Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2018:182
Datum uitspraak:
30-07-2018
Datum publicatie:
03-09-2018
Zaaknummer(s):
18-060
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
De klacht betreft het optreden van verweerder als deken bij de instructie van een klacht en bij de behandeling van een daarmee samenhangende ambtshalve klacht tegen klager bij de raad Den Bosch. Klager verwijt de deken dat hij zich niet onpartijdig boven de partijen heeft gesteld maar is gaan meeprocederen met klagers. De raad overweegt naar aanleiding van de diverse klachtonderdelen als volgt. De deken heeft het commentaar van klager beoordeeld en deze beoordeling heeft geen wijziging in zijn dekenstandpunt gebracht. Het commentaar heeft de deken bij het klachtdossier gevoegd. Daarmee kon hij volstaan. De deken heeft het begrip onbetrouwbaar gebruikt om het gedrag van klager te duiden en daarmee de onverbeterlijkheid van het gedrag van klager willen benadrukken. Het behoorde tot de taak van de deken zijn dekenbezwaar zo helder en volledig mogelijk voor het voetlicht te brengen. Niet is komen vast te staan dat de deken daarmee de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden. De deken heeft op basis van zijn toetsingskader een afweging mogen en moeten maken en is tot slotsom gekomen dat een bepaalde klacht die na het dekenbezwaar is ingediend bij de ambtshalve klacht moest worden meegenomen. Dit behoort tot de taak van de deken en daarbij heeft de deken gehandeld binnen de marges van de aan hem verleende vrijheid. De raad ziet niet in dat het voor een deken niet passend is om de woorden “herhaald en ingelast/tot de zijne maken” te gebruiken omdat hij zich daardoor (aldus de klacht) aan de zijde van één van de partijen in de klachtzaak zou scharen. Het overnemen van dergelijke woorden maakt iemand nog niet tot  instrument van de persoon waarvan hij de woorden overneemt. Klacht ongegrond.

Midden-Nederland

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 30 juli 2018

in de zaak 18-060

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

tegen

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 22 mei 2017 heeft klager een klacht ingediend over verweerder. Bij beslissing van 23 mei 2017 heeft het hof van discipline op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 van de Advocatenwet de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland voor het onderzoek van deze klacht aangewezen.

1.2    Bij brief aan de raad van 8 januari 2018 met kenmerk 17-0169/FH/sd door de raad ontvangen op 8 januari 2018, heeft laatst genoemde deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 14 mei 2018 in aanwezigheid van klager, bijgestaan door mr. K., advocaat te Zutphen en verweerder bijgestaan door mevrouw M., adjunct-secretaris van de Orde van Advocaten in het Arrondissement ’s-Hertogenbosch. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2    De klacht betreft het optreden van verweerder als deken bij de instructie van een klacht van de gemeente A, hierna: de gemeente, tegen klager en van twee advocaten van de gemeente namens de gemeente en zichzelf en bij de behandeling van een daarmee samenhangende ambtshalve klacht tegen klager bij de raad van discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, hierna: de raad Den Bosch.

2.3    Bij brief van 22 september 2016, aangevuld bij brief d.d. 14 november 2016, heeft verweerder bij de raad Den Bosch de ambtshalve klacht ingediend.

2.4    Hij deed dit naar aanleiding van een brief van de gemeente A. van 23 september 2015 waarin diverse klachten tegen klager zijn verwoord. Het klachtdossier van de gemeente behelst een groot aantal pagina’s. In de brief van 22 september 2016 heeft de deken naar de inhoud daarvan verwezen en aangegeven dat de inhoud als in zijn brief herhaald en ingelast moest worden beschouwd en dat hij de klachten van de gemeente tot de zijne maakte.

2.5    Bij brief van 9 juni 2016 heeft verweerder in de klachtzaak van de gemeente een dekenstandpunt ingenomen.

2.6    Nadat klager voor de laatste maal op de klachten van de gemeente had gereageerd en de zaak ten behoeve van het innemen van een dekenstandpunt was voorgelegd is bij brief van 19 april 2016 met bijlagen nog een nadere klacht van een advocaat van de gemeente (mr. H) namens de gemeente ontvangen. In de brief van 22 september 2016 wordt vermeld dat besloten is om geen re- en dupliek toe te passen. Verweerder heeft deze klacht bij zijn ambtshalve klacht betrokken. De klacht is door mr. H niet doorgezet.

2.7    De klacht van mr. H had als onderwerp dat klager zich ten onrechte presenteerde als vertegenwoordiger van de heer V die met de gemeente in een juridische strijd verwikkeld was waarin zich reeds een andere gemachtigde (mr. M) had gemeld, waarmee de gemeente in onderhandeling was. Op zijn beurt had klager mr. M van valsheid in geschrifte beticht. In een brief van 27 juli 2016 heeft de advocaat van klager aangegeven dat klager oorspronkelijk zijn aantijgingen had gedaan omdat de heer V (een trouwe cliënt) hem had verzekerd de schriftelijke volmacht waarbij mr. M gemachtigd werd, niet te hebben ondertekend. Achteraf  was klager (aldus de brief) echter gebleken dat zijn aantijgingen onjuist waren en dat mr. M wel gemachtigd was.

2.8    Bij brief van 23 juli 2016 zijn nog een groot aantal klachten van een andere advocaat van de gemeente (mr. S) tegen klager ontvangen, die de advocaat namens zichzelf had ingediend. Bij brief van 16 september 2016 heeft verweerder ook ter zake deze klachten een dekenstandpunt ingenomen waarna mr. S heeft aangegeven geen doorzending van het klachtdossier naar de raad te verlangen.

Ook de klacht van mr. S heeft verweerder bij zijn ambtshalve klacht betrokken. In de brief van 14 november 2016 aan de raad Den Bosch heeft verweerder aangegeven dat de inhoud van de van mr. S afkomstige klachten als in deze brief woordelijk herhaald en ingelast moesten worden beschouwd.

2.9    Bij brief van 27 juli 2016 heeft de raadsman van klager aan mr. S laten weten dat klager had besloten niet langer als advocaat of anderszins in zaken tegen de gemeente op te treden.

2.10    In zijn brief aan de raad Den Bosch van 22 september 2016 heeft verweerder het volgende geschreven:

“ [Klager] doet het voorkomen alsof hij spijt heeft van zijn uitlatingen en suggereert dat indien hij beseft zou hebben dat zijn bewoordingen en zijn mededelingen de gevolgen zouden hebben, die deze uiteindelijk teweeg hebben gebracht, hij zeker tot heroverweging van zijn woordkeuze en zijn handelen zou zijn overgegaan. In feite erkent [klager] het onbetamelijke gedrag en zegt hij toe zich in de toekomst niet meer hieraan te bezondigen. Het tegendeel is echter waar. Verweerder recidiveert; hij maakt zich wederom meerdere malen schuldig aan soortgelijk, onbetamelijk gedrag.”

2.11    In een uitspraak van 9 september 2013 van de raad Den Bosch ((325-2012) zijn soortgelijke klachten tegen klager gegrond verklaard met oplegging van een sanctie.

2.12    Begin 2017 is op de ambtshalve klacht tegen klager beslist. Het dekenbezwaar is gehonoreerd. Aan klager is een schorsing opgelegd. De beslissing is onherroepelijk.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zich als deken in verschillende klachtprocedures waarbij klager verweerder was niet onpartijdig boven de partijen te stellen maar is gaan meeprocederen met klagers. Meer in het bijzonder beklaagt klager zich over het volgende:

a)    verweerder heeft de reacties van klager op het concept-dekenbezwaar van 2 augustus 2016 niet gewaardeerd, doch heeft volstaan met de opmerking dat de reacties geen aanleiding hadden gegeven van het voorgenomen dekenbezwaar af te zien,

b)    in het dekenbezwaar van 22 september 2016 stelt verweerder ten onrechte dat klager na ontvangst van het dekenstandpunt er geen blijk van heeft gegeven lering te hebben getrokken uit de situatie. Verweerder gaat er geheel aan voorbij dat klager 1) inmiddels wel degelijk tot het inzicht is gekomen dat hij zich teveel door zijn cliënten en het door hem ervaren onrecht heeft laten meeslepen in acties tegen en rond de gemeente Aalburg en 2) aan dat inzicht inmiddels acties heeft verbonden,

c)    in het dekenbezwaar van 22 september 2016 stelt verweerder dat klager het (slechts) doet voorkomen alsof hij spijt heeft van zijn uitlatingen en (slechts) suggereert dat besef hem tot heroverweging heeft geleid. Deze stellingen van verweerder zijn in de eerste plaats niet concludent, maar bovendien formuleert verweerder op deze wijze een stelling omtrent intrinsieke onbetrouwbaarheid van klager en daarmee gaat verweerder - ook de vrijheid van een deken in aanmerking genomen - veel te ver,

d)    klager stelt dat verweerder de klacht van mr. H namens de gemeente als dekenbezwaar heeft geformuleerd, niet omdat hij een serieus bezwaar zag, maar omdat verweerder zulks aan mr. H had toegezegd,

e)    met de klacht van mr. H is verweerder als deken volstrekt onvoldoende netjes omgegaan. Het past een deken absoluut niet om een qua feiten relatief eenvoudige maar qua verwijt zeer ernstige klacht (optreden zonder machtiging) die gedocumenteerd en duidelijk is weersproken, als dekenbezwaar te formuleren,

f)    zowel in de ambtshalve klacht van 22 september 2016 als in de ambtshalve klacht van 14 november 2016 stelt verweerder dat de klachten (van respectievelijk de gemeente en mr. S) in zijn dekenbezwaar als “hier herhaald en ingelast/tot de zijne gemaakt” moeten worden beschouwd. Het is voor een deken niet passend om zonder distantie de woorden van een klager tot de zijne te maken.

 

4    VERWEER

Ad klachtonderdeel a)

4.1    Verweerder heeft inderdaad aangegeven dat de door klager ingediende reactie op het concept-dekenbezwaar hem geen aanleiding heeft gegeven om af te zien van het voorgenomen dekenbezwaar. Wél zijn de reacties van klager bij het dekenbezwaar gevoegd en als zodanig ook aan de raad voorgelegd. Er bestaat geen wettelijke verplichting voor verweerder om reacties op een voorgenomen dekenbezwaar in het definitief aan te bieden dekenbezwaar te verwerken.

Ad klachtonderdeel b)

4.2    Verweerder betwist dat hij geen aandacht had voor positieve zaken. Eén onderdeel van de ambtshalve klacht betreffende de kantoororganisatie is ingetrokken. Uit een kantoorbezoek aan klager voorafgaande aan de behandeling van de ambtshalve klacht door een vertegenwoordiger van de Raad van de Orde bleek dat op orde te zijn. Daarvan heeft verweerder ter zitting ook melding gemaakt.

Ad klachtonderdeel c)

4.3    Klager heeft zich in zaken tegen de gemeente teveel met zijn cliënten  vereenzelvigd waardoor de in acht te nemen professionele distantie teveel door klager uit het oog werd verloren. Dit klemt temeer nu deze kwestie in de eerdere klachtprocedure bij de raad Den Bosch in 2013 ook reeds aan de orde was gekomen. In zijn pleitaantekeningen voor de zitting van 27 mei 2013 schrijft klager dat hij na uitvoerige zelfreflectie en klankbordgesprekken met collega’s en derden oprecht kan zeggen dat hij dergelijke fouten in de toekomst niet meer zal maken. Deze woorden staan in schril contrast met de daaropvolgende gedragingen die uiteindelijk hebben geleid tot de beslissing van de raad Den Bosch van begin 2017. Verweerder erkent over onbetrouwbaarheid te hebben gesproken. Maar daar bestond ook aanleiding voor, aldus verweerder.

Ad klachtonderdeel d)

4.4    Verweerder heeft in het dekenstandpunt van 9 juni 2016 uitgelegd waarom de aanvullende klacht van mr. H niet meer in dat dekenstandpunt was betrokken, namelijk omdat om puur praktische redenen was afgesproken dat de klacht van mr. H door verweerder zou worden overgenomen en in het dekenbezwaar zou worden verwerkt.

Ad klachtonderdeel e)

4.5    Verweerder had oorspronkelijk ten aanzien van de klacht van mr. H een voorbehoud gemaakt. Het was echter juist klager die ogenblikkelijk mr. M van valsheid in geschrifte had beticht (wat hij later heeft teruggenomen) en zijn visie op het gebeurde had gegeven. Klager had dus reeds in de kwestie waarover door mr. H werd geklaagd een standpunt ingenomen en dat is meegenomen in het dossier dat aan de raad Den Bosch is voorgelegd.

Ad klachtonderdeel f)

4.6    De desbetreffende woorden zijn gebruikt om de ambtshalve klacht van verweerder op een praktische wijze aan de raad te presenteren. Een deel van de klachten van de gemeente zouden tot niet-ontvankelijkheid leiden omdat deze gebaseerd waren op het algemeen belang waarover de gemeente niet kon klagen. Dat is de reden geweest om die onderdelen van de klacht tot ambtshalve klacht te maken. Het algemeen belang was er mee gediend dat ook die klachten tot een inhoudelijk oordeel van de tuchtrechter zouden leiden.

 

5    BEOORDELING

5.1    Verweerder is deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, heeft voor hem het advocatenrecht (ten volle) te gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waaraan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van die functie op de punten die in dit geding aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

5.2    De inhoudelijke beoordeling van de door de verweerder ingebrachte klachten heeft reeds plaatsgevonden. Begin 2017 heeft de raad Den Bosch daarin onherroepelijk beslist. In de onderhavige klacht is derhalve slechts ter beoordeling of verweerder zich als deken in bedoelde tuchtprocedure op tuchtrechtelijk verwijtbaar wijze jegens klager heeft gedragen.

Ad klachtonderdeel a)

5.3    Ter zitting heeft verweerder nog eens uiteengezet dat hij het commentaar van klager heeft beoordeeld en deze beoordeling geen wijziging in zijn standpunt heeft gebracht. Daarmee kon hij als deken volstaan, omdat hij niet tot een nadere uitleg van zijn standpunt gehouden was.

5.4    Klachtonderdeel a) is derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.5    De bezwaren van verweerder waren dat er tijdens het lange traject in de jaren 2013 tot en met 2016 onvoldoende verbetering was opgetreden en dat er nog altijd relevante kritiekpunten waren blijven bestaan. Deze bezwaren zijn door de raad gehonoreerd en staan dus vast.

5.6    Klager heeft zich beroepen op een brief van zijn advocaat d.d. 27 juli 2016 aan mr. S waarin hij namens klager heeft meegedeeld dat klager in het vervolg niet meer in procedures tegen de gemeente zou optreden. Deze mededeling kwam echter zodanig laat dat begrijpelijk is dat verweerder zich daardoor niet heeft laten leiden.

5.7    Onweersproken is door verweerder gesteld dat het klachtonderdeel betreffende de kantoororganisatie is ingetrokken en dat ter zitting van de raad in Den Bosch is gemeld dat dat op orde was. Verweerder heeft dus wel degelijk oog gehad voor positieve zaken.

5.8    Klachtonderdeel b) is derhalve ongegrond bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Ad klachtonderdeel c)

5.9    Klager stelt dat verweerder veel te ver is gegaan door te stellen dat klager zich presenteerde als iemand die spijt had van zijn uitlatingen en zijn leven wilde beteren maar in werkelijkheid alleen maar de schone schijn heeft willen ophouden.

5.10    Verweerder erkent dat hij het begrip onbetrouwbaar heeft gebruikt om het gedrag van klager te duiden, maar is van mening dat er aanleiding bestond om deze kwalificatie te gebruiken. Verweerder heeft daarmee de onverbeterlijkheid van het gedrag van klager willen benadrukken en het behoorde tot de taak van deken zijn dekenbezwaar zo helder en volledig mogelijk voor het voetlicht te brengen. Dat er sprake was van een groot aantal soortgelijke klachten na een eerdere veroordeling van de raad Den Bosch staat vast. Genoemde kwalificatie kwam derhalve niet uit de lucht vallen. Niet is komen vast te staan dat verweerder daarmee de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden.

5.11    Klachtonderdeel c) is derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdeel d) en e)

5.12    Nu deze direct met elkaar samenhangen zal de raad deze klachtonderdelen gezamenlijk beoordelen.

5.13    De aanvullende klacht van mr. H vormde een klein onderdeel van een groter geheel. Deze had betrekking op gebeurtenissen rond een machtiging van mr. M door een (voormalige) cliënt van klager waarover klager in het kader van de behandeling van de klacht van de gemeente reeds eerder zelf had geklaagd en een standpunt had ingenomen. Tegen deze achtergrond was het geoorloofd deze klacht bij de ambtshalve klacht te betrekken. Het betrof hier eenzelfde feitencomplex waarover klager zich eerder had uitgelaten. Onweersproken is door verweerder gesteld dat het standpunt van klager ten aanzien van bedoeld feitencomplex voorafgaande aan de behandeling ter kennis van de raad Den Bosch is gebracht.

5.14    Verweerder heeft op basis van zijn toetsingskader een afweging mogen en moeten maken en is tot slotsom gekomen dat de klacht van mr. H moest worden meegenomen. Dit behoort tot de taak van de deken en daarbij heeft verweerder gehandeld binnen de marges van de aan hem verleende vrijheid.

5.15    Klager gebruikt in klachtonderdeel e) het woord “toezegging” en suggereert daarmee dat verweerder bij zijn beslissing als instrument van een ander is opgetreden. Daarvan is de raad echter niet gebleken.

5.16    De klachtonderdelen d) en e) zijn derhalve ongegrond

Ad klachtonderdeel f)

5.17    De raad ziet niet in dat het voor een deken niet passend is om de woorden “herhaald en ingelast/tot de zijne maken” te gebruiken omdat hij zich daardoor (aldus de klacht) aan de zijde van één van de partijen in de klachtzaak zou scharen. Het overnemen van dergelijke woorden maakt iemand nog niet tot  instrument van de persoon waarvan hij de woorden overneemt. Anders dan klager is de raad van oordeel dat verweerder daarmee niet de grenzen van wat tuchtrechtelijk geoorloofd is heeft overschreden.

5.18    Klachtonderdeel f) is derhalve ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. 

  

Aldus gewezen door mr. R.A. Steenbergen, voorzitter, mrs. H. Dulack en K.F. Leenhouts, leden en bijgestaan door mr. A.M. van Rossum als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2018.

 

Griffier                                                                   Voorzitter

 

Verzonden d.d. 30 juli 2018.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens