ECLI:NL:TGZRSGR:2018:171 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-024d

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:171
Datum uitspraak: 06-11-2018
Datum publicatie: 06-11-2018
Zaaknummer(s): 2018-024d
Onderwerp: Niet of te laat verwijzen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft overeenkomstig de NHG-standaard ‘Acute Keelpijn’ gehandeld. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster ten minste vijf ernstige keelontstekingen per jaar of drie ernstige keelontstekingen in elk van de afgelopen twee jaar heeft gehad, zodat de huisarts klaagster niet hoefde door te verwijzen naar een KNO-arts. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, huisarts,

werkzaam te D,

verweerster,

gemachtigde: mr. D.M. Pot, werkzaam te Utrecht.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2018

- aanvullend klaagschrift, ontvangen op 13 februari 2018

- een brief van de huidige huisarts van klaagster met medische gegevens

- het verweerschrift met bijlagen

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 19 juni 2018.

1.2       Het College heeft de klacht op 25 september 2018 in raadkamer behandeld. 

2.           De feiten

2.1       Klaagster, geboren in 1993, heeft al vanaf jonge leeftijd last van haar keelamandelen. Op 17 maart 2011 heeft verweerster een kweek afgenomen, maar daar kwam niets afwijkends uit, waardoor er volgens verweerster geen noodzaak was tot het voorschrijven van een antibioticumkuur. Verweerster heeft in het medisch journaal daarover genoteerd:

17-03-2011  S laatste half jaar 3 keer last jkeel met temp gehad

                        met witte punten, vannacht last eb vieze lucht

                        O crypteuze tonsillen

                        E keelpijn

                        P kweek indien pos kweek dan ab”.

2.2       Klaagster heeft op 28 maart 2011 tijdens een consult bij verweerster in de huisartsenpraktijk gevraagd om een doorverwijzing naar een keel-neus-oorarts (KNO-arts). Verweerster zag geen reden tot doorverwijzing omdat klaagster noch op 17 noch op 28 maart 2011 koorts had en een keelontsteking meestal vanzelf over gaat. Klaagster kon zich daarin niet vinden, waarna een discussie ontstond tussen klaagster en verweerster. Verweerster heeft klaagster uiteindelijk alsnog doorverwezen naar een KNO-arts.

3.           De klacht

Klaagster verwijt verweerster – zakelijk weergegeven – dat zij op 28 maart 2011 niet

onmiddellijk bereid was om klaagster door te verwijzen naar een KNO-arts.

4.        Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Het College is van oordeel dat verweerster overeenkomstig de NHG-standaard ‘Acute keelpijn’ heeft gehandeld. Daarin staat dat een keelontsteking over het algemeen een gunstig natuurlijk beloop heeft met spontane genezing binnen zeven tot tien dagen, zodat bij de meeste patiënten kan worden volstaan met het geven van voorlichting in combinatie met adequate pijnstilling. Verwijzing voor tonsillectomie, het verwijderen van de keelamandelen door een KNO-arts, is te overwegen bij ten minste vijf ernstige keelontstekingen per jaar of bij ten minste drie ernstige keelontstekingen in elk van de afgelopen twee jaar. Uit het dossier blijkt niet dat daar in het geval van klaagster sprake van was, zodat verweerster klaagster op 28 maart 2008 niet hoefde door te verwijzen naar een KNO-arts. Dat kort nadien de keel amandelen van klaagster alsnog door een KNO-arts zijn verwijderd, maakt dit oordeel niet anders. Het College heeft geen aanwijzingen dat hier sprake is geweest van een beroepsfout. Verweerster treft dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt.

5.2       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk

ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 6 november 2018 door M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, H.C. Baak, E.P. van Heuzen en B. van Ramshorst, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.