ECLI:NL:TGZRAMS:2018:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/255
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-11-2018 |
| Datum publicatie: | 23-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018/255 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster dient een klacht in tegen de kinderarts van haar zoon. Klaagster verwijt de arts het delen van informatie zonder toestemming en het beëindigen van de zorgovereenkomst zonder gewichtige reden. Tevens verwijt zij de arts het doen van een Veilig Thuis-melding zonder haar op de hoogte te brengen. Ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 26 juni 2018 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
tegen
C,
kinderarts,
werkzaam te D en E,
v e r w e e r s t e r,
gemachtigde: mr. W.R. Kastelein, advocaat te Utrecht.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 15 oktober 2018 gehouden vooronderzoek;
- de brief van 19 oktober 2018 van (de gemachtigde van) van verweerster;
- de e-mails van 24 oktober 2018 van klaagster.
De klacht is in raadkamer behandeld.
2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klaagster is de moeder van F, geboren augustus 2008. Kort na zijn geboorte is F onder behandeling gekomen bij verweerster, die werkzaam is als kinderarts, wegens recidiverende luchtweginfecties en astma. Daarnaast is bij F sprake van gedrags- en leerproblematiek en lopen zijn groei en emotionele, cognitieve en motorische ontwikkeling achter.
2.2. In februari 2016 heeft verweerster F verwezen naar een kinderpsycholoog voor ontwikkelingsonderzoek vanwege toenemende problemen op school.
In 2016 heeft de school van F een melding bij Veilig Thuis (hierna: VT) gedaan; op 11 juli 2016 is F onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Klaagster oefent het ouderlijk gezag over F uit.
2.3. Medio augustus 2016 heeft verweerster – op verzoek van de toenmalige gezinsvoogd - een spoedverwijzing geschreven naar G, een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie.
2.4. Nadat verweerster – via klaagster – te weten is gekomen dat een intake niet bij G zou plaatsvinden, heeft zij op 26 augustus 2016 een medewerker van Samen Veilig (hierna: H) een e-mail gestuurd waarin verweerster haar zorgen heeft geuit. De inhoud van die e-mail houdt onder meer – voor zover hier van belang – het volgende in:
“ Geachte mevrouw [naam medewerker].
Afgelopen donderdag hadden wij telefonisch contact over F [achternaam F]. U deelde mij mee, dat na intern overleg bij Samen veilig, er is besloten dat F verwezen gaat worden naar een forensisch werkend psychiater en dat daarmee de door mij geformuleerde verwijzing naar G komt te vervallen. Als uitleg hierbij dat de verwijzing naar NIP noodzakelijk wordt geacht om de volledige informatie te verkrijgen waar de kinderrechter om vraagt.
Mijn verwijzing voor psychodiagnostisch onderzoek is een aanbod van mijn kant geweest in het belang van F, om het traject naar psychodiagnostisch onderzoek te bespoedigen en met u is van tevoren getoetst waar deze verwijzing aan moest voldoen. (…)
Blijkbaar is er nu een andere kijk vanuit Samen veilig op de situatie. (…)
Ik blijf mij zorgen maken over de situatie voor F. Deze gang van zaken zorgt wederom voor stagnatie in het proces. Om de medische zorg voor F te borgen, stuur ik u en mevrouw [naam klaagster] begin volgende week een aantal datum en tijd voorstellen om een afspraak voor F op de kinderpoli in te plannen. U kunt dit dan met de pleegouders kortsluiten.
(…).”
2.5. Op 14 september heeft de medewerker van H verweerster geïnformeerd dat de afspraken op de kinderpoli voorlopig niet konden doorgaan.
2.6. Op 12 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, verweerster en de (nieuwe) gezinsvoogd met als doel de medische en psychologische zorg voor F te organiseren en te waarborgen. Het medisch dossier vermeldt – voor zover hier van belang – hierover het volgende:
“12-05-2017| Consult
(…)
Op verzoek van de huisarts stuur ik jullie hierbij een kort verslagje van ons gesprek d.d. 12 mei 2017.
12 mei 2017 vindt er op verzoek van de kinderarts, die al jaren betrokken is bij het gezin, en huisarts een gesprek plaats met F en [I]. Zij willen graag een terugkoppeling van I en moeder over de stand van zaken ten aanzien van het proces rondom uithuisplaatsing en willen in gesprek over hoe de medische zorg die F nodig heeft geleverd kan worden. De kinderarts heeft grote zorgen over hoe het kan dat in het afgelopen jaar de medische zorg van F niet van de grond is gekomen. Zij heeft hiervoor een procesevaluatie gevraagd. Aan H (…).
(…)
We concluderen dat er drie soorten zorg nodig zijn op dit moment: de psychiatrische, de geneeskundige, de zorg van de huisarts. De kinderarts en de huisarts dringen er bij moeder en I op aan dat zij betrokken worden in het proces om zo goed mogelijk zorg voor F te organiseren. De kinderarts geeft daarbij aan de betrokkenheid van pleegmoeder zeer belangrijk te vinden, daar zij een belangrijke signaleringsfunctie heeft ten aanzien van de gezondheid (met name longproblemen) van F. Daarnaast komt ter tafel dat er tijdens een zitting in januari een mail van de kinderarts is gebruikt die de kinderarts niet herkent als zijnde van haar. Wel staat haar naam eronder. De kinderarts vraagt herhaaldelijk aan moeder of moeder weet hoe het kan dat deze mail in omloop is gekomen. Moeder geeft aan deze mail zelf te hebben ontvangen en er vanuit te zijn gegaan dat deze mail van de kinderarts afkomstig is. De kinderarts spreekt uit dat er wat haar betreft sprake is van een vertrouwensbreuk en dat zij wil nadenken over of zij zelf de begeleiding van F verder op zich zal nemen.
(…).
We maken gedurende het gesprek een aantal afspraken:
- de medische controles in het [naam ziekenhuis] ziekenhuis worden weer opgepakt. Deze vinden zo’n driemaal per jaar plaats. De eerstvolgende afspraak is nog voor de zomer. De poli van het [naam ziekenhuis] maakt een afspraak met moeder/I. Moeder en I zullen samen met F naar deze afspraak toe gaan. De I is verantwoordelijk voor de communicatie en overdracht van informatie over F naar pleegmoeder.
- de kinderarts denkt na over zij F verder kan en wil begeleiden of dat de zorg overgedragen zal worden aan een directe collega.
- De kinderarts wil graag dat de pleegmoeder naar de poli komt voor een gesprek omdat zij een belangrijke signaleringsfunctie heeft ten aanzien van de gezondheidsproblemen van F. I pakt dit op in gesprek met moeder/pleegmoeder.
- de kinderarts zal inhoudelijk betrokken worden bij het organiseren van de juiste psychiatrische hulp voor F, daar zij verantwoordelijk is voor de verwijzing hiervan. Hiervoor is het nodig dat de kinderarts (een deel van) de NIFP rapportage kan inzien. Moeder geeft aan hier geen toestemming voor te geven omdat zij het niet eens is met de inhoud van de rapportage en de conclusie/het advies van het NIFP. I gaat hierover in gesprek met moeder.
- de huisarts kan geen medische zorg aan F leveren. Het dossier moet overgedragen worden aan een nieuwe huisarts, ook als dit tijdelijk is. Moeder geeft aan hier geen toestemming voor te zullen geven. I gaat hierover opnieuw in gesprek met moeder.
(…)”
2.7. Op 29 mei 2017 heeft klaagster per brief aan verweerster haar toestemming tot het verstrekken van informatie nadrukkelijk ingetrokken.
2.8. Op 6 juli 2017 is klaagster met F– in afwijking van de op 12 mei 2017 gemaakte afspraken in - zonder de pleegmoeder van F op het spreekuur van verweerster verschenen.
2.9. Per brief van 17 augustus 2017 heeft verweerster de nieuw gemaakte afspraken aan klaagster en I bevestigd. De brief geeft, voor zover hier van belang, het volgende weer:
“ (…)
Voor alle duidelijkheid geef ik hieronder weer wat nu de afspraken hierover zijn en wat intern in [naam ziekenhuis] nog eens is gecommuniceerd met de betreffende poliklinieken.
Ten aanzien van planning afspraken:
Medische afspraken worden uitsluitend met moeder gemaakt/ingepland. Zij is verantwoordelijk voor afstemming met I (en daarmee met pleegouders).
Pleegouders of I kunnen niet zelf een afspraak met het ziekenhuis wijzigen, zonder instemming van moeder.
Ten aanzien van aanwezigheid bij een medische controle:
Arts bespreekt met moeder medisch inhoudelijke zaken. I mag aanwezig zijn bij een medische afspraak, tenzij moeder dit niet wenst. I heeft recht op informatie van de arts noodzakelijk in kader van de OTS.
Het is wenselijk dat een pleegouder aanwezig is bij een medische afspraak zodat de arts informatie kan uitwisselen met diegene die de dagelijkse zorg heeft voor het kind. Mw. [naam klaagster] heeft tot nu toe aangegeven dat zij niet wenst dat pleegouders aanwezig zijn bij een medische afspraak bij de kinderarts. Voor de kinderarts is het noodzakelijk dat er een vorm van overdracht informatie met de pleegouders rondom een consult kan zijn, eventueel telefonisch. Anders kan de arts de zorg voor het kind niet uitoefenen wat uiteraard niet in het belang van het kind is. Dit weegt zwaarder dan rechten en belang van de met gezag belaste ouders. Mw.[naam klaagster] is hiervan op de hoogte, en zo is een gehandeld rondom het consult van juli 2017.
(…)
Graag benadruk ik nogmaals het belang dat de zorg voor F voorop staat, en verwacht ik dat de komende twee weken er overeenstemming is bereikt voor een nieuwe afspraak in [naam ziekenhuis].
(…)”.
2.10. Per brief van 29 september 2017 heeft de Raad van Bestuur van het [naam ziekenhuis] de hiervoor onder 2.9. weergegeven afspraken ten aanzien van planning afspraken en ten aanzien van de aanwezigheid van I bij een medische afspraak nog eens bevestigd.
2.11. Per brief van 16 januari 2018 heeft de Raad van Bestuur van het ziekenhuis klaagster opnieuw een brief gestuurd. De inhoud van die brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“ Geachte mevrouw [naam klaagster],
(…)
De aanwezigheid van de gezinsvoogd en/of pleegouder(s) is nodig bij een afspraak, zodat de arts aan u als moeder en aan de gezinsvoogd en/of pleegouder(s) die informatie kan delen die nodig is in het kader het verrichten van goede zorg en van de uitvoering van de OTS. Aangezien [naam ziekenhuis] van mening is dat een afspraak bij de kinderarts in [naam ziekenhuis] alleen plaats kan vinden in aanwezigheid van iemand die voor het kind zorg
(…).“
2.12. Op 6 februari 2018 heeft verweerster F gezien op haar spreekuur. Het medisch dossier vermeldt hierover, voor zover van belang, het volgende:
“06-02-2018|consult
(…)
Verpleegkundige van nazorgpoli haalt F op voor wegen en meten. Moeder loopt mee en gezinsvoogd ook. Bij de meetkamer maakt moeder aan gezinsvoogd duidelijk dat zij buiten de deur moet wachten. De verpleegkundige ervaart dat de sfeer gespannen is. (…) Na het meten gaan allen terug naar de wachtkamer.
Ik geef allen daar een hand. Moeder en gezinsvoogd verzocht mee te komen naar de spreekkamer. F blijft bij pleegmoeder.
Gesprek met moeder en gezinsvoogd (zonder F): [naam gezinsvoogd].
Noodzakelijk voor goede medische zorg door kinderarts:
- veilige situatie voor F op de poli
- kinderarts kan zich volledig richten op de medische zorg voor F. Nazorg prematuriteit gaat over algehele zorg, medisch en psychosociaal .
- voor goed kunnen uitvoeren van deze medische zorg moet ik info omtrent de dagdagelijkse zorg kunnen uitwisselen. Wie geeft mij die? Moeder zegt dat zij die kan geven. Uitsluitend relevante info wordt met gezinsvoogd uitgewisseld wat belangrijk is voor het uitvoeren van de OTS. Dat kan ook na afloop van het consult.
(…)
We bespreken de volgende opties:
1. Of consult in spreekkamer met moeder, F en pleegmoeder. Gezinsvoogd geeft aan dan ook aanwezig te zijn in hoek van kamer. Gezinsvoogd geeft aan dat zij dit veilig inschat. Moeder geeft aan dat ze dit absoluut weigert, niet veilig voor F.
2. Of ik spreek moeder apart, zie F apart en informeer pleegmoeder apart zonodig.
Moeder kiest (met tegenzin) voor deze laatste optie.
Ik bespreek met moeder en gezinsvoogd de doelstellingen van dit consult:
(…)
Ik haal F op samen met moeder en breng hem naar de spreekkamer naast mij bij de fysiotherapeut. Moeder gaat daarna met mij mee naar mijn spreekkamer.
(…)
Overweging/differentiaal diagnose
(…)
- Bij het hele consult heb ik de veiligheid voor F voorop gesteld.
- Ter plekke ingeschat dat een gezamenlijk consult met moeder, F en gezinsvoogd/pleegmoeder echt niet veilig/gewenst was voor F. Moeder maakte een zeer gespannen onrustige indruk, en de sfeer tussen moeder en gezinsvoogd was gespannen.
(…)
- Info over dagdagelijkse zorg is niet optimaal verkregen
- Medische info is tijdens het consult uitsluitend met moeder gedeeld.
- Van te voren is juridisch getoetst welke informatie aan gezinsvoogd gedeeld kan worden. Moeder is hiervan op de hoogte.
(…)
- Ik heb zorg dat fysio en logo niet gestart gaat worden. Ik heb (mede met moeder) mijn zorg of de huidige ‘school”setting de juiste is, ben niet op de hoogte hoe keuze hiervoor tot stand is gekomen.
(…)
- Met moeder worden de bevindingen van fysio en logo onderzoek besproken door fysiotherapeut, logopediste en kinderarts.(…). Moeder uit dat zij het niet nodig vindt dat er fysio of logopedie wordt ingeschakeld. Weigert dat wij als nazorgteam deze zorg kunnen regelen met een fysiotherapeut in de buurt. Ze relateert alle bevindingen direct aan de situatie van de J.
- De indicatie fysiotherapie en aanbeveling logopedisch onderzoek/behandeling geef ik aan te willen delen met de gezinsvoogd. Het gaat over uitvoeren van deze zorg in praktische zin en dat valt in het kader van de informatieverstrekking binnen de OTS. Moeder reageert dat zij hier geen toestemming voor geeft.
(…)
- Nadien zoekt moeder mij in het ziekenhuis op weg naar het restaurant op waarbij de vervolgbehandeling bij mij en in [naam ziekenhuis] opzegt. In de feedback van moeder heb ik mij bedreigd gevoeld, uitvoerig gesprek was op deze manier niet mogelijk. (…).
2.12. Tussen verweerster en klaagster heeft op 7 maart 2018 een gesprek plaatsgevonden. Het medisch dossier vermeldt hierover, voor zover van belang, het volgende:
“ 07-03-2018|consult
Samenvatting beloop
Gespreksverslag met mw. [naam klaagster] dd 7-3-2018
Ik overhandig haar kopie van papieren oud dossier. (…). Het verslag van het consult op 6/2 heeft ze op print meegenomen en hier meerdere correcties op aangebracht, Dit leg ik voor nu even terzijde. Ook geeft ze mij de beschikking van de Rechtbank juni 2017.
Bij vorige consult liepen emoties hoog op. Hield mij ook nadien nog bezig.
(…)
Hebben we elkaar goed begrepen? Gaat mij er met name om dat de zorg voor F gewaarborgd blijft.
Mw zegt dat de zorg voor F niet doorgaat sinds de J.
(…)
Op 6 feb kreeg ik de indruk dat mw fysiotherapie en logopedie niet nodig vond en de zorg weigerde, of heb ik dat niet goed begrepen?
Mw geeft aan dat Jeugdzorg geen fysio wil. Ze wil niet dat fysio gestart wordt bij de pleegouders achter haar rug om en dat ze niet op de hoogte gehouden wordt. Zodra hij thuis is, waarschijnlijk al snel over een maand, krijgt hij het.
Ik geef aan dat er iedere keer onzekerheid is over hoe lang deze periode van J voortduurt en wat hierin besloten wordt. Maar dat staat los van de zorg die F nodig heeft. Ik geef dan aan dat deze zorg zo niet tot stand gaat komen in de huidige situatie van wantrouwen en gebrek aan samenwerking tussen moeder, gezinsvoogd en pleeggezin en dat is niet in het belang van F. Dit maakt de situatie onwerkbaar. Moeder beaamt dit ook.
Ik vind dat ik dit moet delen met de gezinsvoogd, om aan te geven dat er gezocht moet worden naar een werkbare constructie voor het borgen van zorg. We moeten met elkaar praten over de zorg voor F, ik wil dat iemand er op toezicht dat de zorg uitgevoerd kan worden.
Moeder geeft aan dat zij geen enkel gesprek met gezinsvoogd doet zonder advocaat erbij. [naam gezinsvoogd] (gezinsvoogd) is hiervan op de hoogte en ik waarschijnlijk ook (NB; ik ben hier niet van op de hoogte0. Het korte inleidende gesprek met mij samen met de gezinsvoogd op 6 feb. heeft ze als heel bedreigend ervaren. De gezinsvoogd is niet te vertrouwen en verdraait alles.
Ik weet niets van dit soort afspraken. Ik heb nogmaals benadrukt dat ik kort met beide heb ingeleid hoe we het medisch consult gingen doen. Geen medische info gedeeld daarbij. Dat tijdens dit gesprek de spanning en onwerkbare situatie overduidelijk werd. En dat ik zeker F niet wilde blootstellen aan een gesprek met moeder en gezinsvoogd erbij.
Mw haar advocaat heeft aangegeven dat er niets meer wordt gedeeld met de gezinsvoogd. In de beschikking van de rechtbank staat alleen onderzoek K en hechtingsonderzoek valt onder de OTS en de rest valt hier niet onder. Geen medische zaken, ook niet de zorgen over school/passend onderwijs. Al deze informatie wordt uitsluitend met haar gedeeld, en als Mw. het zinvol vindt speelt ze informatie door.
(…)
Bij het vorige consult gaf Mw aan dat ze behandelrelatie wil stopzetten met mij. Ze neemt het mij en het ziekenhuis kwalijk dat we de gezinsvoogd erbij betrekken. Feit de gezinsvoogd aanwezig was op de poli, mee ging met meten, wegen. In de spreekkamer samen met moeder voor gesprek. Bij de vraag of ze behandelrelatie wil stopzetten is haar antwoord dat dat afhangt van hoe ik omga met de gezinsvoogd. Ik ga uit van een situatie van samenwerken, en delen van info die bijdraagt aan voorkomen van bedreiging in de ontwikkeling van het kind. Moeder vindt dat ik niet in het belang van F handel als ik de gezinsvoogd erbij betrek. Ik zeg haar dat ik wel degelijk in het belang van F handel en de regels volg die er zijn voor de artsen in deze. Hiervan is ze op de hoogte via de mails van mij en de advocaat. Mw wil nu in ieder geval de behandelrelatie stop. Ik bied haar aan om te helpen een andere kinderarts te zoeken en te kunnen overdragen. Mw zegt hierop; zoekt zelf wel een andere kinderarts.
(…)
Met Mw besproken dat ik een melding doe bij VT over de huidige situatie die maakt dat zorg niet tot stand komt (fysiotherapie) en waarbij de continuiteit van zorg door een kinderarts niet geborgd is. Mw gaat eigenlijk hier in mee, wil dat ik de melding doe tegen jeugdzorg. Nee, dat is niet wat ik zeg, de huidige situatie (gebrek aan samenwerking tussen beiden partijen) is niet in het belang van F. Mw. zegt er is geen samenwerking tussen de partijen, door een verbod van jeugdzorg. Mw mag van jeugdzorg niet overleggen met de pleegmoeder. Mw wil inzage in de melding tegen VT. Dat kan. Ik ga de melding maken, laat mijn advocaat er eerst ook naar kijken.
(…)
Dan uit ze bedreigend dat als dit haar zaak ook maar enigszins schaadt, het hier nog niet mee afgelopen is. Wat bedoelt ze hier mee? Zeg ik; Dan zegt ze; Als dit mijn zaak schaadt, handel je niet in het belang van F. Ik antwoord; ik handel alleen maar in het belang van F, dat F zijn zorg krijgt.”
2.13. De aantekening in het medisch dossier van 13 maart vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“ 13-03-2018 | consult
Samenvatting Beloop
Voorgenomen melding bij Veilig Thuis obv
1) Zorg komt niet tot stand (oa fysiotherapie) (…)
2) Op verzoek van moeder behandelrelatie stop met mij als kinderarts en geen verdere afstemming mogelijk over vervanging (ondanks 2e gesprek hierover met moeder); continuïteit van zorg door een kinderarts is niet gewaarborgd
3) Er is nu geen ingang voor een open gesprek tussen alle betrokkenen over de zorg die F nodig heeft. Daarmee is het voor mij niet duidelijk hoe keuzes gemaakt worden tav passend onderwijs en verdere psychosociale behandeling van het kind.
Beleid
-Moeder is in het gesprek op 7 maart op de hoogte gebracht van mijn voornemen te melden bij VT.
- zij wil inzage in het meldformulier
- voornemen te melden bij VT intercollegiaal getoetst met collega [naam collega] op 7 maart
- VT gebeld 13/3 en opnieuw getoetst over melden (telefonisch vertrouwensarts [naam vertrouwensarts]
-meldformulier 15/3 opgestuurd naar VT
- Tevens meldformulier ter informatie gemaild naar mw. [naam klaagster]
- gezinsvoogd gebeld en gemaild 15/3 ter info melding VT.”
(…)”.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:
1. zonder toestemming van klaagster informatie met de gezinsvoogd heeft gedeeld die niet onder de OTS valt;
2. zonder gewichtige redenen de zorgovereenkomst heeft beëindigd;
3. een VT-melding heeft gedaan zonder klaagster te informeren van de inhoud en de reden waarom;
4. een VT-melding heeft gedaan zonder dat sprake is van acuut gevaar;
5. het weigeren van een AVG-verzoek tot zonder overleg blijven delen van informatie;
6. een onzorgvuldige VT-melding heeft gedaan.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Bij de beantwoording van de vraag of verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij heeft te betrachten ten opzichte van klaagster – en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld – stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste tuchtrechtspraak gaat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen van een arts niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het gestelde klachtwaardig handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard.
Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel
5.2. Het eerste klachtonderdeel houdt in dat verweerster zonder toestemming van klaagster informatie met de gezinsvoogd heeft gedeeld die niet onder de OTS valt. Volgens klaagster is vanaf januari 2018 het contact met verweerster verslechterd. Zij ontving toen een brief van de L met de mededeling dat de aanwezigheid van de gezinsvoogd en/of pleegouder(s) bij een afspraak met verweerster noodzakelijk is. Klaagster heeft ouderlijk gezag over haar zoon en neemt dan ook de beslissingen ten aanzien van haar zoon, niet de gezinsvoogd. Verweerster heeft aangegeven het standpunt van klaagster dat er tot januari 2018 geen problemen waren niet te onderschrijven en dat het vanaf de uithuisplaatsing van F (in april 2016) niet meer mogelijk was medische controles met hem in te plannen. Ook vóór januari 2018 heeft verweerster aangegeven meer informatie nodig te hebben om haar medische verantwoordelijkheid voor F goed uit te kunnen oefenen. Hoewel de pleegouder(s) en/of de gezinsvoogd nooit aanwezig zijn geweest bij consult, hebben er voor of erna wel gesprekken plaatsgevonden waarbij de pleegouder(s) en/of gezinsvoogd aanwezig waren. De pleegmoeder heeft een belangrijke signaleringsfunctie vanuit de dagdagelijkse zorg voor F. Zij heeft altijd het ouderlijk gezag van klaagster gerespecteerd, aldus verweerster.
5.3. Informatieverstrekking aan de gezinsvoogd ingevolge artikel 7.3.11. lid 4 Jeugdwet omvat een meldplicht (indien de arts wordt bevraagd door de jeugdbeschermer/gezinsvoogd in het kader van een OTS) en een meldrecht (informatieverstrekking uit eigen beweging van de arts aan een jeugdbeschermer/gezinsvoogd). Ingevolge artikel 8 van de Meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld (hierna: de Meldcode) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunde (hierna: KNM) mag informatie aan de gezinsvoogd worden verstrekt om een vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken of kindermishandeling te stoppen. Het afhouden van het kind van de nodige medische zorg door de gezagdragende ouder(s) valt onder het ruim te interpreteren begrip ‘kindermishandeling’ (artikel 1.1. Jeugdwet en ook artikel 1.1.1. Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015). Met het oog op het behoud van de vertrouwensrelatie met de ouder(s) heeft toestemming echter de voorkeur en het uitgangspunt blijft dan ook dat de meldende zorgverlener de ouder(s) zoveel mogelijk bij de informatieverstrekking betrekt.
5.4. Uit het door verweerster overgelegde medisch dossier blijkt dat klaagster op 29 mei 2017 haar toestemming voor gegevensuitwisseling door verweerster met de gezinsvoogd heeft ingetrokken. Ook na 29 mei 2017 heeft verweerster nog meerdere keren contact gehad met de gezinsvoogd. Uit de aantekening in het medisch dossier op 8 juni 2017 blijkt dat klaagster (telefonisch) heeft ingestemd dat verweerster telefonisch zou overleggen met de gezinsvoogd over doorverwijzing van F naar kinderpsychiatrie; op 20 juni 2017 heeft verweerster (in ieder geval) e-mailcontact gehad met de gezinsvoogd over het plannen van een afspraak, uit de notitie in het medisch dossier op 28 juni 2017 blijkt dat verweerster de week voorafgaand aan die datum telefonisch contact heeft gehad met de gezinsvoogd met betrekking tot de (gang van zaken bij de) intake bij de kinderpsychiatrie en uit de notitie in het medisch dossier op 14 juli 2017 blijkt dat verweerster telefonisch contact heeft gehad met de gezinsvoogd over het inplannen van een extra afspraak voor F. Op 6 februari 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerster, klaagster en de gezinsvoogd over de wijze waarop het daarna te houden medisch consult zou worden vormgegeven. Bij voormelde contacten tussen verweerster en de gezinsvoogd is klaagster steeds betrokken geweest dan wel hierover geïnformeerd. Uit de door verweerster gemaakte aantekening in het medisch dossier op 7 maart2018 blijkt dat klaagster opnieuw bezwaar maakt tegen delen van informatie met de gezinsvoogd.
5.5. Het is het college niet gebleken dat verweerster zonder toestemming van klaagster informatie heeft gedeeld die niet onder de OTS zou vallen. Het standpunt van klaagster dat enkel het psychiatrisch onderzoek en het hechtingsonderzoek bij F onder de OTS zou vallen deelt het standpunt niet. Klaagster is telkenmale wanneer contact tussen verweerster en de gezinsvoogd zou plaatsvinden hierover geïnformeerd en door verweerster is daarvan aantekening gemaakt in het medisch dossier. Het medisch dossier geeft blijk van de zorgen die verweerster had over (het niet op gang komen van) medische zorg aan F, waardoor een risico bestond voor een gezonde ontwikkeling van F. Naar het oordeel van het college was verweerster niet alleen bevoegd maar ook verplicht informatie te verstrekken aan de gezinsvoogd (overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet). De conclusie van het voorgaande is dat het eerste klachtonderdeel wordt afgewezen.
Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel
5.6. Klaagster stelt dat verweerster zonder gewichtige redenen de behandelingsovereenkomst heeft stop gezet. Volgens verweerster heeft zij niet de behandelovereenkomst eenzijdig met onmiddellijke ingang opgezegd, maar heeft klaagster het vertrouwen in haar en in het ziekenhuis opgezegd, zodat het voor haar niet (meer) mogelijk was adequate zorg aan F te verlenen. De behandelovereenkomst is door verweerster nooit beëindigd. Klaagster erkent dat zij het vertrouwen in verweerster heeft opgezegd, maar stelt dat dat niet betekent dat zij de behandelovereenkomst heeft opgezegd. Voorts betwist klaagster dat wat in het medisch dossier onder de aantekeningen van 6 februari 2018 en 7 maart 2018 hierover door verweerster is genoteerd, juist is.
5. 7. Met verweerster deelt het college het standpunt dat het in het kader van adequate zorg zonder wederzijds vertrouwen niet mogelijk is om de kindergeneeskundige zorg door verweerster uit te laten voeren. Bovendien is het college van oordeel dat uit de aantekeningen in het medische dossier van 6 februari 2018 en 7 maart 2018 blijkt dat klaagster niet alleen het vertrouwen in verweerster heeft opgezegd, maar wel degelijk – anders dan zij ter gelegenheid van het mondeling vooronderzoek heeft gesteld - ook de behandelrelatie met verweerster heeft opgezegd. Het is het college niet aannemelijk geworden dat wat in het patiëntendossier staat vermeld een onjuiste weergave is van hetgeen tussen klaagster en verweerster is besproken. Voorts blijkt uit de e-mail van 3 juli 2018 van verweerster aan de gezinsvoogd dat zij nog steeds bereid was tot betrokkenheid bij F, meer specifiek bestaande uit het schrijven van verwijzingen mits klaagster daarmee instemde. Het klachtonderdeel dat verweerster eenzijdig de zorgovereenkomst (de behandelovereenkomst) heeft opgezegd, is dan ook niet gegrond.
Ten aanzien van het derde klachtonderdeel
5.8. Het derde klachtonderdeel houdt in dat verweerster een VT melding heeft gedaan zonder klaagster te informeren over de inhoud en de reden waarom.
5.9. Uit de aantekening in het medisch dossier op 7 maart 2018 kan het college aflezen dat verweerster met klaagster heeft besproken voornemens te zijn een melding bij VT te zullen doen ‘over de huidige situatie die maakt dat zorg niet stand komt (fysiotherapie) en waarbij de continuïteit van zorg door een kinderarts niet geborgd is”. Daarmee heeft verweerster feitelijk ook de inhoud van de melding besproken. Klachtonderdeel 3 mist dan ook feitelijke grondslag en wordt om die reden afgewezen.
Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel
5.10. Dit lot treft ook het vierde klachtonderdeel, dat inhoudt dat verweerster zonder dat sprake is van acuut gevaar een VT melding heeft gedaan.
5.11. Het college onderschrijft niet het standpunt van klaagster dat voor (de rechtmatigheid van) een melding aan VT acuut gevaar een vereiste is. Klachtonderdeel 4 wordt afgewezen.
Ten aanzien van het vijfde klachtonderdeel
5.12. Het vijfde klachtonderdeel behelst dat verweerster klaagsters intrekking van haar toestemming tot het verwerken van persoonsgegevens op grond van artikel 7 AVG heeft genegeerd en zonder overleg toch informatie is blijven delen. Bij e-mail van 16 juni 2018 heeft klaagster haar toestemming ingetrokken, maar uit een e-mail van 3 juli 2018 van verweerster aan de gezinsvoogd blijkt dat verweerster achter klaagsters rug om informatie over haar verspreid, aldus klaagster. Verweerster stelt daarentegen dat de inhoud van de-mail van 3 juli 2018 al bekend was bij klaagster omdat dit met haar is besproken aan het einde van het consult op 6 februari 2018 en tijdens het gesprek op 7 maart 2018. De inhoud van de e-mail is tevens onderdeel van de melding van VT, aldus verweerster.
5.13. Het verwerken van gezondheidsgegevens in de zin van artikel 9 lid 1 AVG is verboden, tenzij de verwerker (hier: verweerster) zich niet alleen kan beroepen op één van de voorwaarden genoemd in artikel 9 lid 2 AVG, maar ook een verwerkingsgrond zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 AVG. Anders dan klaagster van oordeel is, is toestemming (zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 sub a in samenhang met artikel 6 lid 1 sub a AVG) niet de enige rechtsgrond tot het verwerken van gezondheidsgegevens. Het college onderschrijft het standpunt van verweerster dat rechtmatigheid van de verwerking van de gezondheidsgegevens van F voort vloeit uit artikel 9 lid 2 sub h en/of sub i in samenhang met artikel 6 lid 1 sub A AVG. Zoals eerder besproken onder 5.3. van deze beslissing, is het verweerster op grond van het bepaalde in artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet toegestaan informatie in het belang van een OTS te delen met de gezinsvoogd zonder toestemming van klaagster. Klachtonderdeel 5 is dan ook ongegrond.
Ten aanzien van het zesde klachtonderdeel
5.14. In het zesde klachtonderdeel stelt klaagster aan de orde dat de melding bij VT onzorgvuldig zou zijn opgesteld. De VT melding is onzorgvuldig geweest, omdat de inhoud niet klopt, aldus klaagster. Verweerster stelt daarentegen dat zij een VT melding heeft gedaan om de behandelimpasse tussen klaagster, de gezinsvoogd en de pleegouder te doorbreken en om de medische zorg te kunnen herstellen.
5.15. De Meldcode van de KNMG helpt artsen met het maken van afwegingen met betrekking tot het verstreken van informatie aan derden, zoals een gezinsvoogd, zodat minderjarigen beter worden geholpen en beschermd. Het uitgangspunt in de Meldcode is dat de arts de ouder(s) zo mogelijk van tevoren informeert. In de Meldcode is een stappenplan opgesteld dat beschrijft welke stappen een arts kan of moet zetten als signalen van kindermishandeling krijgt. Iedere arts wordt geacht bij (een vermoeden van) kindermishandeling dit stappenplan toe te passen. De te nemen stappen zijn:
1. Onderzoek en kindcheck bij ouder signalen
2. Advies VT (AMK) en bij voorkeur collega
3. zo mogelijk gesprek betrokkenen
4. zo nodig overleg betrokken professionals
5a. monitoren van hulp. Zo nodig alsnog melden bij VT. Aangezien de door verweerster gedane melding bij VT gedaan is vóór 1 juli 2018, geldt nog dat voordat de arts kan melden moet worden onderzocht of zelf hulp kan worden geboden of georganiseerd.
5b. Reële kans op schade? Zo spoedig mogelijk melden bij VT.
Ad stap 1
5.16. Vaststaat dat verweerster F geruime tijd kent (van vlak na zijn geboorte) en zorgen heeft over de zorgverlening aan F. Naar het oordeel van het college blijkt uit het medisch dossier dat behandelingen niet worden doorgezet, moeder niet coöperatief is en verweerster telkenmale het initiatief heeft genomen om tot elkaar te komen en communicatie mogelijk te blijven maken. Verweerster heeft daarvan steeds aantekening gemaakt in het medisch dossier van F. Deze stap is zorgvuldig geweest.
Ad stap 2
5. 17. Uit de aantekening in het medisch dossier op 13 maart 2018 blijk verweerster (wederom) advies heeft gevraagd aan een vertrouwensarts, werkzaam bij VT. Daarnaast blijkt uit de aantekening in het medisch dossier van 7 maart 2018 dat verweerster haar voornemen te melden bij VT intercollegiaal heeft getoetst met een collega. Ook deze stap is zorgvuldig geweest.
Ad stap 3
5.18. Verweerster heeft in het medisch dossier aantekening gemaakt van verschillende met klaagster gevoerde gesprekken, onder andere met betrekking tot verweersters zorgen om F (zie bijvoorbeeld de aantekeningen in het medisch dossier op 1 juni 2017, 8 juni 2017, 3 oktober 2017) en met betrekking tot haar voornemen een melding bij VT te doen (zie de aantekeningen in het medisch dossier van 6 februari 2018 en 7 maart 2018). Naar het oordeel van het college heeft verweerster daarmee haar openheid getoond, klaagster voldoende ruimte geboden om haar standpunt met betrekking tot de zorgen over F toe te lichten en zorgvuldig gehandeld.
Ad stap 4
5. 19. Uit de aantekeningen in het medisch dossier op 6 februari 2018 en 7 maart 2018 blijkt dat verweerster respectievelijk advies heeft gevraagd aan een vertrouwensarts bij VT en haar voornemen tot het doen van een melding bij VT intercollegiaal heeft besproken. Deze stap is zorgvuldig geweest.
Ad stap 5a
5. 20. Naar het oordeel van het college blijkt uit het medisch dossier dat klaagster de door verweerster noodzakelijke geachte en ook aangeboden hulp, al dan niet bestaande in de vorm van een verwijzing naar fysiotherapie en logopedie, niet in voldoende mate heeft omarmd. Vaststaat dat verweerster meerdere keren heeft aangegeven op die manier geen adequate zorg voor F te kunnen bieden en zich zorgen te blijven maken over de consequenties daarvan voor zijn gezondheid.
Ad stap 5b
5.21. Door het niet in voldoende mate omarmen van klaagster van de geboden hulp en de daardoor voortdurende zorg over de consequenties daarvan voor de gezondheid van F, lag het op de weg van verweerster een VT melding te doen. Naar het oordeel van het college heeft verweerster haar melding zorgvuldig onderbouwd en ook – blijkens de aantekening in het medisch dossier op 7 maart 2018 – met haar gecommuniceerd. Ook deze laatste twee stappen zijn zorgvuldig geweest.
5.22. Naar het oordeel van het college heeft verweerster op zorgvuldige wijze het stappenplan doorlopen en kan haar daarvan geen tuchtrechtelijke verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel 6 faalt derhalve.
5. 23. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
5.24. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het college wijst de klacht (in al haar onderdelen) af.
Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG
aan de tijdschriften Medisch Contact en Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter bekendmaking zal worden aangeboden
Aldus beslist op 23 november 2018 door:
P.J. van Eekeren, voorzitter,
E. van Pinxteren-Nagler en A.S.M. Kraak, leden-arts,
bijgestaan door A. Kerstens, secretaris.
WG WG
secretaris voorzitter