ECLI:NL:TGZRSGR:2018:178 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-114
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:178 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-11-2018 |
| Datum publicatie: | 13-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-114 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft klaagster en haar klachten iedere keer serieus genomen door lichamelijk en aanvullend onderzoek uit te voeren en haar zo nodig door te verwijzen naar verschillende specialisten. Op geen enkele wijze is gebleken dat de huisarts snauwt, liegt of bedriegt. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, huisarts,
werkzaam te B,
verweerder,
gemachtigde: mr. P. Mannaart, werkzaam te Leusden.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 30 mei 2018,
- het verweerschrift met bijlagen,
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 21 augustus 2018.
1.2 Het College heeft de klacht op 2 oktober 2018 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Klaagster, geboren in 1942, heeft sinds 2003 klachten. Zij meent dat deze klachten verband houden met de ziekte van Lyme. In 2003 is klaagster door haar toenmalige huisarts doorverwezen naar een internist voor een onderzoek naar onder andere de ziekte van Lyme, maar deze ziekte werd niet geconstateerd.
2.2 Klaagster is sinds 2010 ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van verweerder in B.
2.3 Op 16 juni 2010 heeft klaagster zich voor het eerst bij verweerder gepresenteerd met verschillende klachten. Hierop heeft verweerder laboratoriumonderzoek laten verrichten. Toen klaagster op 31 maart 2011 wederom met klachten op consult bij verweerder kwam, heeft hij haar doorverwezen naar de reumatoloog. De reumatoloog kon geen duidelijke afwijkingen vaststellen, maar dacht aan mogelijk beginnende artrose.
2.4 Op 3 september 2012 kwam klaagster op consult bij verweerder met de klacht dat ze al twee jaar tintelingen over haar hele lichaam had. Verweerder heeft hierop laboratoriumonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek levert geen bijzonderheden op. Een maand later, op 31 oktober 2012, meldde klaagster te denken nog steeds de ziekte van Lyme te hebben. Verweerder heeft klaagster na dit consult voor verder onderzoek naar de internist doorverwezen. Het onderzoek bij de internist vond plaats in december 2012. Van een Borrelia infectie is toen niet gebleken. Voor zover relevant heeft de internist in zijn brief aan verweerder d.d. 19 december 2012 het volgende vermeld:
“Het betreft een 70-jarige patiënte die het spreekuur bezoekt in verband met vermoeidheidsklachten. Patiënte is er van overtuigd dat ze de ziekte van lyme heeft. We hebben hier nogmaals serologie ingezet die dit niet kan aantonen zoals u dit twee keer eerder ook al niet kon aantonen. Patiënte vertrouwt deze bloedtesten niet en zal deze over gaan laten doen in buitenland of in D. We hebben patiënte uitgebreid uitgelegd dat wanneer de serologie wel positief zou zijn ze al behandeld is met Doxycycline en dat dit dan ook geen verder gevolgen zal hebben. Hiervan is patiënte ook niet overtuigd. Ze zou liever de Doxycycline continu gebruiken. Dit is wat ons betreft niet zinvol. We hebben patiënte ook verteld dat we helaas nu verder niets voor haar kunnen betekenen en haar weer terug verwezen naar uw spreekuur.”
2.5 In januari 2013 heeft klaagster een arts bij E bezocht. De artsen aldaar hebben bij klaagster laboratoriumonderzoek verricht door bloed af te nemen en naar twee laboratoria (waarvan een in F en een in D) te versturen. Uit beide onderzoeken is een Borrelia-infectie (Borrelia burgdoferi sensu stricto) naar voren gekomen. Door E is klaagster naar een arts, gespecialiseerd in de ziekte van Lyme doorverwezen. Deze schreef klaagster het medicijn Azitromycine (Zithromax) voor.
2.6 In juli en augustus 2013 heeft klaagster meerdere malen met verweerder gesproken over de ziekte van Lyme, een vergoeding van de kosten van de medicatie van E en een verzoek om andere medicatie.
2.7 Op 20 november 2013 is klaagster op consult geweest bij eerdergenoemde, in de ziekte van Lyme gespecialiseerde arts. Van deze arts kreeg klaagster een Doxycylinekuur voorgeschreven. Verweerder en klaagster hebben hierover gesproken op 27 november 2013 en verweerder heeft klaagster opnieuw doorverwezen naar een internist, gespecialiseerd in infectieziekten. Op 17 maart 2014 is klaagster op consult bij een internist-infectioloog in het G te B geweest. In de brief aan de huisarts d.d. 17 maart 2014 wordt vermeld:
“Conclusie:
71-jarige vrouw, geen aanwijzingen voor interne pathologie. Als er al sprake was van Lyme borreliose is deze afdoende behandeld.
Beleid:
Ik probeerde patiente gerust te stellen. Er waren geen aanwijzingen voor overige internistische patologie en een eventuele Lyme borreliose is afdoende behandeld. We bespraken de nadelen van overmatig antibiotica gebruik zoals resistentie. Helaas blijft patiente er van overtuigd Lyme te hebben en zoekt verder haar weg in het alternatieve circuit. Wij maakten geen nieuwe afspraak.”
2.8 Tijdens het consult van 15 mei 2015 met verweerder meent klaagster dat de ziekte van Lyme weer terug is. Zij vertelt dat zij kleine beestjes en wormpjes in haar ontlasting heeft waargenomen. Na onderzoek van het faecesmateriaal in het H blijkt dit een darmparasiet (Dientamoeba fragilis) te zijn.
2.9 Op 28 juli 2015 heeft verweerder klaagster naar de internist-infectioloog I in het H gestuurd voor een herevaluatie van de door klaagster gestelde ziekte van Lyme en voor onderzoek naar de darmparasiet.
Na laboratoriumonderzoek blijkt de darmparasiet nog aanwezig. Een Borrelia infectie is niet aangetroffen. Klaagster bleef bij I onder behandeling.
2.10 In mei 2017 is klaagster wederom bij internist-infectioloog I geweest, omdat ze dacht dat ze een worm in haar hoofd had. Dit bleek niet het geval te zijn. Op 7 juni 2018 is klaagster opnieuw door I gezien wegens veel pijn in de benen, voeten en armen. De conclusie van de internist-infectioloog luidde als volgt:
“Conclusie
1. Blijvende klachten van worm/ amoeben waarnemingen in ontlasting, nooit geobjectiveerd, alleen positieve PCR van apathogene Dienthamoeba fragiles
2. pte vindt zelf chronisch lyme te hebben, testen hier zijn nooit positief geweest, wel bij E, maar ze is adequaat behandeld in het verleden.”
De klacht
Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij
a) snauwt, liegt en bedriegt
b) klaagster medicatie heeft onthouden
c) de dosering van de medicatie verminderd heeft
d) testen niet accepteert
e) vrouwen treitert.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.
De beoordeling
5.1 Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is waar klaagster precies op doelt met klachtonderdeel a en hij betwist hierbij dat hij naar patiënten snauwt, dat hij liegt en bedriegt. Verder heeft verweerder klaagster elke keer dat zij op consult kwam met doorgaans dezelfde klachten nogmaals onderzocht, met een open blik naar de klachten gekeken waarna hij haar doorverwees naar verschillende specialisten. Voorts betwist hij de dosering te hebben verminderd of medicatie te hebben onthouden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij altijd heeft gehandeld conform aanwijzingen van en na overleg met de betreffende specialist welke de medicatie heeft voorgeschreven. Voorts stelt hij zich totaal niet te herkennen in de beschuldiging dat hij vrouwen zou treiteren.
5.2 De klachtonderdelen b, c en d lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De stellingen van klaagster dat verweerder klaagster medicatie heeft onthouden, doseringen heeft verminderd en testen niet accepteert kan het College niet volgen. Het door verweerder gevoerde beleid roept geen vragen op. Zoals blijkt uit het verweerschrift en het medisch dossier heeft verweerder klaagster en haar klachten iedere keer serieus genomen door lichamelijk en aanvullend onderzoek uit te voeren en haar zo nodig door te verwijzen naar verschillende specialisten. Verweerder heeft zich wat betreft de dosering van medicatie altijd gehouden aan het advies van de specialist. Uit niets blijkt het tegendeel.
5.3 Voor wat betreft het niet accepteren van testen merkt het College het volgende op. Voor zover klaagster bedoelt dat verweerder de laboratoriumonderzoeken door E niet heeft geaccepteerd, gaat deze stelling niet op. Zoals uit het verweerschrift en het medisch dossier valt op te maken heeft verweerder klaagster na deze testen doorverwezen naar een internist. Uit de onderzoeken in het ziekenhuis bleek geen sprake te zijn van de ziekte van Lyme of een Borrelia infectie. Het College kan hieruit niet opmaken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of testen niet heeft geaccepteerd. De klachtonderdelen b, c en d zijn daarmee ongegrond.
5.4 De klachtonderdelen a en e lenen zich ook voor gezamenlijke behandeling. Op geen enkele wijze heeft het College uit het door klaagster gestelde op kunnen maken dat verweerder snauwt, liegt of bedriegt. Nog afgezien daarvan biedt het medisch dossier en hetgeen tijdens het mondeling verhoor in het kader van het vooronderzoek is besproken naar het
oordeel van het College geen steun voor de juistheid van de stellingen van klaagster. Dit geldt eveneens voor klachtonderdeel e. Beide klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.
5.5 Om bovenstaande redenen zullen de klachten zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 13 november 2018 door W.N.L. Donker, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, H.N. Koetsier, B. van Ek, R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.