Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2018:54
Datum uitspraak:
19-03-2018
Datum publicatie:
06-04-2018
Zaaknummer(s):
17-994/A/A
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
Deels gegronde klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onvoldoende de leiding te nemen in de zaak van klager. Berisping en kostenveroordeling.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 19 maart 2018

in de zaak 17-994/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

 

over:

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij ongedateerde brief ontvangen op 17 maart 2017 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Bij brief aan de raad van 29 november 2017 met kenmerk 4017-0190, door de raad ontvangen op 1 december 2017, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 5 februari 2018 in aanwezigheid van klager en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennis genomen van de onder 1.2 genoemde brief van de deken met bijlagen 1 tot en met 28.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 De ex-echtgenote van klager (hierna ook: de vrouw) heeft in 2014 een echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft klager in de echtscheidingszaak als advocaat bijgestaan. Op 7 augustus 2014 is een toevoeging verstrekt.

2.2 In de opdrachtbevestiging van verweerder is de volgende passage opgenomen:

“Wij spraken af dat ik u juridische bijstand zal verlenen met betrekking tot een eventueel nog op te starten echtscheidingsprocedure, en tijdens deze procedure lopende voorlopige voorzieningen bij de voorzieningenrechter en waarbij te denken valt aan juridische procedures met betrekking tot ode alimentatie, bewoning van de echtelijke woning, en bij problemen over de inboedel.”

2.3 Op 24 september 2014 heeft de voorzieningenrechter beslist dat klager de echtelijke woning diende te verlaten. Na ontvangst per e-mail van de beschikking op 25 september 2014 van de advocaat van de vrouw, heeft verweerder de beschikking diezelfde dag aan klager toegezonden. De vrouw heeft direct na de uitspraak de sloten van de woning laten vervangen.

2.4 Op 13 oktober 2014 heeft een viergesprek plaatsgevonden op het kantoor van de advocaat van de vrouw. Klager heeft deze bijeenkomst voortijdig verlaten.

2.5 De rechtbank heeft bij beschikking van 20 november 2014 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 15 maart 2015 is de echtscheiding op verzoek van de advocaat van de vrouw ingeschreven.

2.6 Op 26 maart 2016 heeft klager aan verweerder geschreven dat zijn ex-echtgenote weigert mee te werken aan de verkoop van het huis:

“Letterlijk word in de e-mail die de wederpartij stuurt aangegeven dat ze niet mee werken. Graag wil ik dan ook dat u op korte termijn rechtsmaatregelen treft, zonder dit te communiceren naar de wederpartij. Het wordt eens tijd dat dit kinderachtig gedrag ophoud, zodat dit zo snel mogelijk kan worden afgerond.”

2.7 Op 17 april 2016 heeft klager aan verweerder geschreven:

“Vorige maand (…) heb ik u een mail gestuurd met mijn verwachtingen in het proces van de verkoop van het huis (…). Hierin heb ik u duidelijk aangegeven wat ik graag wilde in het proces. (…) Daarbij heb ik u ook verzocht om spoedig te reageren en eventueel verdere maatregelen te nemen indien er hierin niet meegewerkt word. Tot op de dag van vandaag heb ik niks meer vernomen van u.”

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) hij de belangen van klager niet heeft behartigd;

b) hij de officiële echtscheidingsdatum niet aan klager heeft doorgegeven;

c) hij onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd over de zaak;

d) hij niet op verzoeken van klager heeft gereageerd;

e) hij heeft gelogen over de dag en tijdstip van de uitspraak van de voorzieningenrechter;

f) hij klager niet heeft geïnformeerd over het feit dat hij klager niet meer wilde bijstaan;

g) hij te laat op een zitting is verschenen;

h) verweerder de medische gegevens van klager niet heeft gebruikt om de echtscheidingszaak af te wikkelen, terwijl klager daar wel om had gevraagd;

i) hij na het viergesprek waarbij klager eerder is vertrokken, nooit verslag heeft gedaan aan klager van wat er na zijn vertrek nog besproken is.

4 BEOORDELING

Ad klachtonderdelen a), b), c) en d)

4.1 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling, nu zij allen zien op de wijze waarop verweerder met klager heeft gecommuniceerd en op de wijze van advisering.

4.2 De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

4.3 Tot die professionele standaard behoort onder meer het uitzetten van een strategie en het daarover informeren van de cliënt. De raad overweegt in dit kader dat een advocaat gehouden is belangrijke afspraken, gezamenlijk genomen beslissingen, en soms ook een gegeven advies of informatie, schriftelijk vast te leggen. De achtergrond daarvan is dat onduidelijkheden en misverstanden over wat er tussen advocaat en cliënt is afgesproken zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico ter zake van de gemaakte afspraken en genomen beslissingen op de advocaat te rusten.

4.4 Het handelen van verweerder heeft volgens klager niet voldaan aan deze kwaliteitseisen. Klager stelt dat hij verweerder herhaaldelijk om informatie heeft gevraagd, en heeft gevraagd de echtscheiding zo snel mogelijk af te ronden. Hij heeft verweerder verzocht om alimentatie te vragen en om de echtscheiding zo snel mogelijk af te wikkelen. Ook heeft klager verweerder gevraagd maatregelen te nemen met het oog op de boedelscheiding en om ervoor te zorgen dat de huizen in gezamenlijk eigendom van klager en zijn ex-echtgenote verkocht zouden worden. Klager was derhalve in de veronderstelling dat verweerder rechtsmaatregelen zou treffen om deze kwesties op te lossen en hij verwijt verweerder dat hij op deze punten niet heeft gereageerd en geen actie heeft ondernomen.

4.5 Verweerder stelt op zijn beurt dat hij mondeling over deze zaken advies heeft gegeven. Zo verklaart verweerder dat hij klager mondeling heeft geadviseerd een alimentatieverzoek achterwege te laten omdat een dergelijk verzoek kansloos zou zijn. Klager wilde desondanks een alimentatietraject starten omdat volgens hem het advies van verweerder op een onjuiste aanname was gebaseerd. Verweerder heeft ook mondeling met klager besproken dat een procedure tot boedelscheiding bij de rechtbank zou moeten plaatsvinden omdat er een patstelling was ontstaan aangezien de vrouw niet wilde meewerken. Verweerder stelt dat hij een formele opdracht van klager had moeten krijgen om rechtsmaatregelen te treffen en dat klager een dergelijke opdracht nooit heeft gegeven.

4.6 De raad oordeel als volgt. Los van het feit dat het advies van verweerder over de alimentatieverplichting van de vrouw mogelijk onjuist was, had hij zijn advies hierover schriftelijk moeten vastleggen. Voor wat betreft het verweer dat hij geen expliciete opdracht van klager had gekregen om rechtsmaatregelen te treffen, blijkt uit de e-mail van 26 maart 2016 dat klager verweerder hier weldegelijk uitdrukkelijk om heeft verzocht. Verweerder heeft bovendien niet weersproken dat uit zijn opdrachtbevestiging lijkt te volgen dat klager een dergelijke actie van hem mocht verwachten. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, is op geen enkele wijze gebleken dat verweerder klager (laat staan, schriftelijk) heeft geadviseerd over de te voeren strategie. Hieruit volgt dat verweerder deze zaak op een te weinig professionele wijze heeft benaderd waardoor hij de belangen van zijn cliënt niet naar behoren heeft behartigd. Verweerder had actiever op moeten treden om de juridische problemen van klager op te lossen. Hij heeft echter volstaan met het doorgeven van standpunten van de vrouw aan klager en andersom. De gevolgen daarvan komen zoals gezegd voor rekening en risico van verweerder.

4.7 Klager verwijt verweerder verder dat hij hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de datum van inschrijving van de scheiding. Op 21 november 2014 heeft verweerder klager een akte van berusting tevens een verzoek tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gestuurd, met het verzoek deze ondertekend te retourneren. Klager heeft dit niet gedaan. Verweerder heeft erkend dat de inschrijving hem vervolgens is ontschoten. Kennelijk heeft de advocaat van de vrouw de echtscheidingsbeschikking op 6 maart 2015 wel ingeschreven, maar hier was verweerder niet van op de hoogte gebracht. Klager heeft zelf via de gemeente de datum van inschrijving vernomen. Uit het dossier blijkt dat er geen afspraken zijn gemaakt over wie de inschrijving zou verzorgen. Nu deze moet plaatsvinden binnen zes maanden nadat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan op straffe van verval, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door hier niet meer acht op te slaan.

4.8 De handelwijze van verweerder is in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, waardoor verweerder niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder in de uitvoering van zijn opdracht tekortgeschoten is en acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het voorgaande brengt mee dat klachtonderdelen a), b), c) en d) gegrond zijn.

Ad klachtonderdeel e)

4.9 Klager verwijt verweerder dat hij hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de beschikking van de voorzieningenrechter waarin was bepaald dat klager zijn woning moest verlaten. Hierdoor had de vrouw van klager de sloten al veranderd voordat klager zijn persoonlijke eigendommen had kunnen ophalen.

4.10 Uit het dossier is niet gebleken dat verweerder heeft gelogen over de dag en tijdstip waarop de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan. Na ontvangst van de beschikking heeft verweerder de beschikking per e-mail aan klager doorgestuurd. Bovendien valt het verweerder niet aan te rekenen dat de vrouw direct de sloten heeft veranderd.

4.11 Klachtonderdeel e) is dan ook ongegrond.

Ad klachtonderdeel f)

4.12 Klachtonderdeel f) zit op het feit dat verweerder klager niet expliciet heeft meegedeeld dat hij hem niet meer wilde bijstaan. De raad overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel dat het een advocaat vrij staat om de werkzaamheden te beëindigen. Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij daartoe zelfs gehouden. Wel dient de advocaat die beslissing zo tijdig kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te nemen stappen, dat de cliënt daarvan geen procedurele schade ondervindt. Weliswaar heeft klager door de beëindiging geen direct nadeel ondervonden omdat er op dat moment geen procedures liepen, het heeft wel voor vertraging gezorgd in de verdere afwikkeling van de echtscheiding. Klager was kennelijk in de veronderstelling dat verweerder nog met de boedelverdeling bezig was. Deze gebrekkige communicatie aan de zijde van verweerder is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De raad verklaart klachtonderdeel f) derhalve gegrond.

Ad klachtonderdeel g)

4.13 Klager verwijt verweerder dat hij te laat was verschenen op de zitting. Verweerder kan zich niet herinneren dat hij te laat was voor de zitting. Als dat wel het geval zou zijn geweest, dan was dit geen probleem omdat de zitting al was voorbesproken op het kantoor van verweerder, aldus verweerder. Nu de verklaringen van klager en verweerder op dit punt tegenover elkaar staan kan de raad er geen oordeel over uitspreken. Dat betekent niet dat aan de verklaring van verweerder meer waarde wordt gehecht dan aan de verklaring van klager, het betekent alleen dat niet is komen vast te staan wat er precies is gebeurd. Klachtonderdeel g) is derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdeel h)

4.14 Klachtonderdeel h) ziet op het feit dat verweerder de medische gegevens van klager niet heeft gebruikt om de echtscheidingszaak af te wikkelen, terwijl klager daar wel om had gevraagd. In de pleitaantekeningen van verweerder van de zitting bij de voorzieningenrechter op 10 september 2014 is een passage opgenomen waarin verweerder heeft verwezen naar de medische gegevens van klager. Klachtonderdeel h) is dan ook ongegrond.

Ad klachtonderdeel i)

4.15 Klager verwijt verweerder dat hij na een viergesprek waarbij klager eerder is vertrokken, nooit verslag aan klager heeft gedaan van wat er na zijn vertrek nog besproken is. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat hij klager niet zou hebben bijgepraat. Hij stelt dat hij klager na de bespreking uitgebreid in de hal van het kantoor heeft gesproken en dat zij samen in de auto ook nog hebben nabesproken. De raad heeft niet kunnen vaststellen welke lezing van de feiten juist is. De raad verklaart klachtonderdeel i) om die reden ongegrond.

5 MAATREGEL

5.1 Verweerder heeft gehandeld zoals een advocaat niet betaamt. Uit het voorgaande blijkt dat verweerder in deze zaak onvoldoende de leiding heeft genomen en in zijn algemeenheid als advocaat te weinig van toegevoegde waarde is geweest. Dit is tot uiting gekomen in de verweten gedragingen omschreven in klachtonderdelen a) tot en met d). Gelet op de ernst van de gedraging en alle overige omstandigheden van het geval acht de raad de maatregel van een berisping passend en geboden.

6 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

6.1 Aangezien de klacht gegrond wordt verklaard, moet verweerder het door klager betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

6.2 De raad ziet daarnaast aanleiding om verweerder, gelet op artikel 48ac, eerste lid, onder a, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van EUR 50 aan reiskosten. De raad bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden overgemaakt naar het daartoe tijdig door klager aan verweerder opgegeven rekeningnummer.

6.3 De raad ziet eveneens aanleiding om verweerder, gelet op artikel 48ac, eerste lid, onder b, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op EUR 1.000. De raad bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de Nederlandse Orde van Advocaten door overmaking naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart klachtonderdelen a), b), c), d) en f) gegrond;

- verklaart klachtonderdelen e), g) h) en i) ongegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van EUR 50 aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van EUR 50 aan klager, op de wijze en binnen de termijn als boven onder 6.2 bepaald;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 1.000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de wijze en binnen de termijn als boven onder 6.3 bepaald;

Aldus beslist door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mrs. G. Kaaij, A.S. Kamphuis, leden, bijgestaan door mr. N.M.K. Damen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2018.

Griffier Voorzitter

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 19 maart 2018 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens