ECLI:NL:TGZCTG:2018:312 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.237

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:312
Datum uitspraak: 29-11-2018
Datum publicatie: 29-11-2018
Zaaknummer(s): c2017.237
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen een plastisch chirurg. Klager verwijt de plastisch chirurg dat hij de geslacht veranderende operatie van klager zonder uroloog heeft verricht, dat hij geen urologisch onderzoek heeft verricht, dat hij geen behandelmogelijkheden of medicatie heeft voorgelegd en dat hij geen overleg heeft gevoerd in het mdo en genderteam. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Waar het gaat om de operaties die door de plastisch chirurg op achtereenvolgens 19 november 2008, 17 april 2009 en op 19 september 2009 zijn verricht, staat volgens het Centraal Tuchtcollege vast, dat de plastisch chirurg daarbij telkens heeft afgezien van het daarbij betrekken van een uroloog. Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat toentertijd niet ook een uroloog deel uitmaakte van het genderteam. Reeds dit gegeven is indicatief voor beantwoording van de vraag of in het algemeen ook de inzet van urologische expertise bij metaidoioplastieken als aangewezen werd beschouwd. De deskundige heeft in zijn bericht uiteengezet dat en waarom volgens de toentertijd vigerende (urologische) richtlijnen voor de plastisch chirurg geen gehoudenheid kan worden aangenomen voor het wél betrekken van een uroloog bij die door hem verrichte operaties. Het Centraal Tuchtcollege neemt die uiteenzetting en conclusie over en oordeelt dat aan de plastisch chirurg in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Waar het gaat om de na die operaties door de plastisch chirurg verleende nazorg overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de deskundige in zijn bericht heeft uiteengezet dat, wanneer de plastisch chirurg daarbij wél de deskundigheid van een uroloog zou hebben ingezet, die nazorg anders vormgegeven zou kunnen zijn geweest. De plastisch chirurg heeft overleg gehad met andere plastisch chirurgen van het genderteam. De inhoud van de door deze geconsulteerde chirurgen gegeven adviezen waren volgens de deskundige in lijn met de urologische visie. Die adviezen zijn echter volgens de deskundige door de plastisch chirurg niet opgevolgd. Dit laatste wordt door de plastisch chirurg gemotiveerd betwist in die zin dat bedoelde adviezen niet aan hem zijn gegeven. Gelet op dit gemotiveerde verweer, waartegen klager onvoldoende heeft ingebracht, kan er niet van worden uitgegaan dat de genoemde adviezen aan de plastisch chirurg zijn gegeven. Alles overziende is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de plastisch chirurg ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de nazorg. Het beroep wordt verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.237 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. I.T. van Delft-Duivesteijn, advocaat te Hengelo,

tegen

C., plastisch chirurg, (thans) werkzaam te D.,

verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, advocaat te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

Het Centraal Tuchtcollege heeft in deze zaak op 15 februari 2018 een tussenbeslissing gegeven waarnaar voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen.

De door het Centraal Tuchtcollege benoemde deskundige, E., heeft op 16 april 2018 een deskundigenrapport uitgebracht.

Ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2018 heeft de voortgezette behandeling

van het beroep plaatsgevonden, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door

mr. I.T. van Delft-Duivesteijn, en de plastisch chirurg, bijgestaan door

mr. M.J.J. de Ridder.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Beide gemachtigden hebben dit gedaan aan de hand van een pleitnota die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overhandigd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“2.       De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klager, geboren in 1964 als vrouw, is vanaf 2005 onder behandeling bij F., coördinator van het genderteam in het G.. Na een uitgebreid psychologisch testtraject is door het genderteam van het G. bij klager een indicatie gesteld om een geslachtsveranderende ingreep te ondergaan. Voor het verrichten van de ingreep is klager door het genderteam naar verweerder verwezen. Voorafgaand aan de verwijzing heeft F. de ingreep met klager besproken en uitgelegd.

2.2       In dat kader heeft klager medio 2008 het spreekuur van verweerder bezocht met het verzoek de ingreep bij hem uit te voeren. Verweerder heeft de ingreep, bestaande uit een mastectomie en een geslachtstransformerende ingreep van vrouw naar man, aan klager uitgelegd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat het risico op complicaties zeer aanzienlijk is. Verweerder heeft daarbij het risico van fistelvorming en vernauwingen van de urethr genoemd, dat in ongeveer 30% van de gevallen voorkomt. Verweerder heeft daarbij uitgelegd dat dit ook tot vervolg ingrepen zou kunnen leiden.

2.3       Op 18 november 2008 heeft klager de ingreep ondergaan. Deze is door verweerder in het OLVG uitgevoerd. Tijdens deze ingreep is eveneens een metaïdoioplastiek verricht. De ingreep bij klager verliep zonder problemen. Verweerder heeft zich tijdens de ingreep niet laten assisteren door een uroloog.

2.4       De eerste postoperatieve controles hebben op 4 december 2008 en op

11 december 2008 plaatsgevonden en verliepen zonder bijzonderheden. Vervolgens heeft klager op 29 januari 2009 het spreekuur van verweerder in het OLVG bezocht met klachten van branderigheid bij mictie en een slappe straal. Klager vertelde dat hij sinds 12 januari 2009 klachten had van een blaasontsteking waarvoor de huisarts antibiotica had voorgeschreven. Er was een urinekweek ingezet. Er was geen sprake van koorts. Verweerder heeft een urinekatheter aangelegd van 18 charrière. Dit verliep zonder bijzonderheden. Afgesproken werd dat klager de katheter zou laten zitten en antibiotica zou gebruiken gedurende zeven dagen en daarna terug zou komen voor controle.

2.5       Op 4 februari 2009 heeft klager zich met pijnklachten op de afdeling plastische chirurgie van het OLVG gemeld. Verweerder was afwezig en klager werd alstoen gezien door plastisch chirurg dr. H., die besloot de katheter te verwijderen. Tevens heeft hij pijnstilling en antibiotica voorgeschreven.

2.6       Op 11 februari 2009 heeft klager telefonisch contact gehad met dr. H., plastisch chirurg, met klachten van niet kunnen plassen. In verband daarmee is klager door dr. H. met spoed verwezen naar uroloog I. van het J. Ziekenhuis te B., met wie dr. H. eerst ook telefonisch overleg pleegde.

2.7       Klager bleef wisselende klachten houden van een slappe straal, pijn en branderige mictie. Tijdens het consult van 6 april is door verweerder met klager besproken dat zeer waarschijnlijk sprake was van een stenose ter plaatse van de overgang originele naar de nieuwe urethra en dat hij in verband hiermee een urethracorrectie zou kunnen verrichten. Gelijktijdig zou hij dan een door klager gewenste correctie van de thoraxwand kunnen verrichten. Verweerder, die inmiddels praktijk hield in het K. te D., heeft de huisarts van klager hiervan op de hoogte gebracht.

2.8       Op 17 april 2009 heeft verweerder de ingreep verricht. Tijdens de ingreep heeft verweerder de thoraxwand gecorrigeerd middels liposuctie en een huidresectie. Tevens is een dilatatie van de urethra verricht.

2.9       Postoperatief heeft klager klachten gehouden van een branderig gevoel bij plassen. In verband met de aanhoudende klachten is door verweerder de uroloog in consult geroepen. Dr. L., uroloog, heeft op 24 juni 2009 een ureteroscopie verricht. Tijdens de ingreep is door de uroloog ter plaatse van de eerste naad een urethrastenose aangetroffen. Voor het opheffen van de stenose is klager door de uroloog terugverwezen naar verweerder.

2.10     In overleg met klager is door verweerder besloten tot een operatieve behandeling van de stenose.

2.11     Wegens afwezigheid van verweerder tijdens de vakantieperiode heeft klager het spreekuur van plastisch chirurg M., verbonden aan het genderteam van het G. bezocht. Door klager is met M. besproken dat door verweerder reeds een operatieve correctie van de stenose was ingepland. M. adviseerde het effect van de geplande ingreep af te wachten en zo nodig tussentijds door de uroloog een suprapubische katheter te laten plaatsen.

2.12     Op 1 september 2009 is de operatieve ingreep door verweerder in het K. uitgevoerd. Tijdens de ingreep bleek sprake van een moeiteloos inbrengen van een katheter met charrière 20. Gelet op de bevindingen van dr. L. tijdens de scopie is door verweerder toch besloten om ter hoogte van de eerste anastomose de urethra te openen. Daarbij bleek dat de urethra goed aanvoelde, soepel langs de katheter was en dat er geen vernauwing palpabel was. Door verweerder is besloten geen verdere actie te ondernemen en de huid weer te sluiten.

2.13     Op 7 december 2011 heeft klager het spreekuur van verweerder bezocht met klachten van een slappe plasstraal en branderigheid. Bij onderzoek is door verweerder een dilatatie verricht met charrière 18. Dit verliep zonder bijzonderheden. Aangezien de klachten aanhielden, heeft verweerder op 13 januari 2012 nogmaals een urethrastenoseoperatie verricht. Tijdens de ingreep is wederom de urethra geopend ter hoogte van de overgang scrotum, penisschacht. Er is een huidlap ingevoegd ter verbreding van de urethra.

2.14     Tijdens postoperatieve controle op 27 januari 2012 heeft klager aangegeven dat het goed ging. De mictie ging goed en er was sprake van een goede straal. Afgesproken is dat klager na zes maanden terug zou komen voor controle. Op 7 februari 2012 heeft klager verweerder schriftelijk gemeld dat het “nog steeds er goed” ging. Hij had een “flinke en ook harde straal” waarbij hij praktisch niet hoefde te persen.

2.15     Op 16 februari 2012 heeft klager zich gemeld op het spreekuur van verweerder. Hij had sinds twee weken klachten van een zwelling bij het scrotum. Verweerder heeft bij onderzoek geen bijzonderheden vastgesteld. De zwelling was waarschijnlijk een weefselplooi. Zekerheidshalve heeft verweerder een echografie laten  verrichten. Op 18 april 2012 is klager teruggekomen op het spreekuur om de bevindingen van de echo te bespreken. Er waren verder geen bijzonderheden. Afgesproken werd dat klager uit de behandeling zou worden ontslagen.

2.16     Op 7 mei 2012 heeft klager zich wederom gemeld op het spreekuur van verweerder. Hij had klachten van een wondje op het scrotum. Bij onderzoek bleek geen sprake te zijn van een fistel. Door verweerder is besloten tot een conservatief beleid. Afgesproken werd dat klager na vier weken terug zou komen voor controle.

2.17     In juni 2012 heeft klager het spreekuur van verweerder bezocht. Hij gaf aan dat het weer slechter ging met plassen. Er was weer sprake van een slappe straal. Verweerder heeft gekatheteriseerd en daarbij deden zich geen bijzonderheden voor. Hij kon makkelijk de naad passeren. Verweerder besloot klager te verwijzen naar de uroloog.

2.18     Klager heeft zich onder behandeling gesteld bij de uroloog van het N. Ziekenhuis te O. Vervolgens heeft klager zich onder behandeling gesteld van de afdeling plastische chirurgie van het G.. Aldaar is een mictiecystogram verricht op basis waarvan geconcludeerd is dat sprake was van een recidief stenose over een kort traject bij de overgang van de urethra naar de neo-penis. Besloten werd tot een operatieve correctie daarvan. Op 22 november 2012 is deze ingreep door plastisch chirurg M. en uroloog P. uitgevoerd. Tijdens de ingreep is vastgesteld dat er sprake was van een tweetal fistels/faux routes die werden geëxcideerd. Tevens is de stenose opgeheven.

