ECLI:NL:TGZCTG:2018:314 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.455

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:314
Datum uitspraak: 29-11-2018
Datum publicatie: 29-11-2018
Zaaknummer(s): c2017.455
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen bedrijfsarts. Klager is na ziekmelding begeleid door verweerder. Op enig moment is klager ontslagen. Klager verwijt verweerder dat hij geen navraag bij klagers behandelaars heeft gedaan over zijn ziektegeschiedenis, geen kennis heeft genomen van de medicijnen die klager gebruikte en bij herhaling verkeerde adviezen/bevindingen aan de (ex-)werkgever van klager heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het beroep van klager wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.455 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., destijds bedrijfsarts, (destijds) werkzaam te D.,

verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. A.C. Zentveld, verbonden aan Zorg van de Zaak te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 18 november 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de bedrijfsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 augustus 2017, onder nummer 16/443, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De bedrijfsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak A./E. (C2018.456) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van

8 november 2018, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mevrouw

I.T. van Delft-Duivesteijn, expert personenschade, en de bedrijfsarts, bijgestaan door mr. Zentveld voornoemd.

De zaak is ter terechtzitting over en weer bepleit. Mevrouw Van Delft en de bedrijfsarts hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.         De feiten

2.1       Klager, geboren op 30 augustus 1952, was sinds 1987 voor 16 uur per week werkzaam bij F. ( G.) als administratief medewerker en secretaris van het dagelijks bestuur. Hij was daarnaast ook deels arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering.

2.2       Bij e-mail van 20 februari 2013 heeft klager zich ziekgemeld bij zijn werkgever. In de e-mail heeft klager als klachten vermeld: steek- en pijnaanvallen in het operatiegedeelte waar in 2007 een bijnier en een kleine tumor op de nier van klager zijn verwijderd.

2.3       Naar aanleiding van de ziekmelding heeft H. voor de werkgever de verzuimbegeleiding ten behoeve van klager uitgevoerd. Klager is begeleid door verweerder, die destijds als bedrijfsarts in dienst was van H..

2.4       Op 19 maart 2013 heeft klager het eerste consult bij verweerder gehad. In het medische dossier van klager heeft verweerder voor zover van belang het volgende genoteerd:

Datum: 19-03-2013 (..)

Daarnaast voor 16 uur per week, verdeeld over 3 dagen per week werkzaam als secretaris/bestuurder van een vakbond voor kermisbedrijven F. Betr. zegt de afgelopen 2 jaar door een “hel” te zijn gegaan zowel fysiek als mentaal. Heeft medische voorgeschiedenis van depressie, niertumor, misbruikt in de jeugd (door pastoor). Aanleiding ziekmelding is overigens een conflict met de voorzitter die zich ook directeur noemt. Er is een polemiek gaande, e-mailverkeer die betrokkene zich sterk heeft aangetrokken. (..) Obv huisarts, depressieve klachten, “zit in de genen”.

2.5       Eind april 2013 zijn klager en zijn werkgever een mediation traject gestart, welke begin mei 2013 is geëindigd. In het medisch dossier van klager heeft verweerder daarover genoteerd:

(..) Datum: 02-05-2013. Vanmiddag om 14:00 uur is er weer een gesprek met mediator. Hoopt zelf op terugkeer. Heeft ook voorstel ingediend wat hij kan doen voor wg binnen de 16 uur per week dat hij werkzaam is. (..)

Afgesproken belafspraak over 3 weken.

2.6       Op 8 mei 2013 is klager door de werkgever hersteld gemeld bij H..

2.7       Op 7 juni 2013 heeft de werkgever ten aanzien van klager een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV.

2.8       Bij e-email van 24 juni 2013 heeft klager zich wederom ziekgemeld bij zijn werkgever.

2.9       Op 25 juni 2013 heeft verweerder klager gebeld. In het procesdossier ten aanzien van klager heeft verweerder op die datum de volgende notitie gemaakt: (..)

No Show! Betr. gebeld op zijn 06nr. Heeft geen uitnodiging voor spreekuur ontvangen. Heeft zich op advies van advocaat ziek gemeld per 24/6. (..)

In principe gaat het om dezelfde kwestie als waarvoor wg het verzuim heeft afgesloten op 8 mei 2013. (..)

Ik heb betrokkene duidelijk gemaakt dat m.i. geen heropening van Ziektewet aan de orde is en partijen dit langs juridische en arbeidsrechtelijke weg dienen op te lossen. (..)

Indien niet akkoord kan een deskundigenoordeel van UWV worden overwogen.

Herstelmelding. (..)

2.10     Op 27 juni 2013 is klager hersteld gemeld bij H.. Daarna is er een derde periode van arbeidsongeschiktheid gevolgd van 31 juli 2013 tot 16 augustus 2013.

2.11     Op 16 augustus 2013 is klager voor het laatst op het spreekuur van verweerder geweest. In de terugkoppeling aan de werkgever van dezelfde datum heeft verweerder onder meer vermeld:

(..)Advies:

Ik heb geen argumenten die mijn standpunt wijzigen m.b.t. de arbeidsongeschiktheidssituatie van uw medewerker. Ik heb dit betrokkene ook op mijn spreekuur gezegd. (..)

Ik stel mij ongewijzigd op het standpunt dat er geen medische redenen (meer) zijn die betrokkene in de weg staan om zijn werkzaamheden waarvoor hij laatstelijk werkzaam was, volledig te hervatten. (..)

2.12     In december 2013 is verweerder met pensioen gegaan. Bij die gelegenheid heeft verweerder de informatie die klager hem over het vroegere misbruik had gegeven vernietigd.

2.13     In 2014 is klager door zijn werkgever ontslagen nadat het UWV in september 2013 een ontslagvergunning had afgegeven.

2.14     Op 20 april 2015 heeft klager jegens H. een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Arbodiensten, deels gericht op het handelen van verweerder.

Op 23 november 2015 heeft de commissie uitspraak gedaan en de klachten van klager jegens verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

2.15     Op 15 december 2015 heeft een andere bedrijfsarts van H. (op dat moment “Zorg van de Zaak” genoemd), (verweerster bij een eveneens door klager bij het college aanhangig gemaakte zaak met nummer 16/444) een “second opinion” (in de vorm van een dossiertoetsing) uitgebracht met als conclusie dat door verweerder bij de verzuimbegeleiding en bedrijfsgeneeskundige beoordeling vanwege een werkgerelateerd conflict tussen klager en ex-werkgever voldoende vakkundig en zorgvuldig gehandeld is, conform de geldende richtlijnen.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

-                  ondanks herhaald verzoek van klager geen navraag heeft gedaan bij zijn behandelaars (de huisarts en de internist endocriene ziekten) over zijn medische voorgeschiedenis;

-                  het bij het eerste consult met klager op 19 maart 2013 niet nodig vond kennis te nemen van de zware medicijnen die aan klager waren voorgeschreven;

-                  bij herhaling verkeerde adviezen/bevindingen aan de ex-werkgever van klager heeft gegeven;

-                  bij zijn pensionering door klager aangeleverde informatie heeft vernietigd.

4.               Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Verder staat bij de beoordeling het persoonlijk handelen van verweerder centraal.

5.2       Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel.

Voorop staat dat op verweerder geen verplichting rustte om gedurende de verzuimbegeleiding navraag te doen bij de behandelaars van klager. Het is aan het professionele oordeel van de arts zelf voorbehouden om dat al dan niet te doen. Verweerder was op de hoogte van de medische voorgeschiedenis van klager, hetgeen ook blijkt uit de verslaglegging van het eerste consult op 19 maart 2013. Ter zitting heeft verweerder voldoende uiteengezet dat hij daarin geen aanleiding zag om tot raadpleging van de behandelende sector van klager over te gaan. Voorts is gebleken dat klager er ook niet sterk bij verweerder op heeft aangedrongen dat hij zijn behandelend artsen zou benaderen. Klager heeft wel de mogelijkheid geopperd, maar verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij genoeg medische informatie voorhanden had om zich een oordeel te kunnen vormen. Niet is gebleken dat verweerder op dit onderdeel onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3       Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel.

Ter zitting heeft klager verklaard dat hij tijdens het eerste consult op 19 maart 2013 al zijn medicijndoosjes bij zich had en uit de verslaglegging van dit consult volgt dat verweerder op de hoogte was van de medische voorgeschiedenis van klager (waaronder de depressieve klachten). Het college kan dus niet vaststellen dat verweerder geen kennis heeft genomen van de aan klager voorgeschreven medicijnen. De aard van de door klager gebruikte medicatie vormde, naar het oordeel van het college, op zichzelf genomen geen noodzaak voor raadpleging door verweerder van de huisarts van klager. Dit klachtonderdeel slaagt niet.

