ECLI:NL:TGZRZWO:2018:181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 082/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:181 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-11-2018 |
| Datum publicatie: | 30-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 082/2018 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen orthopedisch chirurg ongegrond. Het college kan, mede gelet op het beeldmateriaal, niet vaststellen dat bij de twee rugoperaties die klager heeft ondergaan fouten zijn gemaakt. Er zijn complicaties ontstaan die niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 30 november 2018 naar aanleiding van de op 20 december 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht, doorgezonden aan en op 19 maart 2018 ontvangen door het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , orthopedisch chirurg, werkzaam te D,
(BIG inschrijving verlopen per 31 december 2017),
bijgestaan door mr. M.E.M. van Eeden, werkzaam bij Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift van 18 december 2017 met bijlagen;
- het verweerschrift van 13 maart 2018;
- de brief van klager van 15 maart 2018 met het medisch dossier van E te D en een tweetal DVD’S met MRI-scans;
- het proces-verbaal van vooronderzoek, gehouden op 29 mei 2018;
- de brief van klager gedateerd 1 mei 2018, ingekomen op 4 juni 2018, met aanvullende stukken.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 26 oktober 2018, alwaar klager, vergezeld door zijn partner F, en verweerder, met zijn gemachtigde, zijn verschenen.
2. FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Verweerder is (gepensioneerd) orthopedisch chirurg en was werkzaam bij E te D.
Op 26 juli 2013 is klager voor het eerst op het spreekuur gekomen bij verweerder met klachten aan zijn rug. Verweerder adviseerde een spondylodese L5-S1. In de brief aan de huisarts is vermeld dat kans op succes en mogelijke complicaties zijn besproken.
Uit een MRI-scan van 28 maart 2015 blijkt dat klager een discusversmalling L5-S1 heeft met discusdegeneratie, facetartrose en hypertrofie en daardoor vernauwing van het foramen en compressie van de wortel L5 rechts.
Van 28 t/m 30 april 2015 is klager opgenomen in E voor een spondylodese in verband met langdurige lage rugpijn en radiculaire klachten bij spondylose L5-S1 niet reagerend op conservatieve therapie. Op 28 april 2015 heeft verweerder bij klager een intercorporele posterieure spondylodese uitgevoerd (vastzetten van wervels).
Van 2 t/m 3 juni 2015 is klager met spoed opgenomen in verband met radiculaire klachten van het rechterbeen en mictieklachten als gevolg van een op de MRI waargenomen H.N.P. Op 2 juni 2015 heeft verweerder klager voor de tweede maal geopereerd. Er is toen een laminectomie uitgevoerd en een excisie van de discus L4-L5 die in het rechter foramen op de zenuwwortel L5 drukte.
Op 3 februari 2016 heeft verweerder klager voor het laatst gezien. Hij heeft klager niet opnieuw geopereerd maar pijnbestrijding aangeboden.
Op 16 augustus 2017 is klager geopereerd door G, neurochirurg in H. Er is toen een benige woekering op niveau L5-S1 verwijderd.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager betoogt dat hij na twee operaties door verweerder en de nieuwe operatie in H beperkingen heeft overgehouden waardoor hij zijn sport en werkzaamheden niet meer kan uitoefenen. Volgens klager is hij blijven zitten met pijn, kramp, frustratie en vele beperkingen waardoor hij niet meer goed kan functioneren.
Klager verwijt verweerder daarom, zoals bij het vooronderzoek is samengevat, dat:
1. tijdens de eerste operatie op 28 april 2015 fouten zijn gemaakt waarover verweerder niet open is geweest;
2. de tweede operatie op 2 juni 2015 geen verbetering heeft opgeleverd; daarbij werd hersenvliesschade opgelopen;
3. na het derde consult op 3 februari 2016 was verweerder niet meer bereikbaar; pas toen de huisarts belde werd de telefoon beantwoord;
4. hoewel eerst was bevestigd dat verweerder een derde keer zou opereren, was dat ineens niet meer mogelijk.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder heeft tegen de klacht ingebracht dat onduidelijk is, wat klager bedoelt met fouten die tijdens de eerste operatie op 28 april 2015 zouden zijn gemaakt of waaruit deze fouten zouden hebben bestaan. Volgens verweerder volgt uit het operatieverslag en het beeldmateriaal in ieder geval niet dat hij fouten heeft gemaakt of onzorgvuldig heeft gehandeld. Ook meent verweerder dat onduidelijk is wat klager bedoelt met een “onvolledige uitvoering” van de tweede operatie op 2 juni 2015 en dat hij niet eerlijk tegen hem zou zijn geweest. Verweerder betreurt het dat het resultaat van de behandelingen voor klager kennelijk teleurstellend is geweest en dat klager hem verwijt fouten te hebben gemaakt en onduidelijk te hebben gecommuniceerd. Verweerder meent echter dat hem van zijn handelen geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Vooropgesteld wordt verder dat het college om tot het oordeel te kunnen komen dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Als de feiten niet kunnen worden vastgesteld, heeft verweerder het voordeel van de twijfel. Dit betekent niet dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder. Maar omdat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moeten de feiten vast staan.
5.3
Tegen deze achtergrond zal het college de klachtonderdelen achtereenvolgens bespreken.
5.4
Het eerste klachtonderdeel treft geen doel.
Na kennisname van het beeldmateriaal, dat klager heeft overgelegd, is het college van oordeel dat bij de eerste operatie op 28 april 2015 geen fouten zijn gemaakt. Veeleer is sprake van een vooraf besproken, mogelijke complicatie, zoals onweersproken volgt uit het medisch dossier.
5.5
Het tweede klachtonderdeel slaagt niet.
Verweerder heeft goed gehandeld door op grond van de bevindingen bij onderzoek op korte termijn een MRI te laten maken en op basis daarvan met spoed een re-exploratie uit te voeren. Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat de tweede operatie niet volledig is uitgevoerd door verweerder. Het college heeft de feiten daaromtrent niet kunnen vaststellen, zodat – ook al heeft de operatie geen verbetering opgeleverd – niet kan worden geoordeeld dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt treft. Van hersenvliesschade blijkt eerst sprake bij de operatie in H op 16 augustus 2017.
5.6
Het derde klachtonderdeel is vergeefs aangevoerd.
Verweerder heeft uiteengezet op welke wijze E de bereikbaarheid heeft geregeld en betreurt het als dat mogelijk mis is gelopen. Klager heeft de onbereikbaarheid van verweerder niet gedocumenteerd. Het overgelegde journaal van zijn huisarts biedt wat dit betreft geen uitsluitsel. Ook wat dit betreft kan het college de feiten niet vaststellen.
5.7
Het vierde onderdeel slaagt evenmin.
Dit klachtonderdeel behelst het verwijt dat verweerder klager niet voor een derde maal wilde opereren. Verweerder heeft verklaard dat hij aanvankelijk een derde operatie heeft overwogen, maar dat hij na overleg met zijn beroepsgenoten daarvan meende te moeten afzien, omdat verbetering van de pijnklachten daarvan niet was te verwachten. Het college kan de beslissing van verweerder – gegeven het overgelegde beeldmateriaal – om niet nogmaals te opereren billijken. Klager heeft ter zitting bevestigd dat verweerder hem op 3 februari 2016 heeft uitgelegd waarom hij niet nogmaals wilde opereren. Dat het wellicht te overwegen was geweest om klager niet van I naar D te laten reizen om hem dit mee te delen, acht het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Er is bovendien ook wat voor te zeggen om een dergelijk bericht persoonlijk over te brengen.
5.8
Het college komt tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan door W.J.B. Cornelissen, voorzitter, E. Plomp, lid-jurist, J. Seegers,
R.L. Diercks en J.J.C.M. Rooijmans-Rietjens, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van P. van der Stroom, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2018 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.