Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2018:153
Datum uitspraak:
03-09-2018
Datum publicatie:
03-09-2018
Zaaknummer(s):
318/2017
Onderwerp:
Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
 klacht tegen bedrijfsarts kennelijk ongegrond. Correcte verzuimbegeleiding. Zorgvuldige adviezen. Invullen van formulier, een wettelijke plicht, en aan klaagster verstrekken is geen schending geheimhoudingsplicht.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 3 september 2018 naar aanleiding van de op 29 november 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van



 

A, wonende te B,

 

k l a a g s t e r

 

-tegen-

 

 

C, bedrijfsarts, werkzaam te D,

bijgestaan door mr. K. Baetsen, advocaat te Rotterdam,

 

v e r w e e r d e r 

 

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

-         het klaagschrift met de bijlage;

-         het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;

-         het verweerschrift met de bijlagen;

-         de repliek met de bijlagen;

-         de dupliek met de bijlagen;

-         het schrijven van klaagster, gedateerd 8 juni 2018;

-         het schrijven namens verweerder, gedateerd 28 juni 2018.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in het vooronderzoek.

 

Klaagster heeft tevens een klacht ingediend tegen de arts E (bekend onder zaaknummer 327/2017). Op die klacht is bij afzonderlijke beslissing van dezelfde datum beslist.

 

 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken (waaronder het bedrijfsgeneeskundig dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

 

Klaagster, geboren in 1964, is op 20 oktober 2015 voor het eerst bij verweerder geweest op het arbeidsomstandighedenspreekuur.

Aanleiding was een incident met een collega en de leidinggevende van klaagster maakte zich zorgen. In overleg met de werkgever was besloten tot contact met de bedrijfsarts.

 

Naar aanleiding van het contact op 20 oktober 2015 adviseerde verweerder klaagster om te kijken naar mogelijke coaching door I. Klaagster was in overleg met haar huisarts over het stoppen met medicatie, Zyprexa. Klaagster kon eventueel bij de GGZ terecht via de huisarts.

 

Op 25 november 2015 spraken klaagster en verweerder elkaar. De adviestekst voor terugkoppeling luidde:

Betrokkene blijft met haar leiding [naam,RTC] overleggen over takenpakket en onderlinge verhoudingen. Betrokkene heeft overleg met huisarts en kijkt naar site I

 

Op 20 januari 2016 bespraken klaagster en verweerder dat klaagster een andere weg koos dan I. Ze wilde zich aanmelden op het werk voor een cursus omgaan met agressie. Ze vertrouwde erop dat verweerder geen informatie aan de werkgever zou geven. Klaagster wilde het contact afsluiten. Verweerder heeft dat gedaan en aangegeven dat desgewenst weer contact kon worden opgenomen.

 

Op verzoek van de werkgever kwam het volgende contact tot stand. Op 9 februari 2016 vond een spreekuurcontact plaats. Klaagster meldde intimidatie op het werk en sprak over een opname die had plaatsgevonden in het ziekenhuis.

Verweerder noteerde bij evaluatie dat er sprake was van psychische decompensatie. De adviestekst voor terugkoppeling aan klaagster en de werkgever luidde:

Geschiktheid: betrokkene is arbeidsongeschikt voor bedongen arbeid.

Betrokkene heeft functionele beperkingen t.a.v.: sneller vermoeid, concentratie, aandacht, verwerken van prikkels van buitenaf.

Ten aanzien van de re-integratie adviseer ik:

Betrokkene is opgenomen geweest in ziekenhuis, wordt nu verder behandeld. Ik vraag haar met behandelteam te overleggen welke opties er zijn ook voor begeleiding/coaching op het werk.

Betrokkene heeft volgende week vakantie. Betrokkene kan per 22 februari voor 4u/dag opstart maken. Komende periode is het plan ; deels werken, in combinatie met behandelplan.

Ik vraag betrokkene en haar leiding [naam, RTC] te overleggen over invulling van uren en taken.

De prognose naar volledig herstel is, dan wel van de beperkingen is, afhankelijk van behandeling en beloop.”

 

Op 22 februari 2016 heeft verweerder in de terugkoppeling vermeld dat klaagster deels arbeidsongeschiktheid was voor de bedongen arbeid. Betrokkene zou op vier uren per dag blijven en dit opbouwen naar zeven uren per dag. Er werd aangestuurd op overleg tussen klaagster en haar leidinggevende. De prognose naar volledig herstel werd geschat op een aantal maanden.

 

Op 8 maart 2016 werd vanuit de werkgever gemeld dat klaagster graag haar werk wilde uitbreiden, maar gezien de reacties op de omgeving leek dat de leidinggevende niet verstandig. Op 22 maart 2016 noteerde verweerder contact te hebben gehad met klaagster. Klaagster had een gesprek met arts en psychiater op de eerste hulp van het ziekenhuis gehad. Verweerder mocht overleggen met de huisarts.

 

Op 19 april 2016 gaf klaagster geen toestemming meer om met de huisarts te overleggen. Het opbouwschema bleef ongewijzigd.

 

31 mei 2016 werd afgesproken dat opgebouwd ging worden naar een hersteldatum. Klaagster had een afspraak met de huisarts staan. Verweerder adviseerde per 6 juni 2016 op te bouwen naar klaagsters normale uren. Er werd geen nieuwe afspraak gemaakt.

 

14 juni 2016 ontving verweerder via de werkgever bericht dat klaagster zou zijn opgenomen. Een oproep voor een spreekuurcontact werd gemaakt.

 

22 juni 2016 sprak verweerder met klaagster. Er was sprake van een terugval. Verweerder heeft klaagster verzocht informatie over de behandeling bij de behandelaar op te vragen en naar het volgende spreekuurcontact mee te brengen.

 

4 juli 2016 verzocht de leidinggevende om informatie over hoe het met klaagster ging. Klaagster dacht alweer aan terugkeer naar het werk en de leidinggevende dacht dat klaagster tegen haarzelf en de werkomgeving moest worden beschermd.

5 juli 2016 gaf klaagster bij het spreekuurcontact aan dat verweerder geen informatie mocht opvragen. Klaagster had een gesprek met een psychiater en een verpleegkundige gehad en wachtte op een verslag (dat haars inziens niet zou kloppen). Klaagster wilde niet verder met die sector en ging terug naar de huisarts. Ze wilde met de huisarts ook spreken over medicatieafbouw. Verweerder wilde overleggen met de huisarts en een voorstel doen voor opbouw in kleine stappen.

Klaagster verzocht op 11 juli 2016 om een afschrift van verweerders brief van

5 juli 2016. Klaagster gaf aan dat zij nog geen toestemming gaf voor overleg met de huisarts. Klaagster had het clusteroverleg op het werk bijgewoond en het opbouwschema besproken, dat haar prima leek.

 

9 september 2016 meldde klaagster in gesprek met verweerder dat zij een gesprek wilde met de hoogste ambtenaar van haar werkgever. Verweerder gaf aan dat een driegesprek, met de leidinggevende, ook tot de mogelijkheden behoorde. Klaagster wilde een langer spreekuurcontact plannen om de contacten in 2015 te kunnen bespreken. Verweerder noteerde dat klaagster sterk stuurde op haar punten, verweerder niet liet uitpraten, hem afkapte en soms een boze blik had. Klaagster was sterk afwijzend in het contact en gaf verweerder geen toestemming voor overleg. Het advies van verweerder was om te blijven op drie keer per week vier uren werk.

 

Op 12 september 2016 meldde de leidinggevende dat er sprake was van een gedwongen opname van klaagster. Verweerde concludeerde dat in het kader van re-integratie duidelijk sprake was van ziekte of gebrek. Klaagster was drie keer opgenomen in de laatste maanden. Doel was eerst behandeling en daarna kijken naar re-integratie, na overleg met behandelaars. Verweerder zou klaagster bellen.

 

Klaagster had contact met de werkgever en gemeld dat ze opgenomen was in een instelling waar ze niet wilde zitten. Ze verdacht de werkgever ervan dat te hebben geregeld. De leidinggevende heeft klaagster aangegeven dat ze open moest staan voor hulp en dat het in klaagsters belang was dat ze inzage zou geven aan verweerder. Klaagster heeft aan de leidinggevende aangegeven dat klaagster verweerder wilde spreken.

 

De dag erna was er telefonisch contact vanuit verweerder met klaagster. Klaagster vroeg wat verweerder kon doen om haar uit te instelling te krijgen. Verweerder heeft klaagster gemeld geen invloed te kunnen uitoefenen wat betreft de opname. Klaagster stond afwijzend tegenover overleg met behandelaars, zoals door verweerder voorgesteld. De vervolgafspraak bleef staan en verweerder noteerde dat hij dan een probleemanalyse zou opstellen.

14 september 2016 vond een volgend telefonisch contact plaats. Klaagster gaf aan dat verweerder verantwoordelijk bleef als arts en de huidige situatie niet herstelbevorderend was. Klaagster had contact met de waarnemer van haar huisarts gehad. Klaagster wilde buiten de instelling wel met verweerder en de huisarts overleggen. Verweerder gaf aan dat hij contact zou opnemen met de huisarts.

 

Verweerder nam contact op met de waarnemend huisarts die aangaf dat het contact werd vastgelegd maar geen directe actie kon worden ondernomen.

 

Klaagster nam in deze periode veelvuldig contact op met het secretariaat van verweerder. Klaagster gaf aan dat ze verweerder wilde spreken, dat een goede jurist om zeep werd geholpen en verweerder zich niet aan de afspraken hield.

 

19 september 2016 heeft verweerder klaagster gesproken die aangaf juridische acties in gang te zetten om uit de gedwongen opname te komen. Klaagster gaf aan dat verweerder een zorgplicht heeft als bedrijfsarts. Klaagster had een gesprek gepland met de hoogste ambtenaar bij de werkgever.

De dag daarna gaf verweerder in een telefonisch contact aan dat hij informatie nodig had om een oordeel te vormen als bedrijfsarts. Het geplande spreekuurcontact op

27 september 2016 bleef staan.

 

Tijdens het spreekuurcontact van 27 september 2016 heeft klaagster de contacten met verweerder in 2015 besproken. Verweerder gaf dat aan hij een probleemanalyse moest maken, een medische beoordeling.

Klaagster gaf geen toestemming voor het opvragen van medische informatie, daarover wilde klaagster zelf de regie voeren. Verweerder gaf aan een probleemanalyse te maken in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter.

 

Op 29 september 2016 vroeg klaagster aan verweerder welk beeld verweerder had geschetst van haar. Het antwoord van verweerder was dat hij had aangegeven dat sprake was van een onstabiele fase, maar ook wel een logisch verhaal. Klaagster gaf aan dat zij graag een gesprek met de werkgever erbij wilde.

Verweerder had telefonisch contact met de behandelaar van klaagster. Klaagster gebruikte 2,5 mg Zyprexa om de dag, geadviseerd werd 10 mg per dag. Er zou een voorlopige machtiging aangevraagd worden en het J had verzoek tot overname van de behandeling afgewezen. Een second opinion voor een voorlopige machtiging zou daags daarna plaatsvinden.

Klaagster e-mailde verweerder met haar zienswijze.

Op 5 oktober 2016 noteerde verweerder:

Ik plan aanpassing PA, na cotnact met behandelaar is mijn oordeel dat ao periode niet werkgerelateerd is

Werknemer heft dar beeld bij dat door werkgever niet herkent wordt.

Op bais va noverlg emt behandelaar acht ik werkfactoren neit als overwegende reden van uitval.

Overleg behandelaar K 4-10; rehabilitatie plan is ook door haar getekend, bezig met ambulante zorg, verzoek overlplaatsen J is afgewezen. Moet naar voorwaardelijke onder controle stelling.

Geeft aan volgende week rechtzaak over IB.

Ik geef aan dat ik PA aanpas ; op grond van overleg met behandelaar, reactie van werkgever.”

 

In een e-mail van 17 oktober 2016 aan haar leidinggevende, met een kopie naar verweerder, gaf klaagster aan het eens te zijn met het advies van verweerder om een driegesprek te voeren.

19 oktober 2016 vond een gesprek plaats tussen klaagster en verweerder. Verweerder gaf aan overleg te willen met de psychiater. Aan het eind van het gesprek sloeg klaagster door, volgens verweerder, door brieven te blijven voorlezen en niet te reageren op pogingen van verweerder om ertussen te komen.

Klaagster gaf aan dat verweerder alleen in overleg mocht met klaagsters behandelaar, in haar aanwezigheid. Klaagster wilde een onafhankelijke behandelaar zoeken voor dit overleg, waarbij verweerder aangaf dat hij informatie nodig had om te komen tot een oordeel.

 

Verweerder stelde vragen aan de behandelaar van klaagster omtrent diagnose, ingezette behandeling, medicatie, gesprekken en vorm van therapie. Voorts vragen over de prognose ten aanzien van het hersteltraject en met welke aspecten verweerder als bedrijfsarts rekening diende te houden ten aanzien van de re-integratie.

 

20 oktober 2016 vroeg klaagster of verweerder een rol kon spelen in verband met de wens tot het inschakelen van L.

 

Op 2 november 2016 vond een driegesprek plaats met klaagsters behandelaar. Afgesproken werd dat klaagster de informatie van het gepland overleg van klaagster met haar behandelaars aan verweerder zou melden. Een driegesprek met de leidinggevende werd door verweerder voorgesteld.

Klaagster gaf in e-mailcontact met haar leidinggevende aan in te zetten op werkhervatting. De leidinggevende heeft toen aangegeven dat klaagster niet op het werk moest komen en haar algemeen juridische kennis via internet kon bijhouden.

Een driegesprek werd gepland voor 29 november 2016. Klaagster e-mailde op

22 november 2016 dat zij niets meer had gehoord over L en of dat onderwerp van gesprek kon zijn op 29 november 2016. Tevens gaf klaagster aan een deskundigenoordeel aan te willen vragen bij het UWV.

Verweerder meldde klaagster op 24 november 2016 dat hij op 29 november 2016 afspraken wilde maken over re-integratie. Klaagster had aangegeven open te staan voor I en gesprek over SWOT een goede aanzet te vinden. Er werd een opbouwschema besproken met klaagster op 24 november 2016.

De leidinggevende gaf aan dat een traject bij L kon worden opgestart.

 

Op 1 december 2016 meldde klaagster dat zij het driegesprek niet herstelbevorderend vond. Klaagster had het idee dat verweerder en de werkgever elkaar van tevoren hadden gesproken.

Klaagster wilde een deskundigenoordeel laten doen omdat ze het niet eens was met de door verweerder vermelde beperkingen in sociaal functioneren. Klaagster gaf aan dat ze weer wilde werken. Verweerder maakte een nieuwe afspraak voor 14 december 2016 om te spreken over advieswerk met randvoorwaarden.

L meldde op 12 december 2016 dat klaagster geen verslag met hen wilde delen en geen machtiging, waardoor het proces niet opgestart kon worden.

 

Op 14 december 2016 gaf klaagster aan een opbouwschema te willen. De rechterlijke machtiging zou tot april gelden. Ten aanzien van het traject bij L gaf klaagster aan zelf regie over informatie te willen voeren. Scenario’s voor werkopbouw werden besproken:

1. kom maanr naar werk 2. vanuit thuis werken 3. Ieders opstarten ze heeft zelf voorstel 4. uwv do of combi van zaken bv 2 en 3.

 

Verweerder achtte klaagster arbeidsongeschikt en gaf functionele beperkingen aan ten aanzien van ‘voorkomen van acute stress, moet zelfstandig kunnen werken, in eigen werktempo.’

Het advies van verweerder was om werkgever en klaagster samen te laten spreken over het L-traject. Verweerder zou contact opnemen met L. In de komende weken wilde verweerder starten met een opbouwschema in uren en taken, telkens in stappen van twee weken. Per 19 december 2016 2 keer vier uur per week, twee weken erna drie keer per week vier uren. Klaagster gaf aan dat re-integratie op een andere werkplek, bij een andere werkgever, bespreekbaar was.

 

De werkgever gaf op 16 december 2016 bij klaagster aan dat de week erna geen werkhervatting zou plaatsvinden. Verweerder heeft L gemeld dat klaagster zelf de benodigde medische informatie zou verschaffen aan L.

 

Op 22 december 2016 stuurde klaagster verweerder een e-mailbericht met de vraag of zij het goed had begrepen dat verweerder de spreekuurbrief van 1 december 2016 als aanpassing op de probleemanalyse heeft willen opvoeren. Met name punt 10 en de beperkingen van september 2016 waren niet meer actueel volgens klaagster. Klaagster wilde de beperking op sociaal functioneren vervallen zien.

Verweerder meldde klaagster dat de beperkingen in de probleemanalyse de stand van zaken aangeeft op moment van beoordeling en de toen aanwezige kennis en gegevens.

Klaagster was het niet eens met informatie die aan L was gestuurd. De conceptbrief kon de goedkeuring van klaagster niet dragen.

Er liep ook een bezwaarschriftenprocedure en het UWV werd ingeschakeld.

 

In januari 2017 werd klaagster door L uitgenodigd voor een vervolggesprek. Er was discussie over al dan niet meewerken door klaagster in verband met het feit dat zij geen toestemming gaf voor het opvragen van informatie. Klaagster heeft een gesprek met de werkgever over de eerstejaarsevaluatie afgezegd. Een afspraak met verweerder op diezelfde datum werd eveneens door klaagster afgezegd.

Verweerder adviseerde klaagster, na een e-mail van klaagster, met de werkgever in gesprek te gaan over re-integratie, bij een andere werkgever.

Op 25 januari 2017 gaf klaagster aan dat ze wilde stoppen met L. Klaagster had contact met een coach F en G.

Op 31 januari 2017 was er nog een spreekuurcontact met verweerder. Het deskundigenoordeel van het UWV hield in dat werkgever en werknemer voldoende re-integratieinspanningen hadden verricht. Verweerder verzocht de werkgever om actie te ondernemen voor een driegesprek om over een plan van aanpak re-integratie te overleggen.

 

Klaagster stuurde verweerder een e-mailbericht waarin ze de door verweerder gegeven adviezen achter elkaar heeft weergegeven en aangaf dat ze zich niet aan de indruk kon ontrekken dat de werkgever de adviezen niet had opgevolgd. De vraag aan verweerder was hoe lang hij dit toestond.

 

Op 27 februari 2017 gaf klaagster aan dat zij graag een vrouwelijke bedrijfsarts wilde voor begeleiding. Verweerder heeft klaagster gemeld dat hij dat op korte termijn niet kon realiseren en dat dit in het komende spreekuurcontact besproken zou worden. Na bespreking van het verzoek heeft verweerder het verzoek aan zijn leidinggevende doorgegeven.

 

Verweerder noteerde van dit contact als concepttekst voor zijn advies, voor zover thans relevant:

Ik heb overlegd in een driegesprek 23 februari jl. met [naam klaagster, RTC] en haar behandelaar en heb eerder medische informatie van haar behandelaar ontvangen   en het UWV deskundigen oordeel .

Ik heb van betrokkene geen verslaglegging van het eerste deel van de L expertise ontvangen. (…) Ik mis als bedrijfsarts het advies van L en zal dus uit moeten gaan van de voor mij beschikbare informatie.

Behandelaar geeft mij  op 23 februari jl. aan dat betrokkene meewerkt aan de behandeling en dat deze behandeling door zal lopen. Behandelaar geeft aan dat er sprake is van een mentale stabiele situatie.

Behandelaar ziet geen contra-indicaties om werkzaamheden op te starten en geeft aan dat werkhervatting kan bijdragen aan het verdere herstel.. Hierbij zal rekening gehouden moeten worden met eerder door mij aangegeven factoren; acute stressmomenten vermijden, zelfstandig taken kunnen uitvoeren in eigen werktempo, duidelijke structuur in opdrachten. (…)

Ik heb eerder aangegeven dat begeleiding/coaching op het gebied van omgaan met stress en samenwerking en communicatie op het werk aan te raden is in het kader van de reintegratie. Ik heb daarbij I genoemd als bureau. Ik acht het van belang dat coaching gelijktijdig opstart met de reintegratie.

Op grond van de informatie die ik heb ontvangen in een driegesprek 23 februari jl. met [naam klaagster, RTC] en haar behandelaren en de eerder ontvangen medische informatie , UWV deskundigen oordeel en wegen van de NVAB- en STECR-richtlijnen kom ik tot volgende weging.

Op grond van bovenstaande is mijn advies.

Ik acht in het kader van de reintegratie en verder herstel het van belang dat betrokkene in overleg met werkgever een start maakt met de opbouw van uren en taken en start met coaching op het gebied van omgaan met acute werkstress, samenwerking, communicatie.

Ik vraag [naam klaagster, RTC] en haar werkgever te overleggen over de opstart in een tijdcontingente urenopbouw in aangepast werk rekening houdend met de volgende factoren: acute stressmomenten vermijden, zelfstandig taken kunnen uitvoeren in eigen werktempo, duidelijke structuur en opdrachten en aansturing.

Dit opbouwschema start met 3x4 u/week en bouwt op in stappen van twee weken naar 4x4 u/week en 5x4 u/week. Ik verwacht dat betrokkene een maand op 5x4 u/week blijft en na deze  maand stapsgewijs verder opbouwt naar haar volledige aantal uren met per twee weken een dagdeel erbij.

Dit opbouwschema kan ingevuld worden bij de eigen werkgever of een andere werkgever in het kader van de reintegratie.

Werkgever en werknemer hebben hier al eerder over gesproken.

Einddoel van deze reintegratie blijft hervatting in eigen werk.

(…)

Ik heb in het afgelopen jaar diverse malen met huisarts en behandelaren van [naam klaagster, RTC] overlegd. In september 2016 telefonisch overleg met behandelaar en huisarts, november 2016 mondeling overleg met betrokkene en behandelaar, november schriftelijk informatie ontvangen, 23 februari mondeling overleg met betrokkene en behandelaar.

Ik heb van betrokkene geen verslaglegging van het eerste deel van de L expertise ontvangen. [naam klaagster, RTC] gaf mij op 23 februari aan dat ze van L heeft vernomen dat deze rapportage niet beschikbaar is. L heeft heeft het expertise traject derhalve niet kunnen afronden.

Ik heb bij mijn bovenstaande advisering de L expertise niet kunnen wegen en mij derhalve gebaseerd op de eerdere informatie die ik van behandelaars heb ontvangen en het gesprek op 23 februari met betrokkene en haar behandelaar.

Er is sprake van een behandeling die zal doorlopen en behandelaar geeft aan dat [naam klaagster, RTC] meewerkt aan de behandeling. Ik acht deze behandeling ook nodig in het kader van een verder duurzaam herstel.

Ik merk bij [naam klaagster, RTC] een toenemende frustratie richting werkgever in de belemmeringen die zij bij werkgever ervaart om te komen tot een werkhervatting.

Ik merk effecten ook tijdens mijn spreekuren waarbij ik een langer spreekuur inplan en de mails ik in cc. vorm ontvang.

Ik zie dat ook terug in de beschrijving van het deskundigenoordeel van het UWV

Ik merk bij werkgever zorgen over hoe de werkhervatting en samenwerking met collega’s in de praktijk zal gaan. Ik merk bij werkgever irritatie over de communicatie met [naam klaagster, RTC] per mail, telefoon en face-to-face.

Mocht blijken dat problemen in de arbeidsverhouding een belemmering vormen in de reintegratie kan dat leiden tot een advies; inschakelen van mediation conform de STECR-richtlijn.”



 

Klaagster gaf op 13 maart 2017 via H aan dat zij de begeleiding wilde stoppen.

Op 4 april 2017 is klaagster niet verschenen op een afspraak met verweerder.

 

De begeleiding van klaagster is overgenomen door de vrouwelijke arts E.

 

Verweerder heeft een verslag opgesteld betreffende zijn contacten met klaagster dat is opgenomen in het door E op 23 oktober 2017 opgestelde formulier ‘Medische Informatie WIA’ ten behoeve van het door klaagster in te dienen re-integratieverslag tussen 87 en 91 weken na de eerste ziektedag.

