien of de rechter het verzochte bevel zal geven.

De betreffende procedure moet, al ik het goed begrijp, worden ingeleid met een dagvaarding. Die dagvaarding zal vervolgens door een deurwaarder worden betekend aan u en uw zus. U en uw zus krijgen dan de gelegenheid ook uw visie te geven op het betreffende verzoek. (…)

2.5 Eind 2020 hebben klager en zijn zus alsnog medewerking verleend aan de doorhaling van de hypotheek.

3. De klacht en het verweer

3.1 Klager verwijt de notaris onvoldoende voortvarend te hebben gehandeld in de afwikkeling van dit dossier. Hierdoor is de bewijspositie van klager ten nadele beïnvloed (klachtonderdeel 1). Daarnaast verwijt klager de notaris gebrek aan zelfreflectie voor wat betreft de aanpak van de zaak (klachtonderdeel 2). Ook maakt klager aanspraak op schadevergoeding (klachtonderdeel 3).

3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2.1 Klachtonderdeel 1) De notaris heeft de bewijspositie van klager negatief beïnvloed.

Klager stelt zich op het standpunt dat de notaris zijn bewijspositie als erfgenaam van een mogelijk vorderingsrecht negatief heeft beïnvloed door de doorhalingskwestie met zoveel vertraging in behandeling te nemen. De notaris was vanaf 2016 op de hoogte van de nog niet doorgehaalde hypotheek, maar heeft klager hier pas in 2018 over aan geschreven. Hierdoor raakte klager eerst na het overlijden van zijn moeder van het mogelijke vorderingsrecht op de hoogte en kon hij niet meer bij zijn moeder navragen of de desbetreffende vordering voldaan was of niet.

4.2.2 De kamer overweegt dat het op zichzelf beschouwd begrijpelijk is dat klager de vertraging in de afhandeling van de doorhalingskwestie betreurt. De notaris heeft hiervoor echter een verklaring gegeven en haar verontschuldigingen aangeboden. Meer kon de notaris in dit geval wat dat betreft niet doen. De afhandeling van de zaak was elders op kantoor blijven liggen en betreft bovendien een niet aan termijnen gebonden kwestie. Niet gebleken is dat dit de notaris tuchtrechtelijk aangerekend moet worden.

4.2.3 Naar het oordeel van de kamer is bovendien niet vast komen te staan dat klager door de vertraging in de afwikkeling van de doorhalingskwestie bewijsrechtelijk in een slechtere positie is komen te verkeren. Ook indien klager voor het overlijden van zijn moeder van de zaak op de hoogte zou zijn geraakt en [S.] daarop in rechte zou hebben aangesproken, had [S.], evenals na het overlijden van de moeder van klager, een beroep op bevrijdende verjaring kunnen doen. Het staat met andere woorden geenszins vast dat getuigenbewijs van de kant van de moeder van klager in deze zaak een doorslaggevende rol had kunnen spelen. Om deze reden kan het door klager gestelde causale verband tussen de vertraging in de afhandeling enerzijds en de verslechtering van zijn bewijspositie anderzijds niet vastgesteld worden. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

4.3.1 Klachtonderdeel 2) Gebrek aan zelfreflectie bij de notaris

Klager vraagt aandacht voor het feit dat hij door de handelwijze van de notaris plompverloren voor een voldongen feit is gesteld. De notaris heeft klager zonder vooraankondiging aangeschreven met de mededeling dat de hypotheekschuld aan zijn ouders door hypotheekgever reeds afbetaald was en of klager voor de doorhaling van de hypotheek maar even wilde tekenen ‘bij het kruisje’. Ook is klager van mening dat de notaris, toen zij door klager met kritiek op haar handelwijze geconfronteerd werd, niet adequaat en niet attent gereageerd heeft.

4.3.2 De kamer overweegt dat het beeld dat klager van de notaris schetst niet overeenkomt met hetgeen naar het oordeel van de kamer af te leiden valt uit de stukken en uit het optreden van de notaris ter zitting. Uit de stukken blijkt immers dat de notaris diverse keren haar verontschuldigingen heeft aangeboden voor het ontstaan van de situatie en deze, tezamen met de verschillende oplossingsmogelijkheden, ook verschillende malen aan klager heeft toegelicht. De klacht moet daarom op dit onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond verklaard worden.

4.4.1 Klachtonderdeel 3) Klager maakt aanspraak op schadevergoeding.

Zoals ter zitting aan klager toegelicht, valt een verzoek om schadevergoeding buiten het bereik van het notariële tuchtrecht. Klager wordt daarom op dit punt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

4.5 Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

- verklaart de klacht op klachtonderdelen 1) en 2) ongegrond en verklaart klager op klachtonderdeel 3) niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers, voorzitter, mr. G.J. Meijer en

mr. S.V. Viveen, leden, en in tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.

De secretaris

De voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.