Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:22
Datum uitspraak:
21-01-2019
Datum publicatie:
11-02-2019
Zaaknummer(s):
18-154
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntGeheimhoudingsplicht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Primaire verweer dat klager niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn klacht wegens niet tijdige betaling griffierecht aan deken ex artikel 46e Aw afgewezen. Naar oordeel van de raad mocht verweerster handelen jegens klager zoals zij heeft gedaan bij de verstrekking van informatie, zonder daarbij de geheimhoudingsplicht jegens haar cliënt te schenden. Verzet ongegrond. 

Overijssel

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 21 januari 2019

in de zaak 18-154

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 16 mei 2018 op de klacht van:

 

klager

tegen

verweerster

 

1.    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 31 juli 2017] heeft klager zich bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel beklaagd over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 15 februari 2018 met kenmerk 51/17/058, door de raad ontvangen op 16 februari 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    Bij beslissing van 16 mei 2018 heeft de voorzitter van de raad (hierna: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op diezelfde datum is verzonden aan klager.

1.4    Bij brief van 5 juni 2018, door de raad ontvangen op 7 juni 2018, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5    Het verzet is behandeld ter zitting van de raad van 26 november 2018 in aanwezigheid van klager en verweerster, die ter zitting is bijgestaan door mr. [naam].

1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop de beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven, alsmede van het verzetschrift van klager van 5 juni 2018.

 

2.    FEITEN EN KLACHT

2.1    Voor een weergave van de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Tegen die weergave komt klager in verzet niet op.

 

3.    VERZET EN VERWEER

3.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

a)    de voorzitter heeft geoordeeld dat het verweerster door haar geheimhoudingsplicht niet vrij stond om informatie uit het dossier van haar cliënt met derden te delen maar de voorzitter heeft niet geoordeeld over de situatie van klager die in die kwestie een rechtstreeks-belanghebbende is;

b)    de voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat verweerster mocht weigeren om de door klager verzochte informatie te verstrekken wegens haar geheimhoudingsplicht, terwijl de procedurele vraag van klager of wel of niet een rechtsmiddel door haar cliënt was aangewend niet onder die geheimhoudingsplicht viel;

c)    een kantoorgenoot van verweerster, mr. H., is tuchtrechter bij deze raad en hij is op de zittingslijst gepresenteerd als reserve zodat hij daardoor kennis heeft genomen van de klachtdossiers van klager, ook in samenhangende zaken, zonder zich op voorhand te verschonen;

d)    de voorzitter heeft zijn oordeel gegeven op basis van onvoldoende stukken en is dus uitgegaan van onjuiste feiten, omdat de deken diverse in deze kwestie relevante stukken, waaronder de brief van 7 december 2017, niet aan de raad heeft doorgezonden.

3.2    Verweerster heeft ter zitting als primair verweer aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht, en daarmee in zijn verzet, omdat klager niet binnen de termijn van vier weken, maar weken later pas zijn griffierecht bij de deken heeft voldaan, zonder dat daar een verschoonbare reden aan ten grondslag lag. Niettemin heeft de deken de klacht aan de raad doorgestuurd, hetgeen niet had dienen te gebeuren.

3.3    Subsidiair, voor klager wordt ontvangen in zijn klacht, is namens verweerster aangevoerd dat de onderliggende zaak al 20 jaar speelt en is die zaak uitvoerig toegelicht. Volgens verweerster heeft zij klager adequaat geïnformeerd namelijk dat naar haar herinnering geen rechtsmiddel was ingesteld. Aldus heeft zij op zijn vraag gereageerd, zonder haar geheimhoudingsplicht jegens haar cliënt te schenden. Dat een kantoorgenoot tuchtrechter bij de raad is, is in deze klachtzaak niet relevant nu hij daarbij niet betrokken is geweest en hij bovendien als tuchtrechter onafhankelijk is. De door klager genoemde brief is pas na hoor en wederhoor door de deken van klager ontvangen en om die terechte reden niet doorgestuurd aan de raad. Dat er ook nog andere relevante stukken niet zouden zijn doorgestuurd door de deken, heeft klager niet nader onderbouwd door die stukken alsnog te overleggen.

 

4.    BEOORDELING

4.1    Ten aanzien van het meest verstrekkende verweer dat klager niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden omdat hij zijn griffierecht te laat zou hebben betaald, oordeelt de raad als volgt.

4.2    Ingevolge artikel 46 e lid 1 Advocatenwet heft de deken, alvorens een klacht ter kennis van de raad te brengen, van de klager een griffierecht van € 50,-. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wijst de deken de klager op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op het daartoe bekendgemaakte bankrekeningnummer. Vaststaat dat klager niet binnen de gestelde termijn van vier weken zijn griffierecht heeft voldaan maar pas weken later. Het niet tijdig betalen van het griffierecht heeft echter, anders dan verweerster meent, niet tot gevolg dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Dat zou alleen het geval kunnen zijn als de wetgever het innen van het griffierecht binnen een bepaalde termijn aan de raden van discipline had opgedragen. Daarvan is in de tweede nota van wijziging (kamerstuk 32 382, nr. 10) sprake geweest, maar dat is bij de derde nota van wijziging (kamerstuk 32 382, nr. 14), waarbij het huidige artikel 46 e Advocatenwet is ingevoerd, weer gewijzigd. Het heffen van het griffierecht is thans opgedragen aan de deken die, nadat het griffierecht is betaald, verplicht is de klacht ter kennis van de raad van discipline te brengen. De enige consequentie van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht is dat de deken de klacht (nog) niet doorstuurt naar de raad van discipline. De deken heeft de klacht van klager wel doorgezonden, zodat de raad gehouden is daarover te oordelen. Dit primaire verweer faalt dan ook.

4.3    De raad is voorts van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast en voorts acht heeft geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de raad kunnen de door klager aangevoerde gronden niet slagen en heeft de voorzitter de klacht terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden.

4.4    Nu het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet ongegrond worden verklaard.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gewezen door mr. K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. A.D.G. Bakker, R.P.F. van der Mark, C.W.J. Okkerse, P.P. Verdoorn, leden, bijgestaan door  mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2019.

 

griffier                                                                      voorzitter

 

Verzonden d.d. 21 januari 2019

Meer informatie

Acties

Meta gegevens