5.4       Ten aanzien van het derde klachtonderdeel.

Ter zitting heeft klager een nadere toelichting gegeven op dit onderdeel. Klager verwijt verweerder dat hij op 8 mei 2013 hersteld is gemeld en dat hij daarvan niet op de hoogte was gesteld. Hij heeft dat via de helpdesk van H. moeten horen, aldus klager. Uit het feitencomplex (zie 2.5 tot en met 2.11) en op de zitting is niet gebleken dat verweerder op dit onderdeel onzorgvuldig heeft gehandeld. Op 2 mei 2013, toen het mediationtraject nog liep, hebben partijen elkaar gesproken en is een belafspraak voor eind mei 2013 gemaakt. In de tussentijd strandde echter het mediationtraject en werd klager door H. hersteld gemeld. Pas nadat klager zich wederom had ziekgemeld op 24 juni 2013 werd het contact tussen partijen vervolgd. Een (telefonische) afspraak voor 25 juni 2013 ging vervolgens niet door omdat klager niet reageerde. Een laatste contact heeft vervolgens op 16 augustus 2013 plaatsgevonden.

In het procesdossier (bij de feiten onder 2.9 en 2.11) staan overigens de adviezen beschreven die verweerder ten aanzien van klager aan de werkgever heeft gegeven en die ook tot herstelmeldingen hebben geleid. Klager heeft ter zitting niet nader onderbouwd waarom deze adviezen niet kloppen. Wel heeft hij in het algemeen betoogd dat hij door zijn medische klachten en door zijn misbruikverleden arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft een andere visie. Volgens verweerder was er tijdens het verzuim van klager – en dat bleek volgens verweerder al uitdrukkelijk tijdens het eerste consult op 19 maart 2013 - sprake van een arbeidsconflict, met als gevolg van dit conflict stressgerelateerde medische klachten. Verweerder heeft vervolgens de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten (bijlage V verweerschrift) toegepast en heeft geconstateerd dat er geen medische redenen waren die klager in de weg stonden om de werkzaamheden volledig te hervatten. Niet is gebleken dat verweerder met de informatie die hij had niet tot dit oordeel kon komen en onjuist heeft geadviseerd.

5.5       Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel.

Het college is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door informatie van klager (over zijn misbruikgeschiedenis binnen de Rooms-Katholieke Kerk) bij zijn pensionering te vernietigen. Het ging immers om gedetailleerde informatie die volgens verweerder niet relevant was voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid of verzuimbegeleiding op dat moment. Bovendien heeft verweerder in de verslaglegging van het eerste consult op 19 maart 2013 wel vermeld dat er sprake was van een misbruikgeschiedenis. Verweerder achtte de nadere informatie over het misbruik niet relevant voor het medisch dossier. Aangezien het ging om zeer privacygevoelige, vertrouwelijke informatie is het college van oordeel dat verweerder juist zorgvuldig heeft gehandeld door deze te vernietigen en te voorkomen dat derden daarvan kennis zouden kunnen nemen.

5.6       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1  Klager is in beroep gekomen van de beslissing van het Regionaal

Tuchtcollege waarbij zijn klacht in zijn geheel is afgewezen. Tegen het oordeel van dat college dat het laatste klachtonderdeel (dat de bedrijfsarts bij zijn pensionering door klager aangeleverde informatie heeft vernietigd) niet gegrond is heeft klager in beroep geen grieven geformuleerd. Dit deel van de klacht is daarom in beroep niet meer aan de orde.

4.2       De bedrijfsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3       Ten aanzien van de eerste drie klachtonderdelen komt het Centraal Tuchtcollege tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen dat College onder 5.1 tot en met 5.4 heeft overwogen hier over, met dien verstande dat het Centraal Tuchtcollege onder 5.4 vanaf de zesde regel niet overneemt de passage “In de tussentijd […] gemeld.” In plaats daarvan leest het Centraal Tuchtcollege: “In de tussentijd strandde echter het mediationtraject en werd klager door de werkgever hersteld gemeld.

                                                                                                                                           Het is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken dat de bedrijfsarts hiervan op de hoogte was.”

4.4       Voor het overige heeft de behandeling van de zaak in beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: K.E. Mollema, voorzitter; S.M. Evers en

Y.A.J.M. van Kuijck, leden-juristen en H.S. Boersma en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten

en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2018.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.