ECLI:NL:TGZRAMS:2018:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/248

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:135
Datum uitspraak: 23-11-2018
Datum publicatie: 23-11-2018
Zaaknummer(s): 2018/248
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klagers (vader en moeder van een minderjarige dochter) dienen een klacht in tegen een vertrouwensarts van Veilig Thuis, onder andere inhoudende dat de vertrouwensarts onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld door het stempel van PCF op de moeder te plakken zonder de medische achtergrond van de dochter van klagers in acht te nemen. Ongegrond.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 22 juni 2018 binnengekomen klacht van:

A,

k l a a g s t e r,

en

B,

k l a g e r,

beiden wonende te C,

hierna samen te noemen: k l a g e r s,

gemachtigde: mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht,

tegen

D ,

arts,

werkzaam te E,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift met de bijlagen;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      de brief van 8 oktober 2018 van (de gemachtigde van) klagers met als bijlage een USB-stick met geluidsopnames van twee gesprekken tussen (o.a.) klaagster en verweerster.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is op 23 oktober 2018 op een openbare zitting behandeld.

Klaagster en verweerster waren aanwezig; klager was zonder bericht van verhindering afwezig. Klaagster werd bijgestaan door mr. Osinga voornoemd en verweerster werd bijgestaan door mr. De Jong voornoemd.

2.         De feiten

2.1       Klagers zijn de ouders van F, ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen in 2012, 13 jaar oud.

2.2.      Verweerster is werkzaam als vertrouwensarts bij Veilig Thuis (hierna: VT) te E.

2.3.      Op 5 juli 2016 heeft VT een melding ontvangen die ging over F en die afkomstig was van twee medewerkers van het Sociaal Team te C en van de huisartsen van het gezin van klagers. De reden van de melding, opgenomen in het formulier ‘Melding bij Veilig Thuis X  (hierna: meldingsformulier VT) onder 8, luidt als volgt:

“Dit gezin is al jaren bekend bij verschillende hulpverleningsinstanties. Sinds halverwege het schooljaar zijn wij vanuit het Sociaal Team C betrokken. Deze betrokkenheid is ingeroepen via jeugdarts en moeder zelf. Moeder gaf aan dat F gepest werd op school en dat het niet goed met haar ging. Ze dreigde F van school te halen. De mentor van F, de gymlerares, zou zich niet om F bekommerd hebben terwijl ze in haar les een voetbreuk had opgelopen. Omdat F op 3 verschillende basisscholen heeft gezeten hebben we met elkaar al het mogelijke eraan gedaan om F op de G te houden. De zorgcoördinator van F is betrokken, F heeft een persoonlijk begeleider toegewezen gekregen en het pestprotocol is in gebruik genomen. Door het jaar heen ging het op school steeds beter met F. Buiten school gaf moeder echter aan dat het helemaal niet goed ging met F, de breuk in haar voet zou niet goed helen en er zou sprake zijn van botoedeem. F is met deze voet bij verschillende specialisten geweest (oa AnnaTommie en Pijnpoli) en gaat inmiddels naar een arts in H voor de pijnklachten in deze voet. Ze slikt voor de pijnklachten momenteel: tramadol, antidepressiva (tegen chronische pijn), ibuprofen, diclofenac en paracetamol. Dit is allemaal door verschillende artsen voorgeschreven, of volgens moeder op advies bij de apotheek gehaald.

F gaat momenteel niet naar school. Bij de huisarts heeft ze aangegeven dat dit komt omdat F momenteel wordt gepest en om er een conflict met haar mentor is. Bij school en het Sociaal Team heeft moeder aangegeven dat F niet naar school gaat vanwege de pijnklachten en de bijwerkingen van de tramadol (ze is versuft en kan zo geen toetsen maken). De huisarts heeft dit laatste bevestigd aan de jeugdarts (van de tramadol raakt ze inderdaad versuft en is het lastig zich te concentreren).

In de meivakantie is de familie op vakantie geweest naar I. Volgens moeder zijn zowel zijzelf als F in levensgevaar geweest. Moeder geeft aan dat ze een hartinfarct heeft gehad (dit is nog in NL voorgevallen) en dat F een cellulitis infectie heeft opgelopen. F is een paar dagen in het ziekenhuis in I opgenomen geweest en heeft daar volgens moeder een bijna doodervaring gehad. Hiervoor is ze momenteel onder behandeling van een psycholoog (bij de huisartsenpraktijk).

Na de meivakantie hebben we een MDO op de G gehad. F ging naar school en, ondanks de pijnklachten die moeder beschrijft (F loopt op krukken of zit in een rolstoel), geeft F aan dat het momenteel goed gaat op school. We sluiten dit overleg op dat moment positief af. F wordt niet meer gepest, haar resultaten zijn goed en de zorg rondom haar visuele beperking zijn goed geregeld. We spreken af elkaar na de zomervakantie weer te treffen.

Na 1,5 week blijkt echter dat het niet goed gaat in het gezin. Dit heeft ze niet bij ons laten weten, maar we komen hierachter als moeder met het WMO loket belt. Via een omweg doet ze haar verhaal bij een collega van het Sociaal Team, die haar weer naar ons verwijst. F blijkt momenteel heel veel pijn te hebben en gaat niet naar school. Daarnaast vertelt moeder dat er een conflict op school heeft plaatsgevonden. Moeder heeft hierop haar advocaat ingeschakeld en is naar de schoolinspectie gestapt. Ze heeft een klacht ingediend tegen de mentor van F. Ik heb haar daarop teruggegeven dat ik dit een pittige stap vind, en laat haar weten dat het me verbaasd dat ze ons niet op de hoogte heeft gebracht van de verslechterde situatie. Hierop wordt moeder ontzettend boos en schreeuwt dat ik haar hiermee ontzettend pijn doe (het voelt alsof ze brandwonden heeft en hier heb ik heet water over gegooid), ze vindt dat ik, door deze opmerking te maken, haar niet serieus neem.

Aanvullende informatie huisarts:

De zorgen van de huisarts liggen vooral op het vlak van de overmatig heftige lichamelijke klachten zonder organisch substraat, veelvuldig wisselen van medisch specialisten op verzoek van moeder, de emotionele overbelasting van moeder, cumulatie van zorgen over het gezin en het feit dat de huisarts geen duidelijk regie kan krijgen over het proces. “

2.4.      In het meldingsformulier VT wordt onder de vraag ‘Sinds wanneer heeft u de zorgen en wat is de reden dat u nu meldt?’ het volgende weergegeven:

“Afgelopen jaar hebben we in de situatie van F verbetering gezien. Voornamelijk op school, waar de gesprekken meestal plaatsvonden. F voelt zich goed in de klas, het pesten is voorbij en ze stapt komend jaar over naar een klas waar ze zich nog prettiger voelt.

Moeder blijft echter aangeven dat het niet goed gaat met F, ze heeft chronische pijnklachten en een bijna doodervaring gehad in I. Hierdoor zijn er (al zeer geruime tijd) heel veel verschillende hulpverleners en specialisten betrokken. We hebben hierop niet voldoende overzicht. Daarnaast slikt F op dit moment 5 verschillende soorten pijnmedicatie en gaat zij niet naar school. Dit is voor ons een reden om nu te melden.”

2.5.      In het meldingsformulier VT wordt onder de vraag ‘Wat bemoeilijkt de situatie om tot een verbetering te komen?” het volgende weergegeven:

“ (…)

-        De moeder van F is overbelast, er lijkt sprake van psychiatrische problematiek.

-                 De vader van F is niet in beeld. Hij blijkt wel bij hen thuis te wonen, maar heeft geen aandeel in de opvoeding.

-                 Ook na doorvragen hebben we geen goed beeld van vader en wat hij wel/niet in deze situatie kan betekenen. Wij hebben hem nooit ontmoet en hebben geen gegevens van hem.

-                 F en haar moeder zijn volgens moeder ‘door ketenen’ aan elkaar verbonden. Ze zijn veel samen en slapen bijvoorbeeld [in] hetzelfde bed.

-                 Moeder ‘shopt’, Hierdoor zijn er al jarenlang veel verschillende hulpverleners betrokken, en is er een beperkt zicht op de opvoedsituatie van F en broer en zussen.

-                 Door de hoeveelheid van hulpverlening is er geen overzicht, moeder is niet consequent in het delen van informatie, waardoor niet altijd duidelijk is hoe het nu met F.”

2.6. Uit de beantwoording van vraag 9 ‘Bespreking van de melding” in het meldingsformulier VT blijkt dat de melding met klaagster, de moeder van F, is besproken.

2.7.      Naar aanleiding van voornoemde melding is er een onderzoek gestart door VT.  Verweerster is als vertrouwensarts bij het onderzoek betrokken geweest en heeft als penhouder en dossierverantwoordelijke gefungeerd.

2.8.      In het kader van het onderzoek heeft tussen VT en klagers een gesprek plaatsgevonden op 22 augustus 2016. Vervolgens heeft VT nog telefonisch met klaagster en klager, ieder afzonderlijk, gesproken en overleg gehad met verschillende behandelaren en beroepskrachten van F.

2.9.      Op 11 oktober 2016 heeft verweerster de op basis van het verrichte onderzoek opgestelde adviezen met klagers besproken.

2.10.    Naar aanleiding van het door VT ingestelde onderzoek is een rapport opgesteld, gedateerd 26 oktober 2018 (hierna: het rapport).

2.11.    In dit rapport is het volgende – voor zover hier relevant – weergegeven:

3.2. Conclusie en voorwaarden Veilig Thuis

Is er sprake van kindermishandeling en/of huiselijk geweld en zo ja, in welke vorm?

Het betreft een gezin waarover al jarenlang bij diverse instanties zorgen zijn o.a. vanwege de chronische overbelasting van moeder. De zorgen van de melders (huisarts en sociaal team) worden door dit onderzoek bevestigd. Alle gezinsleden hebben een psychiatrische diagnose. Moeder heeft een somatisatiestoornis, dissociatiestoornis en borderline persoonlijkheidsstoornis. J reactieve hechtingsstoornis in 2006 K deed suïcidepoging als 7 jarige jongen, ADD, hij had een laag zelfbeeld en een slechte relatie met ouders F is geparentificeerd, heeft jarenlange pijnklachten door stress, en zij heeft lang last gehad na een verstuiking van haar voet in januari 2016. (de pijnpoli spreekt van centrale pijn) L heeft ADHD, advies is medicatie en intensieve psychiatrische gezinsondersteuning 2013, dit advies is niet opgevolgd. Zij nu geen hulp uit de GGZ. We zien dat F een symbiotische relatie heeft met moeder. F slaapt bij moeder sinds januari 2016 omdat ze angstig zou zijn. Het lijkt erop dat F nu ook een somatisatiestoornis heeft ontwikkeld waarbij zij o.a. op school een bijzondere positie heeft gekregen. De herhaalde adviezen uit het verleden van diverse GGZ instellingen om o.a. intensieve psychiatrische gezinszorg op te starten zijn niet opgevolgd. Veilig Thuis noemt dit pedagogische verwaarlozing. Daarnaast lijkt F geparentificeerd, zij slaapt bij moeder in bed en maakt zich overmatig zorgen over de gezondheid van moeder. F heeft schoolverzuim gehad op basis van klachten waar ze wel mee naar school had gekund. Dat alles valt onder pedagogische verwaarlozing., Daarnaast is er een patroon zichtbaar, waarbij moeder bestaande diagnoses verergert, en diagnoses verzint (bijna doodervaring bij F), coeliakie bij L, reuma en hartinfarct en fibromyalgie en syndroom van Tietze bij zichzelf, Asperger bij vader). Daarbij komt dat moeder diverse artsen en hulpverleners (o.a. van school en sociaal team) diskwalificeert, en met de klachten van F en van zichzelf, steeds andere artsen en ziekenhuizen bezoekt. Deze elementen ziet men ook bij Pediatric Condition Falsification, een vorm van kindermishandeling waarbij ouders klachten verzinnen, verergeren of induceren. PCF is een onderdeel van het Munchausen bij proxy. Om vast te stellen of hier sprake van is zal moeder zich moeten laten onderzoeken in de GGZ.

(…)”

2.12.    Op 1 november 2016 heeft verweerster opnieuw met klaagster gesproken. Bij dat gesprek waren ook aanwezig een (meerderjarige) dochter van klaagster, een medewerkster van M en medewerkers van het Sociaal Team C.  

3.         De klacht en het standpunt van klagers

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

1.    een onzorgvuldige en onprofessionele rapportage heeft opgesteld en daarbij buiten de grenzen van haar deskundigheid is getreden. Met betrekking tot de inhoud van het rapport luidt de klacht meer in het bijzonder dat verweerster ten onrechte stelt dat bij F sprake is van pedagogische verwaarlozing en parentificatie, en zij het stempel “PCF” op moeder (klaagster) heeft geplakt;

2.    zich onheus, onzorgvuldig en buiten de grenzen van haar deskundigheid heeft opgesteld tijdens de gesprekken van 11 oktober 2016 en 1 november 2016 (met o.a. klaagster). Met betrekking tot de inhoud van deze gesprekken luidt de klacht meer specifiek dat verweerster:

a.     de medische onderzoeken die verricht zijn naar de voetproblemen van F heeft genegeerd;

b.    gesteld heeft dat F geen krukken meer moest gebruiken;

c.     de pijnklachten in de voet en de hoofdpijnklachten heeft omschreven als uitingen van spanning en zorgen van F;

d.    zonder dat daar onderzoek naar is gedaan, heeft geadviseerd dat F weer naar school gaat fietsen;

e.    gesteld heeft dat het PGB door klagers oneigenlijk gebruikt werd en daarmee klagers feitelijk weg gezet heeft als profiteurs/fraudeurs;

3.    zich ten opzichte van klaagster onheus en onprofessioneel heeft gedragen tijdens – zoals ter zitting nader gespecificeerd is door de raadsman van klagers – het gesprek van 11 oktober 2016.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor

zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de klachten te komen, overweegt het college het volgende. Door klagers zijn van de op 11 oktober 2016 en 1 november 2016 gehouden gesprekken heimelijk geluidsopnames gemaakt. Van die gesprekken hebben zij transcripties gemaakt en als productie aan het college overgelegd. Verweerster heeft bij verweerschrift aangegeven dat zij vanwege het ontbreken van de geluidsopnames niet kan nagaan of deze transcripties juist zijn, maar dat zij in haar verdere reactie op het klaagschrift uitgaat van de juistheid daarvan. Vervolgens hebben klagers de desbetreffende geluidsopnames overgelegd, die door het college zijn toegevoegd aan het procesdossier. Ter zitting heeft verweerster de juistheid van de transcripties niet (alsnog) betwist, zodat ook het college daarvan uitgaat.

5.2.      Het college stelt bij de beoordeling voorop dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of verweerster is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel

5.3.      Wat betreft de beoordeling van de (mede) door verweerster opgestelde rapportage geldt de volgende maatstaf. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg dient een dergelijk rapport aan de volgende criteria te voldoen:

1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst daarbij ten volle of het onderzoek uit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of verweerster in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.

Naar het college begrijpt, ziet dit klachtonderdeel op (elementen uit) de conclusie van het rapport (zie 2.10. en 2.11.).

5.4.      Ten aanzien van de in de conclusie van het rapport genoemde ‘pedagogische verwaarlozing’ overweegt het college als volgt. Uit het door verweerster ter zitting aangevoerde en uit het aan het rapport ten grondslag liggende onderzoek blijkt dat reeds in 2013 is geadviseerd psychiatrische gezinstherapie te starten, maar dat daar nooit gevolg aan is gegeven. De behoefte hieraan bleef aldus chronisch onbeantwoord. Ook noemt verweerster een aantal signalen (bij moeder in bed slapen, zich overmatig zorgen maken over de gezondheid van moeder, schoolverzuim op basis van klachten waarvoor dit verzuim niet noodzakelijk was). In het licht van voorgaande kon verweerster naar het oordeel van het college in redelijkheid komen tot de conclusie dat sprake is van ‘pedagogische verwaarlozing’.

5.5.      Wat betreft de in de conclusie van het rapport genoemde ‘parentificatie’ stelt het college vast dat in de conclusie eerst staat vermeld: ‘F is geparentificeerd’. Verderop in de conclusie staat: ‘Daarnaast lijkt F geparentificeerd, zij slaapt bij moeder in bed en maakt zich overmatig zorgen over de gezondheid van moeder.’ Gezien deze nuancering (‘lijkt’) en de onderbouwing daarvan die volgt uit het onderliggend onderzoek, interpreteert het college – hoewel de formulering niet eenduidig is en nauwgezetter had gekund – de kwalificatie ‘parentificatie’ niet als een diagnose, maar als een samenvatting van die elementen van de pedagogische verwaarlozing die verwijzen naar signalen waaruit blijkt dat F zich, anders dan bij haar leeftijd en ontwikkelingsniveau verwacht mag worden, verantwoordelijk voelt voor het welzijn van haar moeder.

5.6.      Wat betreft de in de conclusie van het rapport vermelde ‘elementen die men ook ziet bij PCF’, is het college met verweerster van oordeel dat hiermee geen stempel op klaagster wordt gedrukt, maar dat het hier uitsluitend een differentiaal diagnostische overweging betreft. In de rapportage wordt aangegeven dat om vast te stellen of hiervan sprake is, moeder zich moet laten onderzoeken in de GGZ. Kortom, een diagnose is hiermee niet gegeven; daarvoor is nader onderzoek nodig, aldus het rapport. Daarbij komt dat deze overweging onderbouwd wordt met medische feiten en waarnemingen die voortvloeien uit het onderzoek dat aan het rapport ten grondslag ligt en dat met name de blijkende overmatige heftige lichamelijke klachten (voet) bij F zonder organisch substraat een belangrijke beweegreden is geweest voor de melding bij VT.

5.7.      Ten aanzien van de hiervoor gekenmerkte differentiaal diagnostische overwegingen overweegt het college bovendien het volgende. Verweerster moet, als geregistreerd vertrouwensarts bij VT, bevoegd en bekwaam worden geacht tot het toepassen van diagnostiek met betrekking tot de persoonlijkheid en individuele problematiek van kinderen en hun ouders in de vorm van differentiaal diagnostische overwegingen. Bovendien heeft verweerster – zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht – vooraf haar bevindingen in een multidiscipFir overleg met meerdere medische specialisten besproken, waarbij haar bevindingen werden bevestigd, en heeft zij intern met een gedragswetenschapper overleg gevoerd. Hoewel het inzichtelijker was geweest als dit nadrukkelijker kenbaar was gemaakt in het rapport, heeft verweerster voldoende voldaan aan haar gehoudenheid tot het onderzoeken en zoveel mogelijk weerleggen van de mogelijkheid van alternatieve oorzaken en (differentiaal) diagnoses ten aanzien van de geconstateerde problematiek. Het college is voorts van oordeel dat het beschrijven van voornoemde differentiaal diagnostische overwegingen in het belang van F moeten worden geacht omdat, indien daadwerkelijk sprake zou zijn van PCF, dat ernstige consequenties kan hebben voor de ontwikkeling en veiligheid van F.

5.8.      Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat verweerster in redelijkheid tot de haar verweten conclusies in het rapport heeft kunnen komen. Ook overigens voldoet het rapport aan de criteria als weergegeven in 5.2. Klachtonderdeel 1 wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 2 en 3

5.9.      Het college stelt bij de beoordeling voorop dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of verweerster is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2a en 2b

5.10.    De klachtonderdelen 2a en 2b houden in dat verweerster de lichamelijke onderzoeken naar de voetproblemen van F heeft genegeerd en ten onrechte heeft gesteld dat zij geen krukken meer moest gebruiken. Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.

5.11.    In bijlage 6 ‘medische gegevens gezinsleden N, bij de rapportage van VT wordt op pagina 10 van de ongenummerde bijlage bij ’14 maart 2016 poli chirurgie’ het volgende vermeld:

“ klachten gaat al wat beter, loopt nu met krukken, MRI van 3 maart laat zien: botoedeem mediaal in talus en os naviculare. Conclusie als teken van subklinische fractuurtjes in de betreffende botten, verder functioneel behandelen en sport pas weer hervatten als klachten het toelaten. Eventueel fysiotherapie. Einde controle”.

en direct daaropvolgend onder het kopje: ’29 maart 2016’ wordt het volgende vermeld:

“moeder vraagt aan huisarts second opinion bij orthopeed Annatommie. Brief orthopeed O van annatommie 15 april: MRI is herhaald. Hoeveelheid vocht is flink afgenomen. Beleid is pijnstiling en fysiotherapie met tape.”

5.12.    In bijlage 7 ‘gespreksverslagen’ bij de rapportage van VT wordt onder het kopje

‘telefonisch overleg op 22 september 2016 met de P, anesthesioloog in het Q´ – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Er is geen advies gegeven voor gebruik van hulpmiddelen als rolstoel of krukken. (…)”

5.13.    In voormelde bijlage 7, onder het kopje ‘telefonisch overleg met orthopedisch chirurg O van R op 7 oktober 2016’ wordt – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“ O heeft geen diagnose kunnen stellen bij F anders dan een blaar na een inversietrauma en vindt dat zij niet bij R thuis hoort. Hij advies om krukken te gebruiken heeft hij niet gegeven, wel heeft hij geadviseerd om te mobiliseren op geleide van de pijn. Het briefje voor school van 24 juni is geschreven om de situatie te de-escaleren” .

5.14.    Het college is van oordeel dat verweerster met de hierboven weergegeven notities uit het dossier en fragmenten uit de gespreksverslag voldoende aandacht heeft gehad voor de verrichte lichamelijke onderzoeken naar de voetproblemen en op basis hiervan in redelijkheid tot de conclusie heeft komen dat het gebruik van krukken niet geïndiceerd was. Van de uitspraak dat F geen krukken meer moet gebruiken, kan haar dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klachtonderdelen 2a en 2b worden dan ook afgewezen.

Ten aanzien van klacht 2c

5.15.    In klacht 2c stellen klagers aan de orde dat verweerster de voetklachten en hoofdpijnklachten van F ten onrechte heeft omschreven als uitingen van spanning en zorgen.

5.16.    In de door klagers overgelegde transcriptie en geluidsopname van het gesprek van 1 november 2016 wordt, zover hier van belang, het volgende weergegeven (op pagina 4 van de ongenummerde transcriptie van het gesprek van 1 november 2016):

“ (…)

[naam verweerster]: (…)

Nou dat brengt ons bij verdere afspraken over de medische zorg van F, want ik denk dat de afgelopen jaren zijn er gewoon heel veel zorgen geweest over haar gezondheid en de conclusie op basis van gesprekken die ik heb gehad met de mensen uit de gezondheidszorg en op basis van het onderzoek dat ik gedaan heb in het dossier, is de conclusie eigenlijk met natuurlijk heeft F een afwijking net zoals haar zusje dat heeft, maar verder is zij een gezond meisje. En de klachten die ze heeft gehad en dan noem ik dan eh dan noem ik vooral even de hoofdpijnklachten maar ook de pijnklachten in de voet dat zijn eigenlijk gewoon uitingen van heel veel spanningen en zorgen die ze in haar hoofd heeft. En dat is natuurlijk vervelend genoeg dat je daardoor zo veel klachten hebt, maar het is wel iets waarvan wij zeggen nou het is niet goed dat een meisje van 13 een goed verstand heeft op school het goed zou kunnen doen en het ook wel doet maar die dan toch nog zoveel problemen heeft in haar hoofd waar ze die klachten van krijgt. Ze maakt zich zorgen over u maar ze maakt zich ook zorgen over haar eigen gezondheid en we vinden het belangrijk dat haar uitgelegd wordt wat ons idee daarover is en daar heb ik met u al mee afgesproken van wanneer gaan we dat nou doen. (…).”

5.17.    Het college interpreteert de verweten uitspraken van verweerster als een onderbouwing van haar conclusie dat F een gezond meisje is. Hiermee is naar het oordeel van het college geen strikt medische onderbouwing bedoeld, maar een vluchtige samenvattende verkenning van het dossier, met het doel een brug te slaan naar het maken van verdere afspraken over wat F nu daadwerkelijk aan medische zorg nodig heeft, en een plan van aanpak met haar te bespreken, met het oog op vooruitgang van haar situatie. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat verweerster niet wist dat dit gesprek werd opgenomen, zodat zij niet bedacht was op een weging van haar woorden als zodanig. Naar het oordeel van het college had verweerster met haar woordkeuze wellicht wat meer nuance kunnen aanbrengen in haar betoog, maar desondanks zijn de verweten uitspraken in deze samenhang bezien niet onzorgvuldig te achten in tuchtrechtelijke zin, temeer nu deze juist in het belang van F zijn gedaan. Dit klachtonderdeel kan dus niet slagen.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2d

5.18.    Klachtonderdeel 2d behelst de klacht dat verweerster zonder dat daar onderzoek naar is gedaan, heeft geadviseerd dat F weer naar school gaat fietsen.

5.19.    In de door klagers overgelegde transcriptie en geluidsopname van het gesprek van 1 november 2016 wordt, zover hier van belang, het volgende weergegeven (op pagina 7 van de ongenummerde transcriptie van het gesprek van 1 november 2016):

“ (…)

[naam verweerster]: (…)

Nou ja actueel ik verwacht dat als deze blaar geneest en ze houdt gewoon goeie schoenen dat er gewoon niks meer, er is niet een rede waarom zij blaren zou moeten krijgen aan die voet. Dus ik verwacht niet dat daar op dat gebied nog iets gaat gebeuren. En die voet is gewoon goed. Die is gewoon genezen.”

en even verderop in het gesprek:

“[naam verweerster]: nou dan prima. Nou fysiotherapie afsluiten en dan is F gewoon een meisje van 13 die albinisme heeft en een visusbeperking en dat is het. Verder heeft ze geen ziekte of een afwijking ze kan gewoon naar school. Ze kan ook naar school fietsen. Daar hebben we het ook over gehad met mevrouw van S.”

en even verderop in het gesprek:

“[medewerker sociaal team X ]: maar kan F fietsen naar school? (…). Zijn er risico’s?”

Het antwoord van verweerster op die vraag luidt als volgt:

“[naam verweerster]: dat heb ik met mevrouw S besproken of zij dat wil nagaan of dat kan. Qua voeten is er geen enkele belemmering want dat was voor mevrouw X tot nu toe de rede dat ze zei naja dat willen we nog niet proberen. Ik heb gezegd qua voeten kan ze gewoon prima fietsen. Maar wat betreft het zien zou mevrouw S dat met haar nouja ik neem aan dat iets van een proef fiets tochtje zou doen of (…)”.

5.20.    Uit de hierboven aangehaalde fragmenten van het gesprek van 1 november 2016 blijkt naar het oordeel van het college dat verweerster heeft gesteld dat er geen belemmering bestaat dat F weer naar school gaat fietsen wat betreft de voetproblemen. Uit geen van de overgelegde medische onderzoeksbevindingen ten aanzien van de voetproblemen van F volgt dat deze problemen als zodanig een beletsel zouden zijn om naar school te fietsen. Hoewel wordt gesproken over ‘subklinische fractuurtjes’ (of met andere woorden: fractuurtjes van een te geringe omvang om klinisch klachten en/of beperkingen te veroorzaken), blijkt uit het medisch dossier dat er geen sprake is van een fractuur, noch van infecties. Verweerster heeft overigens in dit verband wat betreft de gezichtsproblemen aangegeven dat daarnaar nog nader onderzoek zal worden verricht door een medewerker van Visio. Klachtonderdeel 2d faalt derhalve.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2e

5.21.    Klachtonderdeel 2e betreft de klacht dat verweerster – tijdens het gesprek van 11 oktober 2016 – zich onheus en onprofessioneel heeft gedragen door te stellen dat misbruik zou worden gemaakt van het PGB en dat zij aldus klagers heeft weggezet als fraudeur/profiteur.

Ter zitting heeft verweerster naar voren gebracht dat zij niet alleen als (vertrouwens-)arts medische problematiek bij betrokkenen beoordeelt, maar daarnaast - als medewerker van VT – het systeem rond een betrokkene in kaart dient te brengen. In dat kader heeft verweerster de opmerking over het PGB gemaakt. Met haar uitspraak dat sprake was van een ‘oneigenlijk PGB’ heeft verweerster willen aangeven dat met het ontvangen PGB de indruk werd gewekt dat F gelet op haar medische situatie die (mate van) zorg nodig had, terwijl dat in werkelijkheid, gezien de door verweerster geconstateerde en in het gesprek ook aangegeven symptomen, mogelijk niet het geval was, hetgeen alsdan juist niet in het voordeel van F’s herstel zou zijn. Verweerster heeft met de haar verweten opmerking niets willen zeggen over eventuele fraude of financieel misbruik van het PGB, aldus steeds verweerster.

5.22.    Het college begrijpt dat verweerster vanuit haar betrokkenheid bij het gezin en F in haar hoedanigheid als medewerker van VT dit gesprek is aangegaan met klagers. Het college is van oordeel dat de door verweerster gemaakte opmerkingen met betrekkingen tot het PGB genuanceerder geformuleerd hadden kunnen worden en dat het beter was geweest als verweerster de context van haar uitspraken had toegelicht aan klagers, zodat zij die opmerking beter hadden kunnen plaatsen en begrijpen. Echter, ook hier moet worden meegewogen dat verweerster niet wist dat dit gesprek werd opgenomen, zodat zij niet bedacht was op een weging van haar woorden als zodanig. In deze samenhang bezien zijn de gemaakte opmerkingen niet zodanig laakbaar dat verweerster daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel 2e wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel

5.23.    Het derde klachtonderdeel houdt in dat verweerster zich tijdens het gesprek van 11 oktober 2016 onheus en onprofessioneel heeft gedragen jegens klaagster. Ter zitting heeft klaagster naar voren gebracht dat zij zich door verweerster als een misdadiger beschuldigd voelde over de wijze waarop zij zorg droeg voor haar kind. Volgens klaagster boezemde verweerster haar angst in, mede door de lichaamshouding van verweerster en haar manier (tempo) van spreken. Verweerster heeft daarentegen ter zitting naar voren gebracht dat zij – de geluidsopnames van de gesprekken terugluisterend – zich weer herinnerde hoeveel zorgen zij had om het gezin en F.

5.24.    Het college heeft kennis genomen van de transcriptie en de geluidsopname van het gesprek op 11 oktober 2016. Het college kan zich op basis van hetgeen is gesteld en overgelegd door klaagster, geen beeld vormen van ‘de lichaamshouding’ van verweerster tijdens het gesprek, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan bij de beoordeling.

Het college acht voorstelbaar dat de stellige en sturende houding van verweerster tijdens het gesprek een weerslag heeft gehad op de wijze waarop klaagster zich door verweerster bejegend heeft gevoeld. Het college constateert dat verweerster in het gesprek blijk geeft van een evidente, urgente zorg om het gezin en F. Op basis van die zorg spreekt zij klaagster in haar hoedanigheid van moeder van F aan. Dit kan op zichzelf, gezien de context van de overgelegde (medische) bevindingen van verweerster, niet onzorgvuldig worden geacht. De daarbij gehanteerde woordkeuze, tempo en toon van verweerster komen ferm over en verweerster had wellicht meer overtuigingskracht bereikt als zij op een iets rustiger toon en met meer invoelingsvermogen met betrokkenen had gesproken. Deze uitingen van verweerster als zodanig zijn echter niet bedreigend en beledigend te achten zoals gesteld door klaagster. Ook overigens is het college van oordeel dat verweerster, gegeven voornoemde context, met deze uitingen klaagster niet onheus of onprofessioneel heeft bejegend. Verweerster kan terzake dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel wordt daarom afgewezen.

5.25.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is.

5.26.    Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-          wijst de klacht (in al haar onderdelen) af.

Aldus beslist door:

P.J. van Eekeren, voorzitter,

E.I. van Dijk, A.S.M. Kraak, E. van Pinxteren-Nagler, leden-arts,

M.P. Sombroek-Van Doorm, lid-jurist,

bijgestaan door A. Kerstens, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                          voorzitter