Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2018:170
Datum uitspraak:
19-11-2018
Datum publicatie:
21-11-2018
Zaaknummer(s):
18-346/DB/ZWB
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntBeleidsvrijheid Zorg voor de cliëntFinanciën Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Niet komen vast te staan dat advocaat onjuiste verwachtingen heeft gewekt. Op grond van een door klaagster overgelegde getuigenverklaring is voldoende aannemelijk geworden dat een voorschotbetaling van €3.000,- is afgesproken. Klaagster heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd noch bewijs daarvan overgelegd waaruit blijkt dat  de betaling van €3.000,- op basis van een fixed fee afspraak is gedaan.Nu klaagster zich pas 11 maanden na de overdracht van een zaak door de advocaat aan zijn kantoorgenote hierover beklaagd, is het niet aannemelijk dat de zaak zonder overleg met klaagster is overgedragen.Klacht ongegrond

Zeeland-West-Brabant

 

 

 

 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch

van 19 november 2018

in de zaak 18-346/DB/ZWB

 

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

tegen:

 

verweerder

 

 

 

 

 

1         Verloop van de procedure

 

1.1     Bij brief van 2 oktober 2017 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een klacht ingediend tegen verweerder.

 

1.2     Per e-mail van 7 mei 2018 aan de raadmet kenmerk K17-109,heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissementZeeland-West-Brabantde klacht ter kennis van de raad gebracht.

 

1.3     De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 8 oktober 2018 in aanwezigheid van klaagster, de echtgenoot van klaagster en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

 

1.4     De raad heeft kennis genomen van:

-                 de email van de deken van 7 mei 2018, met bijlagen

 

 

2         FEITEN

 

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

 

2.1     Klaagster heeft op 12 oktober 2016 aan verweerder verzocht de behandeling van een strafzaak van haar toenmalige advocaat mr. B over te nemen. Verweerder heeft tijdens een gesprek op 20 oktober 2016 met de echtgenoot van klaagster en een vriend van de familie, de heer R., (financiële) afspraken gemaakt, op grond waarvan hij bereid was de strafzaak van mr. B. over te nemen. Verweerder heeft in een opdrachtbevestiging schriftelijk vastgelegd dat hij niet bereid was om de zaak op basis van een toevoeging te behandelen, dat hij op betalende basis zou optreden en dat een bedrag van € 3.000,- aan voorschot  diende te worden betaald.

 

2.2     Verweerder heeft op 28 oktober 2016 een factuur ad € 962,38 aan klaagster toegezonden voor zijn werkzaamheden in de periode van 13 – 25 oktober 2016. In deze factuur is een bedrag van € 1.000,- onbelast voorschot verrekend.

 

2.3     Op 21 november 2016 heeft een kantoorgenote van verweerder de zaak van verweerder op basis van een toevoeging overgenomen.

 

 

3         KLACHT

 

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

1.   verweerder bij aanvang van de zaak verkeerde verwachtingen heeft gewekt;

2.   verweerder zich niet heeft gehouden aan de financiële afspraken;

3.   verweerder de zaak niet zelf heeft behandeld

 

Klaagster heeft ter toelichting op de klacht het volgende naar voren gebracht:

 

3.2    Verweerder heeft gezegd dat klaagster voor Kerst 2016 uit voorlopige hechtenis zou zijn ontslagen. Dat heeft pas eind 2017 plaatsgevonden.

 

3.3     Er sprake is van dubbele betaling. Klaagster heeft op basis van een fixed fee afspraak € 3.000,- aan verweerder voldaan en de kantoorgenote van verweerder heeft voor haar werkzaamheden een toevoeging aangevraagd.

 

3.3     Klaagster heeft verweerder slechts een maal gesproken in de PI. Hij heeft niets voor klaagster gedaan. Klaagster heeft verweerder herhaaldelijk geschreven dat zij haar geld terug wilde, omdat verweerder niets voor haar heeft gedaan.

 

3.4     Verweerder heeft de zaak niet zelf behandeld, maar zich door een minder gekwalificeerde kantoorgenoot laten vervangen. Verweerder heeft geen overleg met klaagster gevoerd over de overdracht van het dossier.

 

 

4         VERWEER

 

4.1     Verweerder betwist verkeerde verwachtingen te hebben gewekt. Verweerder kon geen belofte doen over de vrijlating van klaagster. Hij kende de zaak toen nog niet en beschikte nog niet over het dossier. Het is juist dat over de mogelijkheid van schorsing van de voorlopige hechtenis is gesproken. Verweerder kan dit echter niet garanderen. Verweerder heeft enkel gezegd dat hij – in tegenstelling tot de voorgaande advocaat van klaagster- tegen de laatste afwijzing van de schorsing appel zou hebben ingesteld. Verweerder heeft klaagster tijdens de ‘schorsingszitting’ niet meer kunnen bijstaan, omdat klaagster haar financiële verplichtingen niet was nagekomen.

 

4.2     Verweerder heeft expliciet gezegd dat hij de zaak alleen op betalende basis zou behandelen en dat er een voorschot van € 3.000,- diende te worden betaald. Dit staat in de opdrachtbevestiging die is ondertekend door de echtgenoot van klaagster en een familievriend dhr. R. Omdat bij de eerste nota door de echtgenoot van klaagster te kennen werd gegeven dat de financiële afspraken niet zouden worden nagekomen, is afgesproken dat verweerder zijn werkzaamheden zou afronden voor het bedrag van € 3.000,-. De laatste werkzaamheden van verweerder zouden een bezoek aan klaagster in de PI zijn, waaraan verweerder heeft voldaan. Daarna heeft verweerder in overleg met en met instemming van klaagster de zaak overgedragen aan zijn kantoorgenote, die wel bereid was de zaak verder op basis van een (mutatie van de aan de voorgaande advocaat verstrekte) toevoeging te behandelen. Dit was op 21 november 2016, drie maanden voor de inhoudelijke zittingsdatum. Verweerder is er van af het begin helder over geweest dat hij niet bereid was de zaak op basis van een toevoeging te behandelen.

 

4.3     Er is geen sprake van dubbel declareren. De uren van verweerder zijn op betalende basis in rekening gebracht en de uren van de kantoorgenote van verweerder op toevoegingsbasis.

 

4.4     Verweerder heeft de behandeling van de zaak overgedragen aan zijn kantoorgenote. Klaagster heeft hiermee ingestemd en hier ook niet eerder dan in oktober 2017 bezwaar tegen gemaakt

 

 

5         BEOORDELING

 

Ad onderdeel 1

 

5.1     Met het eerste onderdeel van de klacht verwijt klaagster verweerder dat hij tijdens het gesprek met haar echtgenoot en de heer R. onjuiste verwachtingen heeft gewekt door te stellen dat klaagster voor kerst 2016 thuis zou zijn. Verweerder betwist deze uitspraak te hebben gedaan. Verweerder heeft ten overstaan van de raad verklaard dat hij heeft toegezegd te proberen klaagster zo spoedig mogelijk vrij te krijgen, waarbij het kan zijn dat daarbij op kerst georiënteerd is, maar dat hij geen garantie heeft gegeven dat klaagster voor kerst weer thuis zou zijn. Verweerder stelt een dergelijke garantie ook niet te hebben kunnen geven omdat hij de zaak op dat moment nog niet kende en nog niet over het dossier beschikte.

 

5.2     Vast staat dat de standpunten van klaagster en verweerder over hetgeen tijdens het gesprek van 20 oktober 2016 is besproken lijnrecht tegenover elkaar staan.In dergelijke gevallen, waarin de lezingen van partijen omtrent de inhoud van een onderdeel van de klacht uiteen lopen en waarin niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan dat klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan het woord van verweerder maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld eerst voldoende aannemelijk moet zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat nu is ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht niet het geval, op grond waarvan de raad het eerste onderdeel van de klacht ongegrond zal verklaren.

 

Ad onderdeel 2

 

5.3     Het tweede onderdeel van de klacht heeft betrekking op de nakoming van de financiële afspraken. Klaagster stelt dat tijdens het gesprek op 20 oktober 2016 is afgesproken dat verweerder voor een bedrag van € 3.000,- de strafzaak van klaagster zou behandelen (fixed fee). Verweerder stelt daartegenover dat is afgesproken dat een bedrag van € 3.000,- als voorschot zou worden betaald. Verweerder verwijst naar de door hem in de opdrachtbevestiging vastgelegde financiële afspraken.

 

5.4     Het staat een advocaat vrij om, indien een cliënt in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, de cliënt een uurtarief in rekening te brengen. Wel dient de advocaat de cliënt te wijzen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand. Indien de cliënt, ondanks de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand, zich akkoord verklaard met rechtsbijstand op betalende basis dient de advocaat dit, om misverstanden te voorkomen, schriftelijk vast te leggen.

 

5.5     Verweerder stelt dat hij vanaf het begin te kennen heeft gegeven dat hij, hoewel klaagster recht had op (voortzetting van) gefinancierde rechtsbijstand, niet bereid was de strafzaak op basis van de toevoeging van de toenmalige advocaat van klaagster over te nemen. Dit wordt door klaagster niet betwist en blijkt voorts uit de opdrachtbevestiging en de verklaring van de heer R, zodat de raad hiervan uitgaat.

 

5.6     Partijen verschillen van mening over de aard van de betaling van het bedrag van €3.000,- voorschot of fixed fee- en of de opdrachtbevestiging al dan niet door de echtgenoot van klaagster is ondertekend. De raad stelt vast dat uit de verklaring van de heer R, die door klaagster bij repliek aan de deken is toegezonden, blijkt dat tussen partijen is afgesproken dat het bedrag als voorschot diende te worden betaald. De heer R. schreef in zijn verklaring immers onder meer het volgende: “Daarentegen konden van hem na de 1e betaling van 3000 euro (…..)”. Hoewel de echtgenoot van klaagster betwist de opdrachtbevestiging, waarin staat vermeld dat een voorschot van € 3.000,- diende te worden betaald, te hebben ondertekend, maakt de verklaring van de heer R. dat er sprake was van een eerste betaling van € 3.000,- voldoende aannemelijk dat tussen partijen is afgesproken dat het bedrag van € 3.000,- als voorschot diende te worden betaald. Klaagster heeft daarentegen geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht  noch bewijs daarvan overlegd waaruit blijkt dat het bedrag van € 3.000,- als fixed fee was betaald. De raad acht op grond van het bovenstaande voldoende aannemelijk dat de echtgenoot van klaagster namens klaagster akkoord is gegaan met de betaling van een uurtarief van € 150,- en een voorschotbetaling van € 3.000,-. Het stond verweerder vrij om een tussentijdse declaratie te sturen, met verrekening van een (gedeelte) van het betaalde voorschot. Het stond verweerder, toen bleek dat klaagster niet langer bereid was om voor de werkzaamheden van verweerder te betalen, eveneens vrij zijn werkzaamheden te beëindigen en de zaak aan zijn kantoorgenote over te dragen, die wel bereid was om de zaak op basis van de toevoeging te behandelen. Verweerder is betaald voor de uren die hij aan de stafzaak heeft besteed. Daarna is de voorheen aan de voormalige advocaat van klaagster verleende toevoeging gemuteerd en heeft de kantoorgenote van verweerder op basis van de aan haar overgedragen toevoeging haar werkzaamheden verricht. Nu niet is komen vast te staan dat verweerder in strijd met gemaakte financiële afspraken heeft gehandeld, valt verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het tweede onderdeel van de klacht is ongegrond.

 

Ad onderdeel 3

 

5.7     Ook ten aanzien van het derde onderdeel van de klacht geldt dat de standpunten van partijen tegenover elkaar staan. Verweerder stelt dat hij de zaak in overleg met en instemming van klaagster heeft overgedragen, terwijl klaagster stelt dat hij de zaak zonder overleg met haar heeft overgedragen. De raad acht, gelet op het feit dat de kantoorgenote van verweerder klaagster reeds vanaf 21 november 2016 heeft bijgestaan en klaagster zich hierover pas op 2 oktober 2017 heeft beklaagd, het niet aannemelijk dat verweerder de zaak zonder overleg met klaagster heeft overgedragen. De raad zal het derde onderdeel eveneens ongegrond verklaren.







 

BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

 

verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond;

 

 

 

Aldus beslist door mr.A.G.M. Zander, voorzitter, mrs.R. vd Dungen H.C.M. Schaeken, leden, bijgestaan door mr.I.J.M. Huysmans-van Opstalals griffier en uitgesprokenin het openbaar op 19 november 2018.

 

 

Griffier                                                                 Voorzitter

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens