Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2018:61
Datum uitspraak:
10-04-2018
Datum publicatie:
10-04-2018
Zaaknummer(s):
17-826/A/A
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder heeft kantonrechter niet onjuist geïnformeerd. De raad acht het inkopiëren van de voormalig advocaat van klager in de e-mail van verweerder aan klager in de geschetste omstandigheden onvoldoende ernstig om tuchtrechtelijk verwijtbaar te zijn. Klacht ongegrond. 

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 10 april 2018

in de zaak 17-826/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

[              ]

over:

verweerder

[             ]

gemachtigde [           ]

advocaat te Amsterdam   

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 19 september 2017 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Bij brief aan de raad van 12 oktober 2017 met kenmerk 4017-0626, door de raad ontvangen op 13 oktober 2017, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 19 februari 2018 in aanwezigheid van klager en de gemachtigde van verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennis genomen van:

- de onder 1.2 bedoelde brief van de deken aan de raad en van de stukken 1 tot en met 8 van de bij die brief gevoegde inventarislijst;

- de e-mail met bijlagen van 1 februari 2018 van de gemachtigde van verweerder aan de raad;

- de e-mail met bijlagen van 5 februari 2018 van klager aan de raad;

- de e-mail met bijlage van 7 februari 2018 van klager aan de raad;

- de brief van 8 februari 2018 van de raad aan klager, waarin aan klager wordt meegedeeld dat het wrakingsverzoek ingevolge artikel 2 lid 1 onder f van het Wrakingsprotocol niet in behandeling wordt genomen.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 Klager is verwikkeld geweest in een arbeidsrechtelijk geschil met zijn  werkgever. Verweerder heeft de werkgever daarin bijgestaan als advocaat. Klager is in deze procedure op enig moment bijgestaan door mr. F en diens kantoorgenoot.

2.2 Op 13 januari 2016 heeft verweerder namens de werkgever een verzoek strekkende tot (onder meer) ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter.

2.3 Bij brief van 19 januari 2016 heeft een collega van klager, de heer A, bij de president van de rechtbank een klacht ingediend over een andere collega van klager, de heer N, tevens raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). De president van de rechtbank heeft deze klacht doorgestuurd aan de president van het hof. Bij brief 9 maart 2016 heeft de president van het hof op de klacht gereageerd. In die brief staat onder meer het volgende:

“De voormelde gang van zaken brengt met zich dat ik niet de beschikking heb over de bijlagen, die u bij uw brief van 19 januari had gevoegd. (…)

[de heer N] stelde mij ter hand een e-mailbericht van zaterdag 15 augustus 2016 (…)

Met het oog op uw “vierde vraag” stel ik vast dat u bij uw brief van 19 januari beoogde als bijlage over te leggen het transcript van de maatschapsvergadering van 3 september 2015. Om redenen, hiervoor genoemd, bevond die bijlage zich niet bij uw brief zoals die mij bereikte. Ik heb het transcript echter van [de heer N] gekregen. (…)

Al het voorgaande in aanmerking genomen luidt mijn oordeel op dit moment en bij deze stand van zaken dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de conclusie dat [de heer N] de eer en waardigheid van zijn ambt als raadsheer-plaatsvervanger zou hebben geschonden.”

2.4 Bij brief van 13 april 2016 heeft de heer A op de brief van de president van het hof gereageerd. In die brief staat onder meer het volgende:

“Allereerst mijn dank voor uw uitvoerige reactie van 9 maart 2016 (…)”

2.5 Bij brief van 16 maart 2016 heeft verweerder twee nadere producties ingebracht in de in paragraaf 2.2 genoemde procedure, waaronder de brief van 9 maart 2016 van de president van het hof aan klager, waarover verweerder het volgende schrijft:

“Productie 65: Beslissing van het Gerechtshof Den Haag van 9 maart 2016 op de klacht van [de heer A]

Deze beslissing zend ik U toe omdat (…) de president van het Gerechtshof Den Haag op bladzijden 2 en 3 zelf uitvoerig overweegt, aan de hand van de stukken, dat [de heer A] - anders dan [klager] overweegt in paragraaf 115 van zijn Verweerschrift – niet onder druk is gezet om onwaarheden te vertellen over de gang van zaken omtrent het voorval van 24 maart 2015.”

2.6 Op 12 april 2016 heeft de kantonrechter een beschikking gegeven, waarbij de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen klager en de werkgever heeft ontbonden onder toekenning van een billijke vergoeding.

2.7 Nadien hebben klager en de werkgever schikkingsonderhandelingen gevoerd. Op 30 juni 2016 is tussen hen een vaststellingsovereenkomst gesloten.

2.8 Op 21 juli 2016 heeft verweerder een e-mail met bijlage gestuurd aan mr. F. Op 22 juli 2016 heeft mr. F een e-mail gestuurd aan verweerder, met de volgende inhoud:

“Uw e-mail van gisteren heb ik doorgeleid aan [klager]. Op dit moment hebben wij van [klager] geen opdracht hem verder te vertegenwoordigen. Hij verzoekt u uw correspondentie rechtstreeks aan hem te zenden. U kunt zich in het vervolg dus rechtstreeks tot [klager] richten.”

2.9 Op 22 juli 2016 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan klager, met de volgende inhoud:

“Hierbij zend ik u een afschrift van de brief die wij gisteren aan [mr. F] zonden. Wij begrepen dat u niet meer vertegenwoordigd wordt door [mr. F] en zullen in het vervolg direct met u corresponderen.”

2.10 Op 10 november 2016 heeft klager een e-mail gestuurd aan (onder meer) verweerder, met de volgende inhoud:

“(…) kan ik u – na overleg met advocaten – als volgt informeren.”

2.11 Op 14 november 2016 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan (onder meer) klager en mr. F, met de volgende inhoud:

“Ik begrijp dat u weer door uw advocaat geadviseerd wordt. Ik schrijf dan ook zowel u als uw advocaat [mr. F] aan.”

2.12 Op 15 november 2016 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerder, met de volgende inhoud:

“Zoals u al wist, ik word niet meer door [mr. F] vertegenwoordigd; in dit verband verwijs ik u onder meer naar uw e-mail aan mij van 22 juli 2016 (zie bijlage). U heeft zonder afstemming met ondergetekende onze correspondentie met een derde gedeeld, welk handelen ondergetekende laakbaar vindt; ik verwijs u in dit verband naar de beroepsregels zoals die op de website van de Nederlandse Orde van Advocaten vermeld staan

Derhalve verzoek ik u met klem om uw correspondentie inzake dit dossier enkel aan ondergetekende te sturen.”

2.13 Later op 15 november 2016 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerder, met de volgende inhoud:

“Onder verwijzing naar mijn onderstaande e-mails en blijkens uw e-mail van 22 juli 2016 (zie bijlage) was er voor u geen enkele grond om [mr. F] (een derde) op onze correspondentie te kopiëren, laat staan dat u dit niet eerst met ondergetekende heeft afgestemd; uw handelen in dit verband is laakbaar. Ik verwijs u, als advocaat zijnde, in dit verband naar de beroepsregels zoals die op de website van de Nederlandse Orde van Advocaten vermeld staan.”

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a) in strijd met Gedragsregel 30 aan de kantonrechter feitelijke informatie heeft verstrekt, waarvan hij wist (althans behoorde te weten) dat die onjuist was, door het inbrengen van de brief van de president van het hof;

b) in strijd met Gedragsregel 18 de voormalige advocaat van klager heeft aangeschreven, terwijl hem bekend was dat deze advocaat niet meer voor klager optrad;

c) in strijd met Gedragsregel 10 vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met een derde, mr. F, die inmiddels niet meer zijn advocaat was.

4 VERWEER

4.1 Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover relevant, zal worden weergegeven.

5 BEOORDELING

5.1 Een advocaat geniet een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Ad klachtonderdeel a)

5.2 Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met Gedragsregel 30 aan de kantonrechter feitelijke informatie heeft verstrekt, waarvan hij wist (althans behoorde te weten) dat die onjuist was, door het inbrengen van de brief van de president van het hof. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel voert klager aan dat verweerder in zijn brief aan de kantonrechter van 16 maart 2016 (zie hiervoor onder paragraaf 2.4) ten onrechte heeft geschreven dat de president “aan de hand van de stukken” “uitvoerig” zou hebben overwogen. In de brief van de president van 9 maart 2016 staat immers dat deze niet beschikte over de bijlagen die bij de klachtbrief van 19 januari 2016 waren gevoegd (zie hiervoor onder paragraaf 2.3). Hoewel uit de brief van de president wel volgt dat deze beschikte over andere stukken, beschikte hij in elk geval niet over alle stukken. Van een uitvoerig afgewogen oordeel was dus geen sprake. Zodoende heeft verweerder de kantonrechter feitelijke gegevens verstrekt waarvan hij wist (althans behoorde te weten) dat die onjuist waren, aldus steeds klager.

5.3 Verweerder betwist dat hij de kantonrechter onjuist heeft geïnformeerd. Verweerder voert aan dat de kantonrechter zelf beschikte over de brief van de president van het hof van 9 maart 2016 zodat de kantonrechter zelf kon beoordelen welke stukken “de stukken” waren en welke stukken de president relevant had geacht voor zijn oordeel. Ook de kwalificatie “uitvoerig” met betrekking tot het oordeel van de president impliceert niet dat de president alle stukken tot zijn beschikking had. Overigens mocht de brief van de president, gelet op de inhoudelijke motivatie, als “uitvoerig” bestempeld worden, aldus verweerder.

5.4 De raad overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de president van het hof bij zijn oordeel zoals neergelegd in de brief van 9 maart 2016 de beschikking heeft gehad over bepaalde stukken. De president vermeldt in de betreffende brief dat hij zich ervan bewust is niet over alle stukken te beschikken. Anders dan klager is de raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder de kantonrechter onjuist heeft geïnformeerd door in zijn brief van 16 maart 2016 op te nemen dat de president in de brief van 9 maart 2016 (kort gezegd) “aan de hand van de stukken” het een en ander heeft overwogen. Er staat immers niet dat de president over alle stukken beschikte, en dat kan er ook niet in worden gelezen. Voorts had verweerder naar het oordeel van de raad ook niet uitdrukkelijk behoeven te vermelden over welke stukken de president wel en niet beschikte. Dat volgt immers – zoals verweerder terecht stelt – uitdrukkelijk uit de brief van de president van het hof van 9 maart 2016 die verweerder als bijlage bij zijn brief van 16 maart 2016 had gevoegd. Van die brief van 9 maart 2016 heeft de kantonrechter vervolgens zelf kennis kunnen nemen. In zoverre is dit klachtonderdeel dus ongegrond. Voor zover klager er tevens over klaagt dat verweerder in zijn brief van 16 maart 2016 heeft geschreven dat de president aan de hand van de stukken “uitvoerig” overweegt, terwijl dit volgens klager niet als “uitvoerig” overwegen kan gelden, deelt dit onderdeel van de klacht hetzelfde lot. Gelet op de omvang van de brief van de president waarin deze zijn oordeel uiteenzet is het niet onbegrijpelijk dat verweerder een en ander als “uitvoerig” heeft gekwalificeerd. Daar komt nog bij dat ook de heer A de reactie van de president van het hof “uitvoerig” heeft genoemd in zijn brief van 13 april 2016 (zie hiervoor onder paragraaf 2.4). Concluderend heeft verweerder de kantonrechter niet onjuist geïnformeerd. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Ad klachtonderdelen b) en c)

5.5 De klachtonderdelen b) en c) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.6 Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met Gedragsregel 18 de voormalige advocaat van klager, mr. F, heeft aangeschreven, terwijl hem bekend was dat deze niet meer voor klager optrad. Voorts verwijt klager verweerder dat hij in strijd met Gedragsregel 10 vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met een derde, mr. F, die inmiddels niet meer zijn advocaat was.

5.7 Verweerder voert aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat klager weer werd bijgestaan door mr. F. Dit naar aanleiding van de e-mail van klager aan hem van 10 november 2016 (zie hiervoor onder paragraaf 2.10), waarin klager expliciet refereerde aan “overleg met advocaten”.  Klager was in het verleden bijgestaan door mr. F en zijn kantoorgenoot, zodat verweerder er vanuit ging dat zij bedoeld werden met “advocaten”. In het belang van klager alsook in het belang van een goede rechtspleging heeft verweerder vervolgens besloten de e-mail van 14 november 2016 (zie hiervoor onder paragraaf 2.11) niet alleen aan klager te zenden, maar ook aan mr. F. Verder is mr. F niet aan te merken als een derde in de zin van Gedragsregel 10. Door verweerder is een belangenafweging gemaakt en daarbij zijn de gerechtvaardigde belangen van de werkgever als cliënt en van klager als wederpartij in acht genomen. Het is nooit de bedoeling geweest klager enig nadeel te berokkenen en/of zijn privacybelangen te schenden. Er is naar eer en geweten en juist indachtig de gedragsregels gehandeld, aldus steeds verweerder.

5.8 De raad overweegt als volgt. Een advocaat die zich in verbinding wil stellen met een wederpartij van wie hij weet dat deze wordt bijgestaan door een advocaat, mag dit slechts doen door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze hem toestemming geeft zich rechtstreeks tot diens cliënt te wenden. Dat is ook neergelegd in het eerste lid van Gedragsregel 18 (Gedragsregels 1992). In dit geval was op 22 juli 2016 door mr. F aan verweerder toestemming verleend zich rechtstreeks tot klager te wenden (zie hiervoor onder paragraaf 2.8). Verweerder heeft vervolgens, toen hij zich op 14 november 2016 tot klager richtte, van deze toestemming gebruik gemaakt, maar deze e-mail tevens in kopie aan diens voormalige advocaat gestuurd. De norm die is neergelegd in Gedragsregel 18 (Gedragsregels 1992) betreft de betrekkingen tussen advocaten en wil voorkomen, kort samengevat, dat de ene advocaat achter de rug van de andere advocaat om met diens cliënt in contact treedt. Die situatie is hier echter niet aan de orde en daarom is van een schending van deze norm geen sprake. Van  strijd met de norm die is neergelegd in Gedragsregel 10 (Gedragsregels 1992) is ook geen sprake, aangezien mr. F als voormalig advocaat van klager geen derde in de zin van die gedragsregel is. Hoewel het beter was geweest als verweerder naar aanleiding van de e-mail van klager aan verweerder van 10 november 2016 eerst bij klager had geverifieerd of en, zo ja, door wie klager werd bijgestaan, acht de raad het inkopiëren van mr. F in de e-mail van 14 november 2016 van verweerder aan klager in de geschetste omstandigheden onvoldoende ernstig om tuchtrechtelijk verwijtbaar te zijn. Daarbij weegt de raad mee dat mr. F als advocaat een geheimhoudingsplicht heeft, zodat een eventuele schending van de privacy van klager zeer beperkt is gebleven.

5.9 De raad komt tot de slotsom dat klachtonderdelen b) en c) ongegrond zijn.

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. S. van Andel, A. de Groot, H.B. de Regt en M.W. Schüller, leden, bijgestaan door mr. P.J. Verdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

Griffier Voorzitter

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 10 april 2018 verzonden.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens