ECLI:NL:TGZCTG:2018:288 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.090
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:288 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-11-2018 |
| Datum publicatie: | 08-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2018.090 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een dermatoloog. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager deels niet-ontvankelijk in zijn beroep vanwege voor het eerst in beroep geformuleerde klachten en verwerpt het beroep voor het overige. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.090 van:
A. wonend te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: voorheen mr. L.M. Lalji, werkzaam te Amsterdam
tegen
Q., dermatoloog, werkzaam te R., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven, werkzaam te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna: klager - heeft op 23 mei 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen Q. - hierna: de dermatoloog - een klacht ingediend. Laatstgenoemd College heeft de stukken op grond van artikel 3 lid 5 Tuchtrechtbesluit BIG met het oog op de wenselijkheid van een gezamenlijke behandeling met andere klachten doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag.
Bij beslissing van 2 januari 2018 onder nummer 2017-132c heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De dermatoloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Klager heeft op 12 september 2018 nog twee e-mailberichten aan het Centraal Tuchtcollege gezonden waarin hij om aanhouding verzoekt, aankondigt een bandopname te willen laten horen ter terechtzitting en enkele getuigen te willen horen. De secretaris van het Centraal Tuchtcollege heeft hierop gereageerd bij brief van 14 september 2018.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaken C2018.088, C2018.089, C2018.091 en C2018.092 ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 september 2018. Klager, de dermatoloog en de gemachtigde van de dermatoloog zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager, geboren op 1 oktober 1954, is in april 2007 naar zijn toenmalige huisarts gegaan wegens klachten aan de nagels. Volgens de huisarts had klager een schimmel aan de linker wijsvinger tussen de nagel. Hiervoor schreef de huisarts het medicijn, anti-schimmelmiddel Trisporal voor.
2.2 Klager is bij verschillende dermatologen op consult geweest in het F. en het I..
2.3 Verweerster was van oktober 2007 tot februari 2011 als arts in opleiding tot dermatoloog bij de afdeling dermatologie in het I. werkzaam. Zij werkte onder begeleiding van dermatoloog, de heer M..
2.4 Op 28 oktober 2008 kwam klager op het consult bij verweerster. Tijdens dit consult hebben zij uitgebreid gesproken over de klachten en heeft zij overleg gehad met haar supervisor mevrouw S.. Zij heeft naar aanleiding daarvan contact gehad met de heer K., specialist in nagelziekten, werkzaam te T.. De werkdiagnose was op dat moment lichen planus.
2.5 Verweerster heeft de medische situatie van klager vervolgens in een collegiaal overleg binnen het I. (de diakliniek) besproken. Naar aanleiding van dit overleg heeft verweerster met klager op 12 november 2008 de mogelijkheden besproken om ofwel een nieuw nagelbiopt af te nemen, ofwel klager door te verwijzen naar de heer U., een andere specialist in nagelziekten in het J.-Ziekenhuis te R.. Klager koos voor de doorverwijzing naar U..
2.6 Op 20 november 2008 heeft de afspraak met U. plaatsgevonden. De heer P. (verweerder in 2017-132e) heeft het dossier op verzoek van klager naar U. verzonden. De verwijsbrief heeft verweerster op 4 december 2008 naar U. toegezonden.
2.7 Op 14 juli 2009 heeft klager zijn ongenoegen geuit in een gesprek met verweerster. Verweerster heeft in dit gesprek aangegeven dat er in het I. geen behandelmogelijkheden meer zijn. Zij heeft vervolgens op verzoek van klager de informatie van U. (brief van 9 juni 2009) opgenomen in zijn medisch dossier.
2.8 Verweerster heeft klager hierna niet meer gezien.
3. De klacht
Klager verwijt verweerster – zakelijk weergegeven – dat zij:
a) haar beroepsgeheim heeft geschonden doordat er een mogelijkheid was dat verweerster zonder toestemming medische gegevens uit het EPD naar het I. heeft doorgesluisd;
b) een onjuiste diagnose heeft gesteld tijdens het consult van 28 oktober 2008;
c) een verkeerde behandeling heeft ingezet door de behandelmethoden zoals genoemd door K. niet mee te overwegen ofwel dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om de suggesties van K. nader te onderzoeken;
d) een onjuiste verklaring heeft afgegeven in de brief van 4 december 2008 aan U.;
e) onjuiste informatie heeft verstrekt door te zeggen dat het medisch dossier aan U. toegezonden zou worden.
De in het klaagschrift genoemde klacht dat klager verweerster nooit heeft ontmoet, is tijdens het mondeling vooronderzoek komen te vervallen.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Klager stelt dat er een mogelijkheid was dat verweerster zonder toestemming van klager medische gegevens uit het EPD naar het I. heeft doorgesluisd. Verweerster betwist dit. Het klachtonderdeel mist feitelijke grondslag, zodat het College klachtonderdeel a ongegrond verklaart.
5.2 De klachtonderdelen b, c en d zullen gezamenlijk worden behandeld.
Verweerster heeft in overleg met haar supervisor(en) de (werk)diagnose gesteld en het beleid uitgezet. Zij heeft daarbij advies gevraagd aan een specialist in nagelziekten, de heer K.. K. heeft meerdere behandelmethoden aangedragen en kon zich in de door verweerster gestelde werkdiagnose vinden. Zij heeft de casus van klager besproken in de diakliniek en klager vervolgens twee mogelijkheden voorgehouden, namelijk het afnemen van een nagelbiopt voor nader onderzoek of een doorverwijzing naar een andere specialist in nagelziekten (de heer U.). Omdat klager koos voor de doorverwijzing, heeft zij klager doorverwezen naar U. en dit vermeld in de verwijsbrief van 4 december 2008.
Nu klager koos voor doorverwijzing naar de nagelspecialist, was er voor verweerster geen eigen behandelplan aan de orde. Zij heeft via een verwijsbrief U. geïnformeerd. Het bericht bevatte de anamnese, het (lichamelijk) onderzoek, de diagnose, de conclusie en het beleid. De verwijsbrief is hiermee in overeenstemming met de KNMG-Richtlijn Omgaan met medische gegevens. Het College ziet geen onjuistheid in de verwijsbrief. Noch bij het handelen van verweerder noch bij de verslaglegging is er sprake van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. De klachtonderdelen b, c en d zijn ongegrond.
5.3 Het College begrijpt dat er onduidelijkheid bestaat over het wel of niet meegeven van het medisch dossier aan klager of het wel of niet toesturen van het medisch dossier aan U. door verweerster. Partijen verschillen hierin van mening. Hoe dit ook zij, nu dermatoloog P. het dossier op eerste verzoek (alsnog) direct heeft gestuurd, is geen tuchtnorm geschonden. Het College kan niet uitmaken hoe een en ander is gegaan. Klachtonderdeel e is ongegrond.
Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van zijn beroep.
4.2 De dermatoloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 In beroep kan het Centraal Tuchtcollege slechts oordelen over die klachten die in het oorspronkelijk klaagschrift aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Het Centraal Tuchtcollege zal klager in zoverre in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde schriftelijke en mondelinge debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 september 2018 is dat debat voortgezet.
Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding de door klager voorgestelde getuigen te horen. Deze getuigen K., L. en M. kunnen uit eigen wetenschap niets over het consult in oktober 2008 verklaren omdat zij daarbij niet aanwezig zijn geweest. De dermatoloog heeft K. geraadpleegd over de medische situatie van klager. Uit het dossier blijkt voldoende wat K. hierover heeft verklaard. Voor zover klager bedoelt deze getuigen als deskundigen te horen acht het Centraal Tuchtcollege dit voor de beoordeling van de zaak niet noodzakelijk omdat het zaaksdossier voldoende gedocumenteerd is en het Centraal Tuchtcollege zich voldoende voorgelicht acht.
4.6 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat klager deels niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beroep en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-onvankelijk in zijn beroep voor zover hij nieuwe klachten heeft geformuleerd;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en
A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en F.M.M. van Exter en R. Willemze, leden-beroepsgenoten en M.W. van Beek, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2018.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.