ECLI:NL:TGZRSGR:2018:179 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-115
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:179 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-11-2018 |
| Datum publicatie: | 13-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-115 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager heeft nagelaten te onderbouwen op welke wijze de gz-psycholoog bij het toedienen van de antipsychotica betrokken is geweest, de uitleg van de gz-psycholoog ontmoet geen bedenkingen. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
verblijvende te B,
klager,
tegen:
C, gz-psycholoog
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, werkzaam te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 23 mei 2018
- het verweerschrift met bijlagen
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 15 augustus 2018.
1.2 Het College heeft de klacht op 2 oktober 2018 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Klager, geboren in 1966, is sinds 9 oktober 2014 opgenomen in D (hierna: D).
2.2 Verweerster is als gz-psycholoog werkzaam in D. Zij is sinds 2016 als hoofd behandeling bij de behandeling van klager betrokken. Zij is coördinator voor een behandelafdeling en zet als regiebehandelaar behandeltrajecten uit voor TBS-gestelden op de desbetreffende afdeling en zij leidt de behandelplanbesprekingen.
2.3 In mei 2017 kreeg klager last van ernstige klachten naar aanleiding van de noodmedicatie antipsychotica, waarbij de uiteindelijke conclusie van de neuroloog maligne katatonie was, met in de differentiaal diagnose ook maligne neuroleptica.
2.4 In maart 2018 is aan klager in verband met een ernstige psychotische decompensatie op 19 maart 2018 en 27 maart 2018 een kortwerkend antipsychoticum toegediend door psychiater E.
3.
De klacht
Klager verwijt verweerster – zakelijk weergegeven – dat zij hem medicijnen heeft toegediend waarvoor klager allergisch is.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.
De beoordeling
5.1 Verweerster heeft in haar verweerschrift en tijdens het mondeling verhoor in het kader van het vooronderzoek gesteld dat zij als gz-psycholoog geen medicatie aan patiënten toedient. Haar takenpakket bestaat uit het uiteenzetten van de behandelingen en het organiseren van het multidisciplinair overleg. Verweerster was wel bij alle besluiten die tijdens het multidisciplinair overleg werden genomen aanwezig. De psychiater heeft in het multidisciplinair overleg een adviserende rol. Ook meent zij dat klager ten onrechte in de veronderstelling is dat hij een allergie voor antipsychotica heeft.
5.2 De uitleg van verweerster ontmoet bij het College geen bedenkingen. Klager heeft verder nagelaten om op enige wijze te onderbouwen op welke wijze verweerster bij het toedienen van de antipsychotica betrokken is geweest. Nu klager niet heeft omschreven waarin het aan verweerster verweten gedrag concreet gestalte heeft gekregen kan de klacht niet gegrond worden verklaard.
5.3 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 13 november 2018 door W.N.L. Donker, voorzitter,
E.H. Muste en N.A.M. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.