ECLI:NL:TGZCTG:2018:309 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.032
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:309 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-11-2018 |
| Datum publicatie: | 28-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.032 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts, werkzaam in een huisartsenpraktijk. Klaagster verwijt verweerder dat hij tijdens een spreekuurconsult een dreigend herseninfarct heeft gemist. Volgens klaagster waren er al uitvalsverschijnselen en had de arts haar naar het ziekenhuis moeten insturen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft echter niet kunnen vaststellen dat tijdens het consult sprake was van dergelijke alarmsymptomen die de arts tot nadere actie hadden moeten brengen en wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover zij nieuwe klachten naar voren heeft gebracht. Voor het overige wordt het beroep verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.032 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C.,
tegen
D., arts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. B.R. Kleij, advocaat.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 15 februari 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen D. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van
12 december 2017, onder nummer 2017-039, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 november 2018, waar zijn verschenen klaagster, vertegenwoordigd door C. en E., en de arts, in persoon en bijgestaan door
mr. B.R. Kleij. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klaagster , geboren op 31 januari 1949, (hierna ook: patiënte) en bekend met diabetes, hypertensie en te hoog cholesterolgehalte, is op 3 augustus 2010 samen met haar dochter in de huisartsenpraktijk F. te B. geweest. Ze heeft toen het spreekuur van verweerder, haar vaste arts, bezocht. Hierbij heeft patiënte in ieder geval geklaagd over duizeligheid. Verweerder heeft toen geconcludeerd dat er sprake leek te zijn van BPPD (Benigne Paroxismale Positie Duizeligheid), ook wel draaiduizeligheid genoemd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien patiënte op dat moment naar het ziekenhuis te verwijzen, ondanks het verzoek daartoe.
2.2 Het huisartsenjournaal vermeldt over dit consult: “S: Komt met dochter, vindt dat patiënte teveel slikt. Kind van 12 thuis nog, totaal 8 kinderen. Neemt medicatie niet in wordt misselijk van nieuwe antibiotica. O: RR 160/70. E: hoofdpijn. P: Medicatie meenemen, doornemen. Veel stress. Wil opgenomen worden in ZH. E: oor R (….)”
Verweerder heeft oefeningen meegegeven in verband met de duizeligheid en met klaagster de afspraak gemaakt dat ze de volgende dag zou terugkomen om het medicijngebruik te bespreken.
2.3 Later op die dag, in het begin van de avond, is patiënte gezien door een arts van de HAP, met klachten over een zwaar gevoel in arm en been, moeilijk praten en lopen. Deze HAP-arts achtte geen acuut beeld van een CVA aanwezig, heeft het advies gegeven om bij verslechtering te bellen en bij het uitblijven van verbetering de betreffende week, met een tolk, naar de huisarts te gaan.
2.4 Op 4 augustus 2010 rond 8.00 uur heeft de familie van patiënte naar de praktijk van verweerder gebeld met klachten bij het praten en krachtverlies. Verweerder heeft patiënte toen onmiddellijk doorgestuurd naar de neuroloog in het ziekenhuis. Aldaar is geconstateerd dat patiënte een herseninfarct had. Na opname in het ziekenhuis is patiënte overgeplaatst naar een verpleegtehuis voor (verdere) revalidatie. Patiënte zit thans in een rolstoel. Het rechter deel van haar lichaam is verlamd. Zij is van huisarts veranderd.
3. De klacht
Klaagster verwijt verweerder, zakelijk weergegeven, dat hij het (dreigend) herseninfarct heeft gemist, gelet op de (uitvals)verschijnselen bij het spreekuurcontact van 3 augustus 2010, en dat hij patiënte toen al had moeten insturen naar het ziekenhuis.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Tussen partijen bestaat er verschil van mening over de aard van de klachten bij het spreekuur van de ochtend 3 augustus 2010. Volgens de arts klaagde patiënte over duizeligheid, hoofdpijn en stress, kwam patiënte lopend de spreekkamer binnen, kon ze zelfstandig op de stoel (zonder leuningen) zitten en heeft patiënte op een heldere en duidelijke manier met verweerder gesproken, in het bijzijn van haar dochter. Volgens de klacht, zoals geformuleerd bij het verhoor in het vooronderzoek en later ter zitting, betroffen de klachten toen al het moeilijk kunnen bewegen en het niet uit haar woorden kunnen komen. Patiënte en haar dochter hebben op het spreekuur naar hun zeggen duidelijk aangegeven dat patiënte naar het ziekenhuis moest worden verwezen. Bovendien viel patiënte bijna toen ze opstond om de spreekkamer te verlaten, aldus nog steeds de klacht.
5.2 Mochten bij het spreekuur van 3 augustus 2010 de door klaagster beschreven klachten zich hebben voorgedaan, dan waren dit alarmsymptomen geweest die de arts tot nadere actie (doorsturen naar het ziekenhuis op verdenking van CVA) hadden moeten brengen. Het college heeft echter niet kunnen vaststellen dat hiervan toen sprake was. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Bovendien wijst het college er op dat in het verslag van de SEH van 4 augustus 2010 door de neuroloog als anamnese (via de zoon van klaagster) is vastgelegd dat de dag ervóór om 20.00 uur sprake was van uitval rechts en moeite met praten. Dit ondersteunt de lezing van verweerder dat deze verschijnselen bij het spreekuur in de ochtend van 3 augustus 2010 niet aanwezig waren.
5.3 De verschijnselen, die verweerder naar zijn zeggen heeft geconstateerd en ook heeft vastgelegd in het huisartsenjournaal, noodzaakten niet tot het onmiddellijk insturen van klaagster. Het verzoek daartoe van klaagster maakt dit niet anders. Hier komt bij dat verweerder wel gepaste maatregelen heeft genomen om de door hem geconstateerde klachten, met name over de medicatie, nader te onderzoeken.
5.4 Het komt er kortom op neer dat niet is komen vast te staan dat er op 3 augustus 2010 bij het spreekuur bij verweerder al aanwijzingen voor een dreigend herseninfarct aanwezig waren. Dit betekent dat de klacht als ongegrond moet worden afgewezen.
5.5 Los van het voorgaande heeft het college ter zitting nog aandacht besteed aan het feit dat verweerder als huisarts optreedt hoewel hij slechts basisarts is. Verweerder heeft hierop gereageerd door aan te voeren dat hij onder supervisie werkt, dat hij de huisartsenopleiding tussentijds heeft moeten afbreken omdat een huisarts in de praktijk uitviel en dat hij van plan is de huisartsenopleiding voort te zetten. Hoe dit ook zij, het college acht het gewenst dat verweerder zijn huisartsenopleiding zo spoedig mogelijk afrondt, temeer nu het voor het college niet voldoende duidelijk is geworden waaruit de gestelde supervisie concreet bestaat.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 In beroep kan het Centraal Tuchtcollege slechts oordelen over die klachten die in het oorspronkelijk klaagschrift aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover klaagster in beroep nieuwe klachten tegen de arts naar voren heeft gebracht, zal het Centraal Tuchtcollege klaagster daarin niet-ontvankelijk verklaren.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde schriftelijke en mondelinge debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2018 is dat debat voortgezet.
4.5 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen 5.1 tot en met 5.4 en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over de klachten van klaagster en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Dit betekent dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover zij nieuwe klachten heeft geformuleerd;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, J. Legemaate en
M.W. Zandbergen, leden-juristen en M. van Bergeijk en W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten en
E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.