Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2021:196 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-563

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2021:196
Datum uitspraak: 19-07-2021
Datum publicatie: 16-11-2021
Zaaknummer(s): 20-563
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerder klager heeft misleid en klager ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht. In de opdrachtbevestiging heeft verweerder klager gewezen op het feit dat hij een inspanningsverplichting had en geen resultaat kon garanderen. Ook heeft verweerder klager duidelijk uitgelegd dat hij pas na betaling van de eigen bijdrage inhoudelijk aan de zaak zou beginnen door een haalbaarheidsadvies te maken. Verweerder heeft klager daarna negatief geadviseerd over de slagingskans van de zaak en het dossier gesloten. Verweerder mocht voor die werkzaamheden, ook al was het advies negatief, aan klager kosten in rekening brengen in de vorm van de laagste eigen bijdrage. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 19 juli 2021
in de zaak 20-563/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:

klager
over
verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 2 maart 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 22 juli 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 1095183/MM/SD van de deken ontvangen.
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 28 mei 2021. Daarbij was klager aanwezig. Verweerder heeft de zitting telefonisch bijgewoond. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de in de aanbiedingsbrief en op de inventarislijst genoemde bijlagen.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Via doorverwijzing van het Juridisch Loket heeft klager zich tot verweerder gewend wegens opgelopen letselschade tijdens werkzaamheden die hem door enkele ambtenaren van gemeente A waren opgedragen.
2.3    Op 8 november 2019 heeft een intakegesprek tussen verweerder en klager plaatsgevonden. Klager heeft het omvangrijke dossier zowel per e-mail als schriftelijk aan verweerder verstrekt.
2.4    Klager staat onder bewind van een professionele bewindvoerder.
2.5    Bij brief van 18 november 2019 heeft verweerder aan klager de hem verstrekte opdracht bevestigd om klager bij te staan in zijn kwestie met de gemeente A en meegedeeld dat hij voor klager een toevoeging zal aanvragen. Verder heeft hij klager laten weten zich voor de zaak te zullen inspannen, maar geen garantie te kunnen geven voor een positief resultaat. Bij de opdrachtbevestiging is aan klager een declaratie meegestuurd voor de laagste eigen bijdrage van € 143,-.
2.6    Per e-mail van 4 december 2019 heeft verweerder, onder meer, aan klager, in cc aan de bewindvoerder, laten weten:

“Voor de duidelijkheid. Ik ga pas aan de zaak beginnen indien ik de toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand in mijn bezit heb en tevens de eigen bijdrage is betaald en de bewindvoerder toestemming heeft gegeven voor een eventuele procedure.
De kans is groot dat dit gelet op de drukte zowel bij de Raad als bij mij pas in januari kan. Ik zal eerst een advies schrijven met een beoordeling over een haalbaarheid van de zaak.”

2.7    Per e-mail van 13 januari 2020 aan klager, in cc aan zijn bewindvoerder, heeft verweerder onder meer geschreven:

“U bent enige tijd geleden bij mij op kantoor geweest waarbij u mij heeft verteld dat u een bijstandsuitkering had en dat u van mening bent dat de gemeente [A] u onvoldoende heeft geholpen bij het vinden van passend werk voor u. Daarnaast heeft u mij meegedeeld dat u een baan moest accepteren (groenvoorziening) die veel te zwaar voor u was waardoor u wederom een liesbreuk heeft opgelopen.

Ik heb van u een dossier gekregen waarbij de eerste brieven dateren uit 2014 (!) en de laatste uit 2017. (…)

Met valse beschuldigingen van meer dan 4 jaar geleden kan ik op dit moment niets meer. Nog los van het feit dat het uw woord is tegen het woord van de Gemeente en ik zie wel iets met betrekking tot planning die niet goed is gegaan en dat u geen materialen mee kreeg die noodzakelijk waren voor de uitvoering van de werkzaamheden maar ik zie geen juridische noodzaak op dit moment.

Dan voor wat betreft de tweede liesbreuk. Het staat vast dat u die heeft gehad maar uit het dossier blijkt nergens dat dit veroorzaakt is door de zware werkzaamheden bij de Groenvoorziening. Dit heeft zich ook vele jaren geleden afgespeeld en thans nog bewijs leveren dat dit veroorzaakt is door uw werkzaamheden bij Groenvoorziening acht ik zo goed als uitgesloten. Er zit onvoldoende in het dossier om hier wat mee te doen. (…)

Ik wil u best helpen maar zie op dit moment geen juridische mogelijkheden waar ik iets voor u kan betekenen.

Uiteraard mat u reageren op deze brief en mag u ook nog een keer langskomen op kantoor om uw visie hierop te geven. Maar dit is mijn voorlopige conclusie op basis van het dossier en het verhaal dat u gedaan heeft.”

2.8    Daarop heeft klager per e-mail van 14 januari 2020 teleurgesteld gereageerd en verweerder gevraagd om zijn met 69 documenten onderbouwde zaak alsnog op te pakken. Verweerder heeft diezelfde dag per e-mail aan klager laten weten dat in het dossier onvoldoende bewijsstukken zaten om de zaak succesvol tegen de gemeente(ambtenaren) te doen. Verder heeft hij klager voor een gesprek uitgenodigd en klager gevraagd om zo mogelijk nog andere bewijsstukken mee te nemen.
2.9    In zijn e-mail van 3 februari 2020 om 11:20 uur heeft verweerder aan klager bevestigd dat klager die ochtend wegens storing van de printer geen nieuw bewijsmateriaal naar de bespreking had meegenomen. Verder heeft hij daarin aan klager laten weten dat de door hem nog wel getoonde documenten en toelichting daarbij geen wijziging in zijn standpunt hadden opgeleverd namelijk dat er geen juridisch bewijs was om de zaak voor klager op te pakken. Tot slot heeft verweerder aangekondigd het dossier van klager te zullen sluiten. In zijn e mail van 14:10 uur heeft klager hierop zeer teleurgesteld gereageerd en maatregelen jegens verweerder aangekondigd. Daarop heeft verweerder om 15:52 in zijn e-mail aan klager gemeld dat hij duidelijk had uitgelegd, schriftelijk en mondeling, waarom hij in de zaak van klager geen kans van slagen zag en dat hij als advocaat mag besluiten om met een zaak, ook na betaling van de eigen bijdrage, te stoppen.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a)    klager te misleiden door eerst te laten weten de zaak op te zullen pakken zodra de eigen bijdrage door klager betaald zou zijn, maar daarna alsnog van de zaak af te zien wegens gebrek aan bewijs;
b)    ten onrechte aan klager kosten in rekening te brengen nu hij de zaak niet in behandeling wil nemen.

4    VERWEER
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2    Verweerder verwijst naar de overgelegde correspondentie, opgenomen onder de feiten hiervoor, waaruit blijkt dat hij van meet af aan duidelijk heeft gemaakt aan klager hoe hij te werk zou gaan. Na toestemming van de bewindvoerder en betaling van de laagste eigen bijdrage door klager zou hij pas aan zijn werkzaamheden - het dossieronderzoek - beginnen en adviseren over de juridische haalbaarheid van de zaak. In het omvangrijke dossier van klager was volgens verweerder geen bewijs te vinden voor het door klager ingenomen standpunt dat zijn letsel veroorzaakt was door zijn werkzaamheden als hovenier bij de gemeente en ook niet dat klager daar welbewust door enkele ambtenaren was neergezet. In zijn e-mail van 13 januari 2020 heeft  hij klager zijn voorlopige advies gegeven. Omdat klager geen aanvullend bewijs kon leveren, zoals verweerder hem had gevraagd, is verweerder gestopt met de zaak. Ook de bedreigingen van klager brachten daar geen verandering in.
Klachtonderdeel b)
4.3    Verweerder heeft klager de laagste eigen bijdrage in rekening gebracht. Pas tijdens het klachtonderzoek is hij erachter gekomen dat hij was vergeten om de toevoeging voor klager aan te vragen, wat hij op 15 april 2020 alsnog heeft gedaan. In de opdrachtbevestiging heeft hij klager al gemeld dat hij geen resultaatsverplichting heeft maar een inspanningsverplichting. Daaraan heeft hij voldaan met zijn gemotiveerde advisering aan klager. Daarvoor diende door klager gewoon betaald te worden, aldus verweerder.

5    BEOORDELING
5.1    In deze zaak staat de vraag centraal of verweerder het dossier van klager heeft behandeld met voldoende zorg ten opzichte van de belangen van klager, als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
5.2    De raad hanteert hierbij als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32).
5.3    Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:80).
Klachtonderdelen a) en b)
5.4    Gelet op de samenhang tussen deze klachtonderdelen ziet de raad aanleiding om deze gelijktijdig te beoordelen.
5.5    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de raad niet gebleken dat verweerder klager heeft misleid en aan klager ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht. Daartoe overweegt de raad als volgt.
5.6    Verweerder heeft klager in de opdrachtbevestiging van 18 november 2019 erop gewezen dat hij een inspanningsverplichting heeft en geen resultaat kan garanderen. Op 4 december 2019 heeft verweerder ook op heldere wijze aan klager uitgelegd dat hij pas na betaling van de eigen bijdrage in de loop van januari 2020 inhoudelijk aan de zaak van klager zou gaan beginnen door een haalbaarheidsadvies te maken. Na inhoudelijke bestudering van het dossier heeft verweerder op 13 januari 2020 klager negatief geadviseerd over de slagingskans van zijn zaak. Ondanks alle daarna door verweerder aan klager geboden mogelijkheden om verweerder op zijn voorlopige advies terug te laten komen, is klager daarin niet geslaagd. Dat heeft ertoe geleid dat verweerder het dossier van klager, waarin hij geen enkele kans van slagen zag, heeft gesloten. Anders dan klager heeft betoogd, heeft verweerder de zaak van klager wel in behandeling genomen en daarin een advies geschreven, zodat voor deze door verweerder verrichte werkzaamheden terecht kosten in de vorm van de laagste eigen bijdrage aan klager in rekening zijn gebracht.
5.7    Met de hiervoor geschetste zorgvuldige werkwijze van verweerder kan dan ook niet worden vastgesteld dat verweerder klager niet naar behoren heeft bijgestaan. Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder jegens klager dan ook geen sprake is geweest, zal de raad de klachtonderdelen a) en b) ongegrond verklaren.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E. Zweers, voorzitter, mrs. G.H.H. Kerkhof, S.M. Bosch-Koopmans, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2021.

griffier                                                            voorzitter

Bij afwezigheid van mr. M.M. Goldhoorn
is deze beslissing ondertekend door
mr. W.B. Kok (plaatsvervangend griffier)

Verzonden d.d. 19 juli 2021