 

 

3.   HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

 

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- schending van zijn beroepsgeheim begin 2017 en in de samenvatting door verweerder in oktober 2017 voor het UWV. Verweerder heeft niet adequaat gereageerd op klaagsters klachten en verkeerde adviezen gegeven over de in te schakelen jobcoach.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

 

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij met de samenvatting van zijn spreekuurcontacten aan het UWV heeft gehandeld conform de wettelijke verplichting voor het invullen van het formulier medische informatie. Verweerder heeft alleen zijn eigen spreekuurcontacten met klaagster weergegeven, derhalve alleen informatie die hij zelf had ontvangen van klaagster. E heeft haar spreekuurcontacten met klaagster in het formulier opgenomen. Er heeft geen overleg met E plaatsgevonden over haar beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klaagster. Tijdens de begeleiding van klaagster heeft verweerder geen medische informatie gedeeld met de werkgever. Verweerder heeft klaagster en de werkgever geadviseerd over de arbeids(on)geschiktheid van klaagster en over de voorwaarden waaronder zij zou kunnen re-integreren. Dit geldt ook voor de adviezen in maart 2017 waarvan verweerder wist dat klaagster het niet eens was met de inhoud daarvan.

Verweerder heeft klaagster getracht zo goed mogelijk te begeleiden. Klaagsters verzoek van 2 maart 2017 voor een vrouwelijke bedrijfsarts was het eerste signaal dat klaagster niet tevreden was over de begeleiding door verweerder. Verweerder heeft geadviseerd een jobcoach van I in te schakelen, die landelijk re-integratieondersteunende diensten aanbiedt. L is ingeschakeld in het kader van expertise. Verweerder heeft niet aangestuurd op vertrek van klaagster bij de werkgever. Verweerder heeft zich ingezet voor re-integratie bij de werkgever. Verweerder kan niet aangesproken worden op het handelen van de werkgever.

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1         

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

5.2

Verweerder heeft klaagster gedurende een lange periode gezien in het kader van verzuimbegeleiding. Verweerder heeft daarbij terugkoppelingen gegeven aan klaagster en haar werkgever. Niet is gebleken dat in die terugkoppelingen, zoals weergegeven onder de feiten, medische gegevens omtrent klaagster aan de werkgever zijn gegeven. Verweerder heeft de arbeidsongeschiktheid van klaagster, haar beperkingen en de mate van beperkingen telkens aangegeven. Dat verweerder in zijn probleemanalyse een beperking in sociaal functioneren heeft aangegeven is in het licht van het dossier verdedigbaar. Dat verweerder op klaagsters verzoek van latere datum heeft aangegeven dat hij die beperking niet wilde aanpassen kan de tuchtrechtelijke toets doorstaan. Dat de werkgever de adviezen van de bedrijfsarts niet of niet geheel heeft opgevolgd kan verweerder niet worden aangerekend. Verweerder heeft in het begin van de verzuimbegeleiding geadviseerd tot coaching via I en later een expertise bij L geadviseerd. Dat deze adviezen niet hebben geleid tot daadwerkelijke coaching en rapportage kan verweerder niet worden verweten, nu daarin ook een rol speelde dat klaagster de regie wilde voeren over haar medische gegevens en deze niet (geheel) met de I en L wilde delen.

Verweerder heeft naar het oordeel van het college, gelet op de situatie van klaagster destijds en de hem ter beschikking staande informatie, adviezen gegeven waarbij hij de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening niet heeft overschreden. Dat klaagster haar werk telkens zo snel mogelijk wilde hervatten en daar haar eigen zienswijze over had maakt het voorgaande niet anders.

Van een schending van klaagsters privacy doordat een (overzicht van) de spreekuurcontacten met de bedrijfsarts is opgenomen in het formulier ‘Medische Informatie WIA’ is geen sprake nu de bedrijfsarts gehouden is om die medische gegevens aan te leveren middels het bedoelde formulier. Verweerder had, zoals gebruikelijk, ook na overdracht van het dossier aan E toegang tot het eigen gedeelte van het dossier van klaagster. Deze informatie werd alleen met klaagster gedeeld en zij had deze desgewenst van correcties/commentaar kunnen voorzien.

 

5.3

Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.

 

 

6.    DE BESLISSING

 

Het college wijst de klacht af.

 

 

Aldus gegeven in raadkamer door A.L. Smit, voorzitter, C.A.W.M. Hertog en H. Veneman, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.

                                                                                                  

 

 

                                                                                                                

 voorzitter

 

 

 

                                                                                                                

`                                             secretaris

 



 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens