ECLI:NL:TGZRSGR:2018:185 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-161a
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:185 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-11-2018 |
| Datum publicatie: | 21-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-161a |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Gebleken is dat de verpleegkundige, met wie klager geen behandelrelatie heeft, het EPD van klager niet heeft ingezien. De lezingen van partijen over hoe de informatie over klager bij het behandelteam van klager terecht is gekomen, lopen uiteen. Dit kan het College derhalve niet vaststellen. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 21 november 2018
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
tegen:
C , verpleegkundige,
werkzaam te B,
verweerder,
gemachtigde: D, werkzaam te B.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 13 juli 2018
- het verweerschrift met bijlagen.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2018. Klager is verschenen. Verweerder en zijn gemachtigde zijn, alhoewel goed opgeroepen, zonder kennisgeving niet verschenen.
2. De feiten
2.1 Klager, geboren in 1983, is in behandeling of in behandeling geweest bij het E van F te B.
2.2 Verweerder is werkzaam als sociaal psychiatrisch verpleegkundige (hierna: SPV) bij G en gedetacheerd bij het H van de gemeente B.
Zijn werkzaamheden bestaan uit het toeleiden van mensen met psychische problemen naar GGZ-instellingen (psychiatrische zorg). Daarnaast vervult verweerder een signaalfunctie, waarbij hij signalen vanuit (ambulante) instanties of vanuit de wijk onderzoekt.
3. De klacht
Klager verwijt verweerder dat hij zonder toestemming van klager het EPD van klager heeft ingezien (1), van zijn collega’s van G en het behandelend E team privé informatie over klager heeft verkregen en de aldus verkregen informatie over klager heeft gedeeld met de ex van klager, die net als verweerder werkzaam is in het H bij de gemeente B (2). Verweerder heeft de ex van klager onder meer verteld dat de crisisdienst bij klager is langs geweest en medicatie heeft verstrekt. De ex van klager heeft deze informatie gebruikt om aangifte tegen klager te doen en heeft op basis van deze informatie klager als ‘gevaarlijk’ en ‘psychotisch’ afgeschilderd, hetgeen zeer ernstige gevolgen voor klager heeft gehad.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft toegelicht dat een collega van hem, ook werkzaam bij het wijkteam, op 27 december 2017 overstuur met hem heeft gebeld en hem als SPV om raad heeft gevraagd. Deze collega vertelde dat zij door klager werd gestalkt en lastig gevallen, dat klager psychotisch was en zelfmoord wilde plegen. Zij heeft voorts gezegd dat klager in behandeling was bij F. Diezelfde dag heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met het behandelteam van klager en gezegd zich zorgen te maken gezien (de ernst van) de (psychiatrische) klachten en het gedrag van klager jegens verweerders collega. Hij heeft zich daarbij beperkt tot een feitelijke weergave van de signalen die de collega met hem had gedeeld. Voordat hij contact heeft opgenomen met het behandelteam heeft hij dit met zijn collega besproken en afgestemd. Verweerder heeft betwist dat hij het EPD van klager heeft ingezien.
5. De beoordeling
5.1 Klager heeft ter zitting toegelicht dat hij, toen bleek dat zijn ex aangifte tegen hem had gedaan bij de politie op onderzoek is uitgegaan van wie zij informatie had gekregen. Hij heeft bevestigd dat zijn klacht inhoudt dat er informatie over klager is verstrekt aan verweerder en dat verweerder vervolgens deze informatie heeft gedeeld met de ex van klager. Klager heeft hieraan toegevoegd dat inmiddels na onderzoek van zijn kant is bevestigd dat verweerder zijn EPD niet heeft ingezien. Klager kon aanvankelijk geen andere conclusie trekken dan dat verweerder zijn EPD had ingekeken, omdat de behandelaren ontkenden informatie aan verweerder te hebben verstrekt.
5.2 Het College overweegt als volgt. Uit de bijlage bij het verweerschrift blijkt dat verweerder in de periode tussen 5 december 2017 en 31 januari 2018 het EPD van klager niet heeft ingezien. Klager heeft dit (eerste) onderdeel van de klacht ter zitting dan ook niet gehandhaafd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.3 Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel overweegt het College als volgt.
Waar klager stelt dat verweerder informatie heeft ontvangen van het E team en deze informatie heeft gedeeld met de ex van klager, stelt verweerder informatie te hebben ontvangen van zijn collega (het College begrijpt de ex van klager) en deze informatie te hebben gedeeld met het behandelteam. Hij zou derhalve geen informatie aan de ex van klager, zijn collega, hebben verstrekt. Klager en verweerder verschillen van mening over hetgeen is gebeurd en het College kan niet uitmaken wie van beiden daarin gelijk heeft. Het is vaste tuchtrechtspraak in gevallen als deze, waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus hier niet vaststellen.
5.4 De conclusie is dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder met betrekking tot de klacht een verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg treft. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door A.E.B. ter Heide, voorzitter, C.H. van Breevoort-de Bruin, lid-jurist, W.M.E. Bil, M. Houtlosser en E.M. Rozemeijer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij
niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd , wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.