2.19     Aangezien ook nadien de klachten aanhielden is op 21 februari 2013 nogmaals een mictiecystogram verricht. Daarbij werd een “relatieve” stenose vastgesteld.

2.20     Op 27 februari 2013 is in het G. nogmaals een ingreep verricht. Er werd toen geen echte trajectvernauwing vastgesteld, maar een enkel dun vliesje, dat werd verwijderd.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

1.               de operatie zonder uroloog heeft verricht;

2.               geen urologisch onderzoek heeft verricht;

3.               geen behandelmogelijkheden of medicatie heeft voorgelegd;

4.               geen overleg heeft gevoerd in het mdo en genderteam.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Ten aanzien van klachtonderdelen 1 en 2 overweegt het college als volgt.

Klager heeft in 2008 voorafgaand aan de operatie op 18 november 2008 een brochure gekregen waarin de protocollen van de operatie stonden vermeld. Niet duidelijk is of in de brochure uit 2008 de te verwachten complicaties staan vermeld.

Het optreden van een stenose van de plasbuis is een complicatie die in 30% van de gevallen optreedt.

Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat de operatie met een uroloog diende te worden verricht. Er is geen richtlijn waarin dit staat vermeld. De operatie is verricht op instignatie van het genderteam, waarin een uroloog zit. In het gehele traject van nazorg zijn meerdere urologen betrokken geweest: prof. Dr. P. en dr. Q. van het G., dr. I. en dokter R. van het J. Ziekenhuis, T. L. van het S. en dokter T. van het N. Ziekenhuis te O.. Ook is er radiologisch onderzoek verricht middels echografie en RUG/MCUG van de (neo) urethra. Een neo-urethra die is opgebouwd uit huidlappen van de labia minora is een andere entiteit dan een normale urethra. Problemen met de neo-urethra kunnen op dit terrein door een plastisch chirurg worden behandeld. Op het overgangsgebied tussen neo-urethra en oorspronkelijke urethra kan zich een stenose ontwikkelen  waar ook een uroloog moet worden betrokken. Dit is in de loop van het na-traject gebeurd. Deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.

5.2.      De klachtonderdelen 3 en 4 zijn eveneens ongegrond. Uit de feiten blijkt dat verweerder is betrokken bij diverse behandelmogelijkheden en in dat kader zo nodig medicatie is voorgeschreven. Verder blijkt uit de feiten dat overleg is geweest met het genderteam en zo nodig -indien daarvoor noodzaak was- in een mdo .

5.3.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden, met dien verstande dat klager met betrekking tot overweging 2.12 heeft bestreden dat een katheter met charrière 20 moeiteloos kon worden ingebracht. Klager verwijst hiervoor naar het operatieverslag van 1 september 2009. Op grond van dit verslag stelt het Centraal Tuchtcollege vast dat tijdens de operatie de urethra met gemak was op te voeren en op te rekken tot aan charrière 20 en dat er een katheter charrière 18  werd achtergelaten, die met weinig moeite kon worden ingebracht.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager is in beroep gekomen tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 14 maart 2017. Met zijn beroep beoogt klager de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. De plastisch chirurg heeft verweer gevoerd. Hij is van mening dat het beroep tevergeefs is voorgesteld en moet worden verworpen.

4.2       Voor zover het beroepschrift nieuwe klachten bevat, vallen deze buiten het bereik van het beroep, omdat in beroep het Centraal Tuchtcollege slechts kan oordelen over die klachten die in het oorspronkelijk klaagschrift aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd.

4.3       Aan het Centraal Tuchtcollege liggen thans in beroep opnieuw de navolgende klachtonderdelen ter beoordeling voor.

1. De plastisch chirurg heeft de operatie zonder uroloog verricht.

2. De plastisch chirurg heeft geen urologisch onderzoek verricht.

3. De plastisch chirurg heeft geen behandelmogelijkheden of medicatie voorgelegd.

4. De plastisch chirurg heeft geen overleg gevoerd in het mdo en genderteam.

4.4       In zijn tussenbeslissing van 15 februari 2018 heeft het Centraal Tuchtcollege overwogen (kort gezegd) dat het onderzoek ter terechtzitting van 9 november 2017 niet volledig is geweest en dat het Centraal Tuchtcollege het geraden acht het onderzoek in de zaak te heropenen en deskundige voorlichting te vragen aan een plastisch chirurg en een uroloog. Deze voorlichting diende te geschieden door beantwoording van de volgende vragen:

1. Heeft de plastisch chirurg bij het uitvoeren van de operaties op

19 november 2008, 17 april 2009 en 1 september 2009 lege artis gehandeld? Wilt u in de beantwoording van deze vraag ook betrekken dat de plastisch chirurg zich bij deze operaties niet liet assisteren door een uroloog.

2. Is de behandeling van klager door de plastisch chirurg in het postoperatieve traject (de nazorg) telkens voldoende zorgvuldig geweest in het licht van de normen die toen in Nederland golden bij een dergelijke nazorg, waarbij in aanmerking genomen wordt dat de plastisch chirurg deel uitmaakte van een multidisciplinair behandelteam (genderteam)? Heeft de plastisch chirurg tijdens dat traject het team voldoende geconsulteerd? Zo nee, wat had een redelijk bekwame en redelijk handelende plastisch chirurg in dit geval naar uw deskundig oordeel moeten doen?

De door het Centraal Tuchtcollege benoemde uroloog

prof. dr. E. heeft op 16 april 2018 een deskundigenrapport uitgebracht waarop beide partijen schriftelijk hebben gereageerd.

4.5       Dit deskundigenrapport houdt met betrekking tot de vragen van het Centraal Tuchtcollege, voor zover hier van belang, het volgende in.

Ad vraag 1 (..)

○ 1e Operatie 19 november 2008 ( metaidoioplastiek met aanleggen van suprapubische verblijfskatheter)

(...)

In urologische richtlijnen van de NVU en EAU zijn geen verwijzingen naar deze ingreep of  … aanwijzingen gevonden, dat een uroloog bij deze ingreep betrokken zou moeten zijn.

In het “advies vergoeding van zorg aan transseksuelen ten laste van de basisverzekering, Zorgcentrum voor Genderdysforie G., Stichting Nederlands V., W., X., februari 2007” wordt weliswaar de betrokkenheid van urologen in het genderteam gesuggereerd, maar het stuk is … niet mede ondertekend door een uroloog.

De internationale consensus over gender uit 2001 van The Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association’s Standards of Care for Gender Identity Disorders, Sixth Version (Journal of Psychology & Human Sexuality 2001;13: 28-19) meldt onder Requirements for the Surgeon Performing Genital Reconstruction:

“The surgeon should be a urologist, gynecologist, plastic surgeon or general surgeon, and Board-Certified as such by a nationally known and reputable association. The surgeon should have specialized competence in genital reconstructive techniques as indicated by documented supervised training with a more experienced surgeon.”

Deze consensus is in 2011 herzien, maar de bewoording wat dit betreft is voor de operatie nagenoeg gelijk gebleven. De expertise van de operateur wordt vooropgesteld als voorwaarde voor genderchirurgie en niet een specifiek specialisme of samenwerking van specialisten. Betrokkenheid van een uroloog was bij het aanleggen van de metadoïoplastiek in 2008 dan ook geen voorwaarde. Het aanleggen van een suprapubische katheter bij de operatie wordt ook door andere specialismen dan de urologie verricht en is niet voorbehouden aan urologen. (..)

○ 2e Operatie (thoraxwandcorrectie bdz en dilatatie van de urethra t/m Ch 21, CAD Ch 18) 17 april 2009

De aanwezigheid/ afwezigheid van een uroloog is geen voorwaarde voor het slagen/ mislukken van de ingreep. Bepalend voor de uitkomst is de gekozen behandeling door de plastisch chirurg of uroloog van de stenose in de urethra (uitvoeren van een urethraplastiek versus dilatatie van de urethra). (..)

○ 3e Operatie (“urethradilatatie t/m Ch 20. CAD Ch 18 achtergebleven. Thv 1e naad geopend en bij palpatie geen vernauwing. Gesloten mbv M 5-0”)  1 september 2009

(...)

Ook nu geldt dat de aanwezigheid van een uroloog geen voorwaarde is voor het slagen/ mislukken van de ingreep, bepalend voor de uitkomst is de gekozen benadering van de stenose in de urethra (urethraplastiek versus dilatatie) door de plastisch chirurg of uroloog. (..)

Ad vraag 2

(...)

Samengevat, overleg heeft plaatsgevonden met leden van het genderteam, maar dit heeft niet geleid tot een aanpassing van de uiteindelijke behandeling van de stenose in de urethra.”

4.6       Waar het gaat om de operaties die door de plastisch chirurg op achtereenvolgens 19 november 2008, 17 april 2009 en op 19 september 2009 zijn verricht, staat vast, dat hij daarbij telkens heeft afgezien van het daarbij betrekken van een uroloog. Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat toentertijd niet ook een uroloog deel uitmaakte van het genderteam van het G.. Reeds dit gegeven is indicatief voor beantwoording van de vraag of in het algemeen ook de inzet van urologische expertise bij metaidoioplastieken als aangewezen werd beschouwd. De deskundige heeft in zijn bericht uiteengezet dat en waarom volgens de toentertijd vigerende (urologische) richtlijnen voor de plastisch chirurg geen gehoudenheid kan worden aangenomen voor het wél betrekken van een uroloog bij die door hem verrichte operaties. Het Centraal Tuchtcollege neemt die uiteenzetting en conclusie over en oordeelt dat aan de plastisch chirurg in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Feiten of omstandigheden die maken dat de plastisch chirurg niettemin tot het (doen) inzetten van urologische expertise had moeten overgaan, zijn niet aannemelijk geworden. Een en ander betekent dat, gelijk het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld, het Centraal Tuchtcollege de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond acht.

4.7       Waar het gaat om de na die operaties door de plastisch chirurg verleende nazorg overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De deskundige heeft in zijn bericht uiteengezet dat, wanneer de plastisch chirurg daarbij wél de deskundigheid van een uroloog zou hebben ingezet – in het bijzonder een uroloog die bekend is met de relatief zeldzame metaidoioplastiek – , die nazorg anders vormgegeven zou kunnen zijn geweest. De plastisch chirurg heeft overleg gehad met andere plastisch chirurgen van het genderteam. De inhoud van de door deze geconsulteerde chirurgen gegeven adviezen waren volgens de deskundige in diens bericht in lijn met de urologische visie. Die adviezen zijn echter volgens de deskundige door de plastisch chirurg niet opgevolgd. Dit laatste wordt echter door de plastisch chirurg gemotiveerd betwist in die zin dat bedoelde adviezen niet aan hem zijn gegeven. Gelet op dit gemotiveerde verweer, waartegen klager onvoldoende heeft ingebracht, kan er niet van worden uitgegaan dat de genoemde adviezen aan de plastisch chirurg zijn gegeven. Wanneer het behandelverloop, met inbegrip van de nazorg, als geheel in ogenschouw wordt genomen verdient opmerking dat in het betrokken tijdvak kennelijk nog niet veel ervaring was opgedaan met de onderhavige problematiek en dat een meer intensieve samenwerking, ook in het nazorgtraject, nog niet aan de orde was. Niettemin is er tijdens het nazorgtraject wel contact geweest met leden van het genderteam van het G.. Alles overziende is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de plastisch chirurg ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de nazorg. Evenals het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege dan ook de klachtonderdelen 3 en 4 ongegrond.

4.8       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager dient te worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; Y.A.J.M. van Kuijck en

R. Veldhuisen, leden-juristen en R.E.F. Huijgen en D.A. Legemate, leden-beroepsgenoten

en R. Blokker, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 29 november 2018.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.