Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:23
Datum uitspraak:
21-01-2019
Datum publicatie:
21-01-2019
Zaaknummer(s):
2018-157
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Niet is vast komen te staan dat verweerster klager heeft gestigmatiseerd. Dat de bipolaire stoornis als niet-actuele problematiek niet aan de orde is gekomen is verdedigbaar. Dat pas na twee maanden opnieuw contact met klager is opgenomen nadat hij een afspraak had afgezegd, is een te lange termijn. Hiervoor heeft de gz-psycholoog echter haar excuses aangeboden alsmede aangeboden de behandeling weer voort te zetten. Klacht afgewezen. 

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, gz-psycholoog,

werkzaam te D,

verweerster.

 

 

1.           Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 12 juli 2018;

-      het verweerschrift met bijlage;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 24 september 2018;

-      de brief d.d. 8 oktober 2018 van verweerster, ontvangen op 16 oktober 2018, met als bijlage een kopie van het medische dossier van klager.

 

1.2       Het College heeft de klacht op 10 december 2018 in raadkamer behandeld.  

 

2.          De feiten



2.1             Klager is door zijn huisarts bij brief van 18 juni 2017 verwezen naar verweerster. De redenen van aanmelding waren volgens deze brief depressieve klachten, een stemmingsstoornis en een aanpassingsstoornis. In de verwijsbrief staat ook:

“Aandachtspunten/Voorgeschiedenis

12-1994           Bipolaire stemmingsstoornis met depressieve en manische periodes (waarvoor amnesie)”



2.2             Op 11 juli 2017 en 29 augustus 2017 hebben intakegesprekken plaatsgehad en op 13 september 2017 en 29 september 2017 heeft behandeling plaatsgevonden. De afspraak op 19 oktober 2017 is door klager afgemeld; tot een nieuwe afspraak is het niet gekomen.

 

3.          De klacht



Klager verwijt verweerster dat zij heeft geoordeeld/gestigmatiseerd. Zij heeft zich niet goed ingelezen in zijn problematiek, klager is hiervoor niet behandeld, zijn verzoek tot medicatie is niet ingewilligd en verweerster heeft klager op een gegeven moment aan zijn lot overgelaten.

 

4.       Het standpunt van verweerster

 

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.       De beoordeling



5.1       Tijdens het mondelinge vooronderzoek heeft klager zijn klacht nader toegelicht. Verweerster zou klager hebben gevraagd of hij zichzelf in de spiegel kon aankijken. Deze vraag heeft bij klager het gevoel opgewekt dat verweerster hem heeft veroordeeld of gestigmatiseerd.

Het College overweegt dat de context waarbinnen deze vraag is gesteld niet duidelijk is geworden. Als deze vraag al door verweerster is gesteld kan daaruit naar het oordeel van het College geen oordeel of stigma van verweerster jegens klager worden afgeleid. Ook is het stellen van deze vraag geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

 

5.2       De andere klachtonderdelen betreffen de behandeling door verweerster. In de eerste plaats zou verweerster zich niet goed hebben ingelezen ten aanzien van de bipolaire stoornis uit 1994 die in de verwijsbrief van de huisarts staat vermeld.

Het College overweegt dat door verweerster een zogeheten eerstelijnsinterventie is uitgevoerd. De verwijsbrief van de huisarts vermeldt als reden voor de verwijzing depressieve klachten/stemmingsstoornis en een aanpassingsstoornis. Gelet op deze actuele problematiek diende de behandeling van klager door verweerster daarop gericht te zijn en was op dat moment de bipolaire stoornis geen doel van de behandeling. Het College volgt verweerster in de opzet van de behandeling, waarin zij de actuele problematiek van klager, bestaande in stemmingsklachten en boosheid in relatie tot scheiding en werk, op de voorgrond heeft geplaatst. Niet gebleken is dat er voor verweerster kenbare aanwijzingen waren dat bij klager problematiek speelde die samenhing met een (mogelijke) bipolaire stoornis. Daarbij merkt het College op dat er in totaal slechts vier afspraken hebben plaatsgevonden. Van deze afspraken waren er twee voor de intake, zodat uiteindelijk slechts twee behandelafspraken hebben plaatsgehad. Dat daarin de bipolaire stoornis als niet-actuele problematiek niet aan de orde is gekomen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

 

5.3       Tijdens het mondelinge vooronderzoek heeft klager toegelicht dat hij zijn huisarts heeft verzocht medicatie voor te schrijven. De huisarts wilde advies van een specialist. Naar de mening van klager had verweerster dat advies kunnen geven. Het College volgt verweerster in haar verweer dat zij als gz-psycholoog geen medicatie mag voorschrijven en/of advies daarover mag geven. Door dit niet te doen valt verweerster aldus geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

 

5.4       Ten slotte heeft klager de afspraak van 19 oktober 2017 afgezegd wegens verhindering. Daarna heeft hij pas na twee maanden weer iets van verweerster gehoord. Klager voelde zich hierdoor aan zijn lot overgelaten. Verweerster erkent dat zij heeft verzuimd tijdig een nieuw alternatief aan te bieden, alsmede dat twee maanden te lang was. Daarvoor heeft zij klager haar excuses aangeboden en alsnog aangeboden om de gesprekken weer op te pakken. Klager had aan een vervolg echter geen behoefte meer.

Circa twee maanden voor het opnieuw opnemen van contact met klager is, zoals verweerster ook erkent, een te lange termijn. Het College kan zich dan ook voorstellen dat klager zich in die periode aan zijn lot overgelaten voelde. Verweerster heeft klager hiervoor echter haar excuses aangeboden, alsmede aangeboden de behandeling weer voort te zetten. Daarbij merkt het College op dat klager ook zelf contact met verweerster op had kunnen nemen om een nieuwe afspraak te maken. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.5       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

 

6.       De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven op 21 januari 2019 door  N.B. Verkleij, voorzitter, E.S.J. Roorda, N.A.M